terug  begin  verderprepost
[p. 536]

138



illustratie

 
Up minen heit, mijn hertzen gaer,
 
Ich moet dijn eighin zijn allein.
 
Al haddich wensch na willen tzwaer,
 
Mijn hertze en core ooc anders ghein.
5
Das dar dijn tzwifel wesen clein,
 
Das ich en creech so lief nie ein5-6
 
En das sal bliven emmermeer.7
 
 
 
Vor al dat leift so bem ich dijn.
 
Bistu dan niet met trouwen mijn,
 
Dat doet mir hertzen al tze zeer.
 
 
10
Bistu mir stede, vrouwe rein,
 
So drijf van mir den tzwifel vaer.11
[p. 537]
 
Woltu mit mir niet sijn ghemein,
 
Sone tooch mir nummer lief ghebaer.12-13
 
Het wer tze liden mir tze zwaer,
15
Soldich di dienen al mijn jaer
 
En dir dan liefde een ander meer.14-16
 
 
 
Vor al dat leift so bem ich dijn.
 
Bistu dan niet met trouwen mijn,
 
Dat doet mir hertzen al tze zeer.
 
 
20
Tooch mir dijn meinen, nicht en spaer!20
 
De waerheit dats mijn souverhein.
 
Bestu mir hald, so lief een paer22
 
Als du ende ich nie zonne besceyn.
 
So waer ghedaen mijn tzwifel wein,24
25
Sone zanc so vroilic man nie ghein.
 
Ach, vrau, nu mir das prouven leer.26
 
 
 
Vor al dat leift so bem ich dijn.
 
Bistu dan niet met trouwen mijn,
 
Dat doet mir hertzen al tze zeer.
Ballade. Finalis-cadens bes -a (c.q. e-d) conjectuur.
5-6‘gij behoeft er niet aan te twijfelen, dat ik nooit iemand zo lief heb gehad als u’; r. 6 is door de kopiist in margine bijgeschreven en later bij het opnieuw inbinden van de codex gedeeltelijk weggesneden.
7‘en dat ik mij daar altijd aan zal houden’.
11den tzwifel vaer, ‘de twijfelende vrees’.
12-13‘als gij geen liefdesverhouding met mij wilt, doe u dan ook nooit meer vriendelijk aan mij voor’.
14-16‘het zou voor mij al te zwaar zijn om te verdragen, wanneer ik u jaar in jaar uit zou dienen en een ander u dan toch nog meer zou behagen’.
20‘toon mij uw werkelijke gezindheid, stel het niet uit’.
22hald, ‘genegen’.
24mijn tzwifel wein, ‘mijn twijfelend verdriet, het leed van mijn onzekerheid’.
26prouven, ‘ervaren’.
prepostterug  begin  verder