terug  begin  verderprepost
[p. 531]

136 +

 
Mey, dijn vro beghinnen
 
Sant mir in de zinnen2
 
Das ich moet leeren minnen
 
Ende draghen last allein.
5
April, dijn dach int leste5
 
In mijn hertze veste
 
Een zien vor talre beste6-7
 
Mine wart so lief nie ein.
 
 
 
Dat lief comt mir tze leide,9
10
Nu ich des ziens af sceide10
 
Ende sonder troost verbeide.
 
So drouve als ich nie ghein.
 
 
 
Ach, lieflich mey, verhueghet
 
Mijn hertze mit huerer dueghet,
15
Want mich niet el ghenueghet
 
Dan al begheren rein.
 
 
 
Af denk mir aermer claghen!17
 
Werlich, in caent verdraghen18
 
Vrauwe, laes doch dir behaghen
[p. 532]
20
Mijn truwich hertzen wein!20
 
 
 
Ein woort van dijnre lieve
 
Lost mir uut allen grieve.
 
Heer God, of ict bezieve,23
 
So waer mijn trueren clein!
 
 
25
Ach, mei, doe up mi dauwen
 
Een lieflic woort van trauwen!
 
Sech huer vor alle vrouwen
 
Das icht mit trauwen mein!
In het hs. een niet ingevulde notenbalk.
+Het vierde, en laatste, meilied voor Marie, naar vorm en inhoud zeer verwant met lied 18.
2sant: alleen de eerste letter is in het hs. volkomen duidelijk; Deleu wil sent lezen, maar in verband met de preteritumvormen in de tweede strofe, waarvan de inhoud parallel is aan die van de eerste, lijkt sant mij waarschijnlijker.
5verg. lied 129, r. 8 en 130, r. 5.
6-7‘legde in mijn hart een blik vast als hel allerbeste (wat mij ooit aan blikken ten deel zou kunnen vallen).
9verg. Maerlant, Martijn 2, 34: ‘ne dade dat lief worde leit’.
10‘nu ik deze blik niet langer kan zien’.
17‘heb medelijden met mijn arme klacht’.
18werlich, ‘waarlijk’.
20‘mijn oprechte harteklacht’; truwich is niet bij Verdam te vinden en zal wel een persoonlijke formatie van de dichter zijn.
23of ict bezieve, ‘als ik het (t.w. het troostwoord) zou vernemen’.
prepostterug  begin  verder