Rondeel. De tekstplaatsing is conform die in Mens & Melodie V (1950), 351.
+Gericht tot Mergriete in het klooster (evenals, vermoedelijk, 123, 124 en 126).
1Aloeette: geen gangbare benaming voor een leeuwerik (verg. lewerken in het 1ste gedicht, r. 81), maar een ‘hoofs pseudoniem’ als Lauwerette (lied 30) en Violette (lied 34); uit het feit dat Mergriete hier ‘zingend als een leeuwerik’ wordt voorgesteld, kan men afleiden dat niet alleen haar schoonheid maar ook haar zanglust haar voor Egidius en Jan Moritoen aantrekkelijk moet hebben gemaakt.
4t.w. in de kloosterkapel; blijkbaar heeft de dichter wel eens buiten staan luisteren terwijl de zusters zongen; de kapel van Mergrietes klooster zal aan de openbare weg gelegen hebben (verg. r. 12).
6‘daarom voel ik mij met u verbonden en blijf ik u op hoofse wijze trouw’.
12blijkbaar heeft een ‘nider’ de dichter gageslagen terwijl deze naar het koorgezang stond te luisteren.
13-14‘de roek is een betere kameraad voor jou, ga jij maar een roek beloeren in plaats van een leeuwerik’; Verdam vergelijkt ten onrechte 1ste gedicht, r. 349, waar rouc een werkwoordsvorm is.
16‘laat twee hoofs minnende harten geestelijk bijeen zijn zonder dat zij op een valse manier betrapt worden’; deze betekenis van bevanc is, naar de citaten bij Verdam te oordelen in het mnl. niet usueel geweest; de verklaring van Verdam ‘zonder iets te verzwijgen’ past niet bij de situatie van het lied (die hij echter nog niet kende).