terug  begin  verderprepost
[p. 452]

102



illustratie

 
Naer dattu haes de herte mijn1
 
Aen dir ghewald, vrau minnentlijch,2
 
Unde ich el niemens bin dan dijn,
 
So troost mi, beilde wivelijch.
5
Si blide ende vro, want ichs dir gan!5
 
So willich vroylich zinghen dan
 
Ende bliven dijn ghetruwelijch.
 
 
 
Vor al lieft mir dijn wijflic scijn,
[p. 453]
 
Als icht mach scauwen vriendelijch.8-9
10
Nacht ende dach so lidich pijn,
 
Sonder als ic bem bi dijch.
 
 
 
Na dattu haes etc.
 
 
 
Wanneer ich niet bi dir mach zijn,
 
Rouwich verlanghen es in mich,
15
Hets recht, ic bem dijn eighijn15
 
Ende blive in trauwen zekerlijch.
 
Wes blide etc.
 
Nu willic vroylic etc.
 
Ende bliven etc.
 
 
20
Na dattu haes etc.
Rondeel. De finalis is e″ (in hoge ligging). Mogelijkerwijze is deze nog door een d″ gevolgd (op facs. niet meer zichtbaar). De dichter heeft in het 2de (volledige) couplet het 2de refreindeel opgenomen (AB a A aB AB in plaats van ABaAabAB).
1naer dat, ‘omdat’.
2aen dir ghewald, ‘in uw macht, in uw bezit’.
5ichs dir gan, ‘ik ben u genegen, ik blijf mijn hoofse liefdedienst tenvolle aan u wijden’; de dichter probeert Mergriete na de dood van Egidius op te monteren door er, bescheiden maar onhandig, op te wijzen dat hij, de hoofse huisvriend, er toch ook altijd nog is!
8-9‘boven alles behaagt mij uw liefelijk gelaat, wanneer ik het vriendelijk (tegenover mij) mag zien’; zij wil hem in deze tijd nl. niet te woord staan en kijkt langs hem heen.
15hets recht: zij mag als hoofse geliefde met hem, haar slaaf, nl. doen wat zij wil, dus ook hem de toegang tot haar ontzeggen. ic bem dijn eighijn, l. ic bem al dijn eighijn?
prepostterug  begin  verder