terug  begin  verderprepost
[p. 554]
[p. 555]
 
Ic danc u jonstelijc, vrauw Ghenuecht,1
 
Met herten ende met zinne,
 
Dat ghij mi liet in jongher jeucht
 
Ghebruken uwer minne.
5
Ende................
 
Das.................
 
Ic moets hu minlijc spreken danc
 
Mijn leven lanc.
 
Alles truerens voort verdrach!9
10
Tscilt wel jonnen ende beniden.10
 
Vrauw Ghenuecht doet mi verbliden,
 
Ich wensch haer eewelijc goeden dach!
 
 
 
Melancolye hadde mi ontwuecht,13
 
Des cam mi trueren inne.
15
Ic hebbe mijn hertze also ghevuecht,15
 
Mijn trueren makic dinne.
 
Danc, vrauw Ghenuecht, mijn coninghinne,
 
Mijn keyserrinne,
 
Mijn hoochste vruecht zonder verghanc!
20
In u bedwanc20
 
Blivic met al des ic vermach.
 
Tscilt wel jonnen etc.
 
 
 
Up, jong ende hald, met rechter vruecht!23
 
Ghenuecht leicht nu ten tinne!24
[p. 556]
25
Maect Twifele mat zo waer ghij muecht25
 
Met rocken ende met vinne!
 
Hets al ghestof van coppeghespinne27
 
In vruechden zwinne.28
 
Laet ons voort vroylijc maken zanc
30
Aen allen wanc!30
 
Tscilt mi niet zo vele alst plach.31
 
Tscilt wel jonnen ende beniden etc.
Ballade. In de notatie de beginwoorden van de versregels. Hieruit blijkt stollenherhaling met ouvert-clos verhouding. Niet alle beginwoorden corresponderen met de woordtekst. Zo blijkt het, dat regel 5 en 6 in couplet 1 uitgevallen zijn (in plaats daarvan de regels 5 en 6 uit couplet 2 genomen). Van het R. wijken regel 2 en 3 af. Voor 2 staat aangegeven ‘ghe’. Voor 3 staat aangegeven ‘God’. De veronderstelling ligt voor de hand, dat hier de notator voor de geest heeft gestaan: ‘God gheve’, enz. De slotnoot zou als conjectuur c″ kunnen zijn, die dan samensmelt met de laatste genoteerde noot.
+146 is evenals het volgende door Jan Moritoen zelf gekopieerd (zo hij al niet deze beide, door het scriptorium verwaarloosde, liederen zo maar uit zijn geheugen heeft opgeschreven). De dichter heeft r. 5-6 overgeslagen, maar het eerste woord van beide is te vinden onder de notenbalk die boven het lied staat. Daar vindt men ook de rebus (op te lossen als Tscilt) met het zorgvuldig getekende monogram van de letters I, A, N, M. In de tekst komt deze rebus nog viermaal voor, maar veel vluchtiger neergekrabbeld, aan het begin van de regels 10, 22, 31 en 32. Verg. lied 2. Hoe snel de dichter het lied moet hebben opgeschreven, blijkt uit de verschillen tussen de woorden (of woordgedeelten) onder de notenbalk en de overeenkomstige woorden in de tekst. Onder de notenbalk lezen we ich, met, dat, ghe, ende, das, ich, mijn, des truerens, (rebus), ghe, god. Verg. blz. 32-36.
1vrauw Ghenuecht: verg. voor deze personificatie (en die van Melancolye in r. 13 en Twifel in r. 25) de liederen 139 en 140.
9‘voortaan weg met alle getreur’.
10‘het maakt een groot verschil of men elkaar genegen is of elkaar benijdt’; van een substantivisch gebruikt weljonnen geeft Verdam geen voorbeeld, wel, s.v. onnen, van wale onnen; verg. ook weljonste.
13ontwuecht, ‘van de (rechte) weg gebracht’.
15verg. lied 20, r. 1-2.
20bedwanc, ‘heerschappij’.
23hald, ‘oud’.
24Ghenuecht kijkt als de hoge vrouwe, de ‘koningin’, van de torentrans toe, hoe haar vazallen de strijd aanbinden met haar vijand Twifel.
25de strijd wordt hier getekend als een schaakspel; rocken zijn ‘torens’ en vinnen ‘pionnen’; r. 26 betekent dus: ‘met alle middelen’.
27ghestof van coppeghespinne, ‘vuil van spinrag’.
28‘in de (heldere) bron van de vreugde’.
30‘zonder enige weifeling’.
31‘het maakt voor mij niet zo'n groot verschil, ik ben er nu niet zo ver van af als vroeger (toen de twijfel mij verdrietig maakte)’.
prepostterug  begin  verder