terug  begin  verderprepost
[p. 509]

128



illustratie

 
O soete natuere, wijflich moet,
 
Ghelijch der ebben enter vloet
 
Doestu mir liden zeer ende zacht.
 
Dijn zeden rein, dijn wesen goet,
5
Dijn bieldelic aenscouwen zoet,5
 
Es so gheprent in mijn ghedacht,
 
Wes ich begripe, dach ende nacht7
 
Mi nes niet anders in den zin.
 
Met zuetzer minnentlicher cracht
10
Bestu mir hertzen comen in.
 
Das willich vruechden doen beghin11
[p. 510]
 
En wildir bidden, wijflich scijn:
 
Laes dir mijn dienst ghenouchlich zijn!
 
 
 
Wilt niet versmaden, vrouwe rein,
15
Mijn minlic gonst, mijn truwe mein!15
 
Es werde clein, die wil es groot.16
 
In haen der vruechden anders ghein
 
Dan ich dijn eighin bem allein.
 
Neemt das vor goet, het zi mijn noot.19
20
Sint ich dir in mijn hertze sloot,
 
In haen des lidens niet ghemist.
 
Das mir tze liden nie verdroot,22
 
Aen hoffe ende aen al arghelist.23
 
Das du dan mijns ghenadich bist,
25
Das knielt vor dich de hertze mijn.25
 
Laes dir mijn dienst ghenouchlich zijn!
 
 
 
Du best mijn troost, du bist mijn vruecht,
 
Du best allein das mir verhuecht
 
Vor al das ich of erden haen.29
30
Sal mir dijn wijfliche duecht
 
Versmaden, so bem ic ontwuecht31
[p. 511]
 
Ende in weis waer om vruechden gaen.32
 
Van dir ein minlich oghe upslaen33
 
Es mir tzo vruechden heils ghenouch
35
En das ghedenc das ich ghevaen35
 
Bliven moet na dijn ghevouch.36
 
Nie last mir hertzen meer verwouch,37
 
Nochtan ghenuecht mir wael de pijn,
 
Laest dir mijn dienst ghenouchlich zijn.39
Ballade of Refereyn (omvangrijk couplet met éénregelig refrein).
5‘uw lieflijke, beeldige gestalte’; geen andere plaatsen van bieldelic, noch van beildelic, wat Verdam, MW 6, 653 zou willen lezen.
7wes ich begripe, ‘wat ik ook zou ondernemen’.
11doen beghin, ‘beginnen’; dezelfde omschrijving ook in lied 59, r. 2 en 13de gedicht, r. 34.
15mein, ‘bedoeling, gezindheid’.
16es werde clein, ‘is de eer (die ik u bewijs) klein (in vergelijking met de eer die gij waardig zijt)’.
19‘accepteer het, dat het noodzakelijk voor mij is’.
22‘het heeft mij nooit verdroten dat lijden te lijden’.
23aen hoffe, ‘zonder voorbehoud’; een vertaling ‘zonder hoop’ is in het zinsverband onmogelijk; de dichter heeft blijkbaar naar het model van sonder si, de halve vernederlandsing van fr. sans si, een ‘duitse’ uitdrukking aen of gesmeed en daarin aan het gesubstantiveerde voorwaardelijke voegwoord hetzij een datief-, hetzij een meervoudsvorm gegeven; verg. sonder si in de liederen 17 (r. 21) en 134 (r. 29); een met r. 23 verwante uitdrukking is sonder fraude of malengien (lied 12, r. 2).
25‘daarom vraagt mijn hart u op zijn knieën’.
29‘boven alles wat ik op aarde heb’.
31ontwuecht, ‘het spoor bijster’.
32‘en ik weet niet waar ik heen moet gaan om vreugden te vinden’.
33ein minlich oghe upslaen, ‘een vriendelijke blik’; dir ein in hs. niet goed leesbaar.
35das ghedenc, ‘de gedachte’.
36na dijn ghevouch, ‘naar uw wens’; de dichter kan zich dus wel schikken in zijn ‘gevangenschap’, als hij maar de overtuiging kan hebben dat zij het zo wil, dat zij om hem geeft.
37‘geen last heeft ooit zwaarder op mijn hart gedrukt’.
39‘als gij mijn dienst u ten gerieve laat zijn’. ghenouchlich, hs. ghenouclich.
prepostterug  begin  verder