terug  begin  verderprepost
[p. 446]

100



illustratie

 
O cranc onseker broosch engien,1
 
Snee of glas als dijn nature,2
 
Niet en sech: ‘dit sal ghescien’,
[p. 447]
 
Want dune hebs morghen tijt no ure.3-4
5
Waer vintstu eenighe creature
 
Die ghedure6
 
Jeghen de doot die commen moet?
 
Al eist so datti hier ghebuere
 
Dijns weinschens cuere,8-9
10
De doot die werpt di onder voet.10
 
 
 
O vroylic herte, solazelic bloet,11
 
Egidius, di sal men claghen,
 
Ende rauwe draghen
 
Tallen daghen,
15
Ende dijns ghewaghen!
 
So wie dijns plaghen,16
 
Hem maechs wanhaghen
 
Datti de doot so vrouch bestoet,18
 
Maer wat God wille, elc neimt vor goet.19
 
 
20
Nemmermeer sone wanic zien
 
Dijnre vroylicheit parture.21
 
Musike ende alle melodien
 
Minnestu met herten pure.
 
Nu bestu doot. elc vroylic truere.24
[p. 448]
25
O Avonture,25
 
Du slachts der hebben ende der vloet!
 
Du gheifs hem tzoet die staen na tzure,
 
Entu best stuere28
 
Hem die van aerde minnen tzoet!
 
 
30
O vroylic herte, solazelic bloet etc.
 
 
 
Wie sulre nu dijnre vruechden plien,31
 
Egidius, stervelike guere?
 
Menich edel musisien33
 
Prees dinen voys ende dijn tenuere.34
35
Nu bidt vor ons, want du best vuere35
 
In schemels duere,36
 
Dat ons God neme in sijn behoet
 
Ende dat hier elc also labuere,38
 
Eet therte scuere,
40
Dat wij ontgaen der hellen gloet.
 
 
 
O vroilic herte etc.
Ballade. 3 coupletten afgewisseld door refreincouplet; het geheel is van grote omvang. In het refreincouplet na korte perioden enige streepjes, die op herhaling duiden. Van dit laatste couplet is de tekstplaatsing onzeker. De beginnoten g′a′g′ zijn conjectuur en gekozen in verband met de C dur- toonaard van deze melodie.
1‘o zwakke, onveilig levende, broze mens’ (lett. ‘geest, vernuft’).
2als, ‘wat betreft’; zie Mak, L.B. 49, 12; de combinatie van snee en glas als beelden van vergankelijkheid vindt men ook bij Jan van Hulst (4de gedicht, r. 129/31: ‘Aermoede, als snee / Smelt zoe of glas / Hoe rijc men was’).
3-4verg. Jac. 4:13-14.
6ghedure, ‘bestand is’.
8-9‘al zou het je hier op aarde ook ten deel vallen het beste te bezitten wat je je maar kunt wensen’.
10verg. Jan Praet: ‘Die doot die nopet onder voet / gheslachte, lechame, eere ende goet’ (ed. Bormans r. 1002/3).
11solazelic bloet, ‘mens waar vreugde van uitgaat’.
16‘al wie (vriendschappelijk) met je omgingen’.
18bestoet, ‘overviel’.
19maer: in het hs. M met een. afkortingsteken. elc neimt vor goet, ‘dat moet ieder zonder protest aanvaarden’.
21‘het evenbeeld van jouw vrolijkheid’; van deze betekenis van parture geen andere plaatsen bij Verdam.
24elc vroylic truere, ‘laat ieder die samen met jou vrolijk was nu treuren’.
25Avonture, ‘Fortuna’; misschien bevat ook deze passage een herinnering aan Jan Praet, verg.: ‘want dAventure, die spelen can, / zoe worpt wel voor een aes een sijs. / Al waent een wel ende zeker staen, / het verkeert bin corter ure; / Fortuna doet hem vallen saen / ende gheift hem over tsoette tsuere. / Zoe ghevet beide, lief ende leet’ (ed. Bormans r. 1324/9); in het 7de gedicht, r. 280 vgg., zinspeelt Jan Moritoen waarschijnlijk ook op de geciteerde plaats: ‘ofstuut verstaes, / So werker na, want diet ghevroedt / Ende willens werpt voor tsijs een aes, / Hets recht dat hi de cauze boedt’.
28stuere, ‘hard’.
31‘wie zullen nu de vreugde van je vriendschap genieten’. stervelike guere, ‘geurende roos van vriendschap die moest sterven’; verg. 6de gedicht, r. 56 vgg.: ‘Daer ik zach eenen egglentier...Sijn roke was lidens medecijne’, een voorstelling die op Egidius betrekking heeft; voorts, voor de (onsterfelijke) geur als symbool van de liefde van Maria, lied 97, r. 7.
33musisien, ‘musicus’; Verdam geeft geen andere plaatsen.
34‘prees je zingen van de tenor (de hoofdstem in de polyfone koorzang)’; deze plaats is er een aanwijzing voor dat er in de vriendenkring behalve de (eenstemmige) liederen uit dit liedboek ook motetten e.d. gezongen zullen zijn.
35du best vuere, ‘jij bent (ons) vooruit’.
36schemels duere, ‘de deur, de poort van de hemel’.
38labuere, ‘arbeide’.
prepostterug  begin  verder