+Tweede nieuwjaarslied voor Mergriete, geschreven in de tijd van verwijdering na de dood van Egidius.
1‘mijn engel, lichter dan alle zonlicht’; verg. claerre dan der zonnen scijn in lied 98.
3blijft, l. blijf; in een heilwens ligt de conjunctief voor de hand en verg. bovendien r. 17, 31, 45; de betekenis van r. 2-3 is: ‘in dit (nieuwe) jaar moge, met veel heil en zegen, al wat ik aan geest en gemoed bezit uw blijvend deel zijn’.
4-6‘mij is (weliswaar) dit nieuwe jaar ten deel gevallen, maar ik ben bang dat het mij (in plaats van geluk) enkel maar vermeerdering van verdriet zal brengen’.
7-9‘veel meer dan ik het ooit gewaar ben geworden; het valt mij al te zwaar, als mijn trouwe liefde onbeloond blijft’.
10door de kopiist overgeslagen; N. Geerts heeft voorgesteld: ‘Ten leift ghestader man neghein’, wat mij in elk geval wat het derde woord betreft niet juist lijkt (eerder up erden of iets dergelijks dan een adjectief, omdat r. 11 ook al een bijv. bijzin is).
13-14‘als trouwe genegenheid ooit enige beloning heeft ontvangen, dan is er voor mij ook nog hoop om vreugde te verkrijgen’.
18-21moeilijk te interpreteren en waarschijnlijk niet geheel juist overgeleverd; Verdam heeft in r. 19 can in plaats van ein willen lezen; wil men echter ein honoreren - een verschrijving van can tot ein ligt niet zo heel erg voor de hand - dan zou men ook dan kunnen emenderen tot can; in r. 21 zal wes beild wel object moeten zijn van mach bevaen, maar dan ontbreekt daarin het subject (ich?) of moet men ghein hertz uit de vorige regel als zodanig beschouwen; in het laatste geval zou de vertaling van r. 18-21 - die ik graag voor beter geef - worden: ‘waarom twijfel mij zozeer bevangt, kan één begrijpen, wier beeld op aarde door geen hart dan het mijne omvat kan worden’; is deze vertaling juist, dan zou de dichter in feite r. 21 vóór r. 20 ‘gedacht’ hebben, maar terwille van de poëtische vormgeving erna geschreven; lied 141 behoort tot de meest gekunstelde van het liedboek.
22-23‘hadde ik het (nl. het beild) in mijn hart ontvangen, dan zou ik het niet genoeg kunnen prijzen’.
24huer scoont vruecht meer, ‘haat schoonheid geeft meer blijdschap’; het is niet duidelijk of vruecht een vorm van het ww. vruechden is - dat in deze bet. verder niet voorkomt - dan wel van het veel gewonere ww. verhueghen.
25‘haar deugd leert mij op de rechte wijze te lijden (d.w.z. mijn hoofse minnedienst te verrichten)’.
27aenghezicht: verg. de aant. bij lied 135, r. 48.
32-38‘God, die het beeld, dat alle onreine gedachten uit mij wegneemt, zo schoon hebt gemaakt, heeft u mijn trouwe liefdedienst te kort gedaan (letterlijk: verkeerd beloond)? dan is mijn ziel, mijn leven zonder hoop op dat ene woord waar ik al zo lang op wacht, zonder liefdesbescherming’; de dichter is er dus niet zeker van of zijn minnedienst wel in overeenstemming met Gods wil is; zijn voorgevoel heeft hem niet bedrogen, want hij heeft, zoals wij weten, voor het jaar ten einde was zijn geliefde inderdaad moeten afstaan aan de goddelijke Minnaar.
39‘ik verlang, boven alle (persoonlijk) voordeel, dat zij zal doen wat haar eer haar gebiedt’; verg. 13de gedicht, r. 430-432.
40‘in een afzien van alle hoop, al blijft er dan voor mijzelf niets meer te hopen’; verg. Tweede Rose, fragment Bl 1, r. 71-72: ‘Mine droeue herte die so ontsiet / Dat mire hope een blijf sal wesen’.