terug  begin  verderprepost
[p. 449]

101

 
Musike, die in der naturen1
 
Can bezuren
 
Beseffen der consten vroylicheit,
 
Wes vroylic nu! la varen trueren!1-4
5
Looft teser uren
 
Der rozen vul der reynicheit,6
 
Wiens omoet ende zuverheit7
 
Der Triniteit
 
Ontsluten dede schemels duren8-9
10
Om alre meinschen zalicheit,
 
Daer soe bereit
 
Toe was vor alle creaturen.12
 
Eva brochte ons int bezuren,
 
Ave was bi den here gheseit.
 
 
15
Ave der werder rozen teeren,
 
Die ons mach leeren
 
Quaets ombeeren,
 
Te duechden keeren,
 
Den viant weeren.19
20
An haer so steit
 
Al onse meeste zalicheit.
[p. 450]
 
Bi den here so was Muzike
 
In hemelrike,
 
Eer hi Adame tlijf in blies.22-2424
25
Dien wildi maken van den slike
 
Na sire ghelike26
 
Ende gaf hem alre herten kies.27
 
Den viant dien vernoyde dies,
 
Ende vantene ries,
30
Doe Eva slouch sbevelens swike.28-30
 
Ave beterde ons tverlies.
 
Doe soe up wies,
 
Die werde roze, die met verzike33
 
Den heere ontfinc oetmoedelike.34
35
Nu danct der rozen, die vruechden plies!35
 
 
 
Ave der werder rozen teeren etc.
 
 
 
O zuvre roze zonder doren,
 
Uutvercoren
 
Van den heere dor sijn ootmoet!39
40
Ne ware hi niet van di gheboren,
 
So ware verloren
[p. 451]
 
Al dat Adame ye bestoet.42
 
So wie Musiken eere doet,
 
Verleent hem spoet
45
Tallen vruechden sonder toren!43-45
 
Ende neimt ons allen, roze zoet,
 
In dijn behoet,
 
Die van Musiken gheerne horen
 
Ende diese node souden storen,49
50
Nu elc sijn alre blijtste doet!50
 
 
 
Ave der werder rozen teeren etc.
In het hs. ontbreekt een notenbalk.
1Musike, ‘Musica’, d.w.z. de personificatie van de muziek; hier staande voor de zanglust of de gezamenlijke zanglustigen van de vriendenkring.
1-4‘zanglustigen, die hebt kunnen ondervinden (beseffen) dat in wat ons van de zijde der natuur overkomt (t.w. het sterven van onze goede vriend Egidius) het plezier van het musiceren (der consten vroylicheit) wordt aangetast (letterlijk: zuur wordt), wees nu (weer) vrolijk en laat uw droefenis varen’; men verwacht in r. 2 geen can, maar cans; misschien heeft de kopiist de ingewikkelde zin niet goed begrepen. la: imperatief van laen, ‘laten’.
6nl. Maria.
7omoet, ‘nederigheid’.
8-9‘de drieënige God de poort van de hemel deed openen’.
12vor alle creaturen, ‘boven alle schepselen’.
19viant, ‘duivel’.
22-24‘Musica was bij God in de hemel, voor Hij Adam geschapen had (het leven had ingeblazen)’; de muziek is dus van hemelse oorsprong; zij is niet door de zondeval voor de mens verloren gegaan, maar wel moet, in deze gedachtengang, door de menswording van God de muziek op aarde haar oorspronkelijke hemelse volheid hebben teruggekregen; Maria is, vanwege de rol die zij bij de menswording gespeeld heeft, zeer in het bijzonder de beschermvrouwe van de muziek.
24verg. Maerlant, Martijn 1, 138: ‘Hi die Adame tlijf inblies’.
26ghelike, ‘gelijkenis’.
27alre herten kies, ‘alles wat zijn hart begeerde’.
28-30‘aan de duivel verdroot dit en hij wist Adam ertoe te brengen dwaas te handelen (hij bevond hem dwaas), toen Eva het gebod (om niet van de boom der kennis van goed en kwaad te eten ) in de wind sloeg’.
33met verzike, ‘met een zucht, met vrees en beven’.
34oetmoedelike, l. ootmoedelike.
35die vruechden plies, ‘gij die de vreugde (van de muziek) geniet’ (want gij dankt de volheid van deze vreugde aan Maria).
39ootmoet, ‘genade’.
42‘ieder die Adam in den bloede bestaat, het hele menselijke geslacht’.
43-45‘(Maria,) help ieder die aan Musica eer bewijst de volkomen vreugde (van het musiceren) te vinden, zonder dat daar enige schaduw over valt (letterlijk: zonder verdriet)’
49‘en die haar (Musica) niet graag zouden ontstemmen’.
50‘nu ieder zijn best doet om zo lustig mogelijk te zingen’; een andere mogelijkheid is, dat de laatste regel een opwekking tot de zangers bevat; dan moet men een punt zetten achter r. 49 en doet opvatten als doe: ‘laat ieder nu zijn best doen om zo lustig mogelijk te zingen’.
prepostterug  begin  verder