1Musike, ‘Musica’, d.w.z. de personificatie van de muziek; hier staande voor de zanglust of de gezamenlijke zanglustigen van de vriendenkring.
1-4‘zanglustigen, die hebt kunnen ondervinden (beseffen) dat in wat ons van de zijde der natuur overkomt (t.w. het sterven van onze goede vriend Egidius) het plezier van het musiceren (der consten vroylicheit) wordt aangetast (letterlijk: zuur wordt), wees nu (weer) vrolijk en laat uw droefenis varen’; men verwacht in r. 2 geen can, maar cans; misschien heeft de kopiist de ingewikkelde zin niet goed begrepen. la: imperatief van laen, ‘laten’.
22-24‘Musica was bij God in de hemel, voor Hij Adam geschapen had (het leven had ingeblazen)’; de muziek is dus van hemelse oorsprong; zij is niet door de zondeval voor de mens verloren gegaan, maar wel moet, in deze gedachtengang, door de menswording van God de muziek op aarde haar oorspronkelijke hemelse volheid hebben teruggekregen; Maria is, vanwege de rol die zij bij de menswording gespeeld heeft, zeer in het bijzonder de beschermvrouwe van de muziek.
24verg. Maerlant, Martijn 1, 138: ‘Hi die Adame tlijf inblies’.
27alre herten kies, ‘alles wat zijn hart begeerde’.
28-30‘aan de duivel verdroot dit en hij wist Adam ertoe te brengen dwaas te handelen (hij bevond hem dwaas), toen Eva het gebod (om niet van de boom der kennis van goed en kwaad te eten ) in de wind sloeg’.
33met verzike, ‘met een zucht, met vrees en beven’.
42‘ieder die Adam in den bloede bestaat, het hele menselijke geslacht’.
43-45‘(Maria,) help ieder die aan Musica eer bewijst de volkomen vreugde (van het musiceren) te vinden, zonder dat daar enige schaduw over valt (letterlijk: zonder verdriet)’
49‘en die haar (Musica) niet graag zouden ontstemmen’.
50‘nu ieder zijn best doet om zo lustig mogelijk te zingen’; een andere mogelijkheid is, dat de laatste regel een opwekking tot de zangers bevat; dan moet men een punt zetten achter r. 49 en doet opvatten als doe: ‘laat ieder nu zijn best doen om zo lustig mogelijk te zingen’.