terug  begin  verderprepost
[p. 468]

110



illustratie

 
O stede duechdelic, minlic ort,1
 
God haet verchiert dijn edel name.2
 
Bi dir elc menscelich ghebort3
 
Mach vroylic leven sonder blame.4
[p. 469]
5
Dijn gheer is eere, dijn wesen scame.5
 
Du best vul duechden zekerlijch.
 
Ich danx der minnen minnentlijch.7
 
 
 
An steiden orden blivic vort8
 
Mijn leven lanc, want het betame9
10
Der minnen, die mi gheift confoort
 
Van soeter rusteliker vrame.11
 
Mine was nie ruste so bequame
 
Alstu mi gheifs, vrauwe duechdenrijch!
 
Ic danx etc.
 
 
15
Bi dir so ben ich onghestoort,15
 
Ondanc der bozer niders game.16
 
Dijn woort, dijn mein es recht acoort.17
 
Met rechte ich vro met dir verzame.18
 
Ghenouchlic snijt der minnen brame,19
20
Niet meer ne werd gheprouft van mich!20
 
Ic danx der minnen minnentlijch.
Ballade (Refereyn). De beginnoten e″-a conjectuur. In regel 2 hiaat door afsnijding aan de bovenkant; hier e″-f″-d″ als conjectuur. In regel 6 f″ (op facs. even zichtbaar) op ‘sca-’ toegevoegd.
1‘o edele (belichaming van de) standvastigheid, (die) liefelijke (levens)staat’; mijn interpretatie wijkt aanzienlijk af van die van Verdam, die deze regel citeert als een bewijsplaats van ort, ‘schat’ en er tussen haakjes achter noteert ‘van Maria’ (MW 5, 2015); m.i. is de aanspraak gericht tot de ‘vrauwe duechdenrijch’ uit r. 13 = Mergriete, en moet orden in r. 8 de datiefvorm zijn van hetzelfde woord dat in r. 1 in vocatiefvorm ort luidt (verg. dezelfde verbinding aen steiden orden ook in lied 123); ort is dan de, vanwege het rijm, geapocopeerde vorm van het vrouwelijke woord orde(ne).
2uit het 7de gedicht kunnen we er ons een voorstelling van vormen op welke wijze de dichter zich dit ‘verchiert’ zijn van Mergrietes naam kan hebben voorgesteld; een dergelijk huldigend spel met de letters van haar naam - waarschijnlijk in navolging van het spel van Jan Praet met de letters van de naam Maria, dat ook Jan van Hulst in het 4de en 14de gedicht moet hebben geïnspireerd - heeft hij ongetwijfeld vaker gespeeld; verg. ook het acrostichon Triceew uit lied 39 en wat daarover in de inleiding is opgemerkt (blz. 159).
3elc menscelich ghebort, ‘ieder mensenkind’; de dichter bedoelt zichzelf, maar heeft in zijn vreugde over het hervonden contact behoefte aan een superlativische formulering: iedereen moet zich in de nabijheid van Mergriete gelukkig voelen!
4mach, hs. mac.
5gheer, ‘verlangen, hartsbehoefte’.
7‘ik betuig daarvoor de liefde (of Venus) als minnaar mijn hartelijke dank.’
8‘voortaan blijf ik bij haar die de staat der standvastigheid belichaamt’.
9betame, ‘komt toe’.
11vrame, ‘geluk’ (eig. ‘nut’).
15onghestoort, ‘door niets verontrust’.
16game, ‘lelijke streek’; geen andere plaatsen bij Verdam; de dichter zinspeelt hier op de kwaadsprekers die de verwijdering tussen Mergriete en hem hadden veroorzaakt (verg. het 6de gedicht).
17‘wat gij zegt en wat gij denkt is gericht op een volkomen harmonie, een echte eenstemmigheid’.
18‘ik ben met recht vrolijk als ik met u samen ben’.
19‘kap nu blij te moede de doorntak, die u in uw liefde gewond heeft, af’; verg. nog Maerlant, Martijn 3, 63: ‘ghewont metter sonden bramen’.
20‘word niet meer van mijnentwege beproefd, moge ik u nooit meer een beproeving aandoen’.
prepostterug  begin  verder