terug  begin  verderprepost
[p. 499]

122



illustratie

 
Ic badt der liefster vrouwen mijn.1
 
God gheve dat mir becliven moet,2
 
Of anders sal verlanghens pijn
 
Verdwinen al mijns hertzen bloet.4
5
No vruecht, no heil, no scat, no goet
 
En mach mi helpen niet een blat,
 
Doet si mi niet dat ic huer bat.
 
 
 
Ghebloiet staet een gardelijn,8
 
So vaste nye ghein in mi en stoet.9
10
God groetu, joncfrauwe edel, fijn,10
 
Dat rijs haenstu in dijn behoet.
[p. 500]
 
Ich badt der liefster etc.
 
 
 
Sal dan mijn gaert ghedurich sijn,13
 
Blijft mi ghestalt toot heilde zoet.14
15
Want ich wil emmer bliven dijn,
 
Dat saltu zeker werden vroet.
 
No vrueckt, no heil, no scat, no goet
 
Ne mach mi helpen niet een blat,
 
Doet si mi niet dat ic haer bad.
 
 
20
Ick badt der liefster etc.
Rondeel in ‘Moritoen-vorm’ (zie 102). Slotnoten g′f′ conjectuur.
1‘ik vroeg het aan mijn liefste vrouwe (t.w. met mij naar bed te gaan)’.
2dat mir becliven moet, ‘dat het mijn deel moge zijn’.
4verdwinen, ‘doen verdwijnen’.
8gardelijn, ‘takje’; hier, in parodiëring van het gaerdelijn uit lied 129, r. 31, ter aanduiding van de ‘roede’, de phallus; in r. 11 in dezelfde betekenis rijs.
9parodiërend ontleend aan lied 129, r. 33; verg. ook r. 11 met lied 129, r. 34. joncfrauwe: in het hs. joncf met een afkortingsteken.
10God groet u: deze plechtige groet moet in de situatie van het lied komisch bedoeld zijn.
13het vierde en vijfde woord zijn in het hs. onduidelijk; de regel betekent: ‘zal mijn takje overeind blijven staan’.
14heilde, ‘band’; de dichter bedoelt een band zoals een boomkweker gebruikt om een zwak stammetje te steunen of een tak van een leiboom op te binden; hier natuurlijk ter aanduiding van de vagina.
prepostterug  begin  verder