10-11‘daarom kan mij nooit minder geworden dan dat gij mij toestaat u te dienen’; d.w.z. ‘ik ben zeer bescheiden in mijn verlangens, maar toestemming om u te mogen dienen is toch wel het minste wat gij mij geven kunt’; sedert het tweede meilied voor Marie (130) is de dichter dus nog geen stap verder gekomen.
17‘één wens, nl. dat ik eeuwig de uwe zou mogen zijn’.
18-19‘vrouwe, als ik u niet genegen kan zien, zijn mijn vreugden gering’.