terug  begin  verderprepost
[p. 527]
[p. 528]



illustratie

 
Ach, yement hor die troostens can,
 
Wes claghen wil ein truwe man,
 
Die nie gewan
 
Sijns lidens danc
5
Na hertzen gher.3-5
 
Het merret so lanc,
 
Dies node onber.6-7
 
‘Nu her! Nu her!’8
 
Wat goeder mer?9
10
Ein troostlic mein?
[p. 529]
 
Wi comt mer an?10-11
 
In creech nie ghein.
 
‘Wes vraechstu dan?’
 
So claghich dir.
15
Nu hoor wes vruecht mach zijn in mir.
 
Ein ure dinct mi zijn een jaer.
 
In can gheduren hier no daer.
 
Nacht ende dach
 
Ich altzij t ghern bi huer waer
20
Ende ich ne mach.
 
Dan denkich: du wils tzoe huer gaen.21
 
Wan ich dan bi huer bin ghestaen,
 
Si en gan mir nicht ein oghe upslaen.23
 
Dan es ghedaen
25
Mijn vruechden haen.24-25
 
Ich sucht, ich beve, ich truete, ich wein,
 
In weis waer tzoe.27
 
Si en achtes werlich groos no clein,
 
Ooc wes ich doe.28-29
30
Ich deid huer ghern lief, wistich hoe.
 
Wes ich huer gan,
 
Daer keert si van.
 
Wat doe ich dan?
 
So waer ich bin,
35
Daer haet mijn zin
 
Groos liden in.
 
Dats mijn ghewin.
 
Al waer al mijn der werelt goet38
 
Na hertzen wensch,
[p. 530]
40
So ne ware gheen meinsch
 
Haen haer behoet
 
Die meer bedruct ware in den moet.40-42
 
Nu roupich: ‘lieflic beilde zoet,
 
Ghenede doet
45
Aen dinen knicht,
 
So doestu richt!’
 
Si en doet des nicht.
 
Ne ware huer lieflijc aen ghesicht,
 
So wordich al mijns zinnes quijt.48-49
50
Nu sinc ic aerm: ‘lijt den tijt maar af’50
 
Tijt verlies dat es mijn zanc,
 
Maer hope dats mijn hoochste aenvanc:51-52
 
Ic werd noch vro, creech truwe ye danc.
Een amorph gedicht van 53 regels, waarvan ongeveer de helft 8 (soms minder) lettergrepen telt, de andere helft 4 lettergrepen. De notatie is in breves (■), semibreves (◆) en enkele minimae (illustratie). Van een ‘mensurale’ notatie kan hier niet gesproken worden; evenals in de andere melodieën staat een brevis voor een dubbel-streepje en een semibrevis voor een enkelvoudig. De melodische vorm is een ‘Lai-Ausschnitt’, d.w.z. regelperioden die verdubbeld worden (de verdubbeling is niet consequent doorgevoerd; andere dan de hier gekozene zijn mogelijk). De voordracht stelle men zich ritmisch volkomen vrij, ‘quasi parlando’ voor.
+Klacht over de ontoegankelijkheid van Mergriete na de dood van Egidius. De dichter laat zich een enkele maal (r. 8 en 13) interrumperen door de verbeelde toehoorder tot wie hij zich richt (de ‘yement’ uit r. 1).
3-5‘die nooit een beloning voor zijn liefdedienst verkreeg naar het verlangen van zijn hart’.
6-7‘datgene wat ik node mis, laat zo lang op zich wachten’.
8‘kom nou, kom nou’ (?); ik maak deze betekenis van nu her (letterlijk ‘nu hierheen’) uit de context op en heb er in het materiaal van Verdam geen bevestiging voor kunnen vinden.
9‘wat voor goed nieuws heb je?’
10-11‘een blijk van vriendelijke gevoelens? hoe kan men daaraan komen?‘
21‘soms denk ik: je moet toch maar naar haar toegaan’.
23‘dan keurt ze me geen blik waardig’.
24-25‘dan is het afgelopen met mijn vreugden, dan kan ik geen vreugden meer hebben’.
27‘ik weet eigenlijk niet waarom (want het dient nergens toe)’.
28-29‘ze schenkt er waarlijk niet de minste aandacht aan, wat ik ook doe’.
38werelt: in het hs. w'elt.
40-42‘zonder haar genade zou ik toch de ellendigste aller mensen zijn’.
48-49‘als haar lieflijke aanblik er niet zou zijn, zou ik mijn verstand helemaal verliezen’; het woord aenghesicht ontbreekt bij Verdam en men moet de betekenis dus uit de context opmaken; aangezien Mergriete haar minnaar niet wil aankijken en haar gezicht tegenover hem stroef blijft, kies ik hier ‘aanblik’.
50‘nu zing ik, arme man: wacht je tijd maar af’.
51-52‘dat ik dit lied zing is maar tijdverknoeien, maar hoop is mijn hoogste schat’.
prepostterug  begin  verder