terug  begin  verderprepost
[p. 463]
[p. 464]
 
Orlof, vrauwe, ende ic moet gaen!
 
Al wil ich bliven, ic en mach.
 
Dies moet de hertze mijn ontfaen
 
Groot verlanghen nacht ende dach.
5
Nochtan so gheift mi goet verdrach
 
Tverwaren dijnre eerlicheit.5-6
 
Adieu, mijn hoochste vroylicheit!
 
 
 
Al sceidic, lief, int zien van dir,8
 
Herte no zin ne blijft bi mir.
10
Dan can di ummer niet ontvlien.
 
Adieu, ic sal u varinc zien!11
 
 
 
Niet langher dan ich bi dir bin,
 
Sone es mijn hertze in mijn bedwanc.12-13
 
Daer toe so es mijn moet, mijn zin
15
Al dijn, ende blijft mijn leven lanc.14-15
 
Het dient al, vrauwe, om dinen danc,
 
Ghedochte, redene ende besceit.16-17
 
Adieu, mijn hoochste vroilicheit!
 
 
 
Orlof, vrauwe etc.
[p. 465]
20
Ghewerdicht, vrauwe, up rechte omoet
 
Dattu mich neims in dijn ghedacht.20-21
 
Ic ne liete u om gheen goet,
 
Al waert ooc wel in mijnre macht.
 
Om di so peinsic dach ende nacht,22-24
25
Ende eewich sal, hoet mi vergheit.
 
Adieu, mijn hoochste vroilicheit!
 
 
 
Al sceidic, lief, int zien etc.
 
 
 
Orlof, vrauwe etc.
Rondeel. Het schema is als in 102: AB a1A a2BAB. De strofen A, a1 en a2 zijn niet - zoals in 't rondeel gebruikelijk - doorgerijmd. Wel vormen ze gedrieën een ballade (of refereyn, daar er slechts één refreinregel volgt). Het volledige schema van dit balladen-rondeel is:
{ a } stol { f } { h }
{ b } { g } { i }
{ a } tegenstol { f } { h }
A is: { b } a1 is: { g } a2 is: { i }
{ b } afgezang { g } { i }
{ c } { c } { c }
{ C refrein { C { C
B is: d
d
e
e

 

Melodie doorgecomponeerd. De nietszeggende aeolische zangwijs kan bezwaarlijk door accidentia verbeterd worden, daar dan te veel tritoni optreden.In de 6de regel komen 5 (of 6; één onduidelijk) streepjes voor, die op een herhaling duiden. In de 10de regel na de dalende passage nog een streepje (niet bij Carton). In regel 7 in plaats van f′ ter vermijding van tritonus en naar analogie van regel 4 g′ gelezen.
+Afscheidslied voor Mergriete, nadat deze aan de dichter heeft meegedeeld dat zij in het klooster zal gaan.
5-6‘nochtans, ondanks het verdriet dat dit afscheid bij berokkent, geeft de gedachte dat ik (krachtens mijn belofte aan Egidius) uw eer moet beschermen, mij de kracht het te verdragen’; verg. voor de belofte, waarop in het lied niet expliciet gezinspeeld wordt, het 13de gedicht, r. 129-133 en r. 420-433, in het bijzonder r. 431-432: ‘Daer ic in helpen mach verwaren / Haer eere ende ooc haer waerdicheit’.
8verg. lied 104, r. 1: ‘Al sceidic van dir int ghezicht’; de hele strofe r. 8-11 is nauw verwant met de eerste strofe van 104, dat echter vanwege de hartstochtelijke toon van zijn laatste strofe wel eerder - in de ‘vierde fase’ - geschreven moet zijn.
11varinc, ‘weldra’; hier niet letterlijk op te vatten, want de dichter doelt, evenals in de slotdialoog van het 9de gedicht, op een weerzien in de hemel; verg. lied 98, r. 16: ‘Nochtan moet emmer ghestorven sijn’.
12-13‘alleen maar zolang ik bij u ben, bevindt mijn hart zich binnen mijn bereik’, d.w.z. als ik van u gescheiden ben, beschik ik niet meer over mijn hart, want het bevindt zich bij u.
14-15‘dat komt doordat mijn innerlijk helemaal van u is en dat levenslang blijft’.
16-17‘alles staat, vrouwe, geheel in uw (loon)dienst, (ook) mijn verstand en redelijk inzicht (dat mij in staat stelt nu afscheid van u te nemen)’.
20-21‘verwaardig u, vrouwe, genadiglijk aan mij te blijven denken (wanneer gij u in het klooster hebt teruggetrokken)’.
22-24‘ik, mijnerzijds, zal om niets ter wereld in plaats van u een andere geliefde kiezen, al zou ik het kunnen, maar ik zal altijd aan u blijven denken’.
prepostterug  begin  verder