Ballade. De melodie heeft een onduidelijke sleutelvoortekening. Hiervoor dient de altsleutel gekozen te worden; de melodie staat dan in F-dur. (De ligging is ietwat hoog; transpositie naar C-dur of D-dur kan raadzaam zijn.) In het couplet blijkt de 3de regel gelijk aan de 1ste te zijn en de 4de ten dele aan de 2de. Hier is een voorbeeld, hoe de stollenherhaling door de Gruuthuser dichter-zanger opgevat werd (verg. facs. en de uitgewerkte melodie). Dit drinklied kan gedeeltelijk in ternair ritme gezongen worden.
1-5de derde regel vormt met de eerste één zin en de tweede staat daar als een losse uitroep, reagerend op de eerste regel, tussenin; dit kan ons doen vermoeden dat het refrein in beurtzang gezongen is: een solist zong dan de regels 1 en 3, het koor de regels 2, 4 en 5.
16‘wat zouden wij daar anders op antwoorden, hoe zouden wij hem anders bescheid doen dan met deze toost’; deze betekenis van besceiden komt niet bij Verdam voor, maar volgt m.i. uit de context; de intrans. bet. ‘scheiden, vertrekken’, die Verdam wil aannemen, wordt door niets gesteund, het ww. wordt steeds transitief gebruikt.
17‘God geve hem geluk die geluk voor ons verwierf’; ik vat dit op als een nieuwjaarswens voor de waard.
21doelt de dichter hier op het klinken met de roemers of op de prestaties van de zangers en muzikanten, die beter werden door een goede dronk?
25in Jerico: de dichter denkt waarschijnlijk aan het verhaal van de inneming van Jericho uit Jozua 6; toen de priesters op de horens bliezen en het volk juichte, stortte de muur van de stad in; zo wensen de muzikanten hun ‘niders’ toe, dat dezen bedolven mogen worden onder het puin van een muur die als gevolg van het musiceren instort!