Bij mijn poging om de oorspronkelijke omvang van dit lied, dat op de laatste zeven regels na op het bij 126 vermelde verdwenen blad heeft gestaan, te reconstrueren, heb ik de liederen 109 en 119 als model genomen. Het is echter niet zeker of 127 wel een beginrefrein heeft gehad, verg. bv. 81, en evenmin of er maar drie strofen waren, verg. bv. 37, 80 en 131, met vier strofen, en 29, met vijf of zes strofen. Het is zelfs denkbaar dat het refrein niet drie-, maar tweeregelig geweest is, verg. bv. lied 5, of nog anders gebouwd, als in lied 130.
18‘wanneer het redelijk is dat genegenheid (van de minnaar) beloond wordt met blijken van genegenheid (van zijn geliefde vrouwe)’; het lijkt wel of Jan Moritoen hier een strofe van Jan Praet in zijn oor heeft gehad: ‘Dus sal men minne met minnen ghelden, / sal de paye wesen goet; / nochtan ziet men ghevallen zelden / dat yement dies ghelike doet’ (ed. Bormans r. 4114/7).
20-21‘ach, vrouwe, dan doet gij ons beiden al te zelden tezamen zijn in een samenstemming van vreugde’.
22-23‘ik vraag u vriendelijk om voortaan mijn minnevreugden in uw bescherming te nemen’.