Ballade. In de notatie de beginwoorden van de versregels. Hieruit blijkt stollenherhaling met ouvert-clos verhouding. Niet alle beginwoorden corresponderen met de woordtekst. Zo blijkt het, dat regel 5 en 6 in couplet 1 uitgevallen zijn (in plaats daarvan de regels 5 en 6 uit couplet 2 genomen). Van het R. wijken regel 2 en 3 af. Voor 2 staat aangegeven ‘ghe’. Voor 3 staat aangegeven ‘God’. De veronderstelling ligt voor de hand, dat hier de notator voor de geest heeft gestaan: ‘God gheve’, enz. De slotnoot zou als conjectuur c″ kunnen zijn, die dan samensmelt met de laatste genoteerde noot.
+146 is evenals het volgende door Jan Moritoen zelf gekopieerd (zo hij al niet deze beide, door het scriptorium verwaarloosde, liederen zo maar uit zijn geheugen heeft opgeschreven). De dichter heeft r. 5-6 overgeslagen, maar het eerste woord van beide is te vinden onder de notenbalk die boven het lied staat. Daar vindt men ook de rebus (op te lossen als Tscilt) met het zorgvuldig getekende monogram van de letters I, A, N, M. In de tekst komt deze rebus nog viermaal voor, maar veel vluchtiger neergekrabbeld, aan het begin van de regels 10, 22, 31 en 32. Verg. lied 2. Hoe snel de dichter het lied moet hebben opgeschreven, blijkt uit de verschillen tussen de woorden (of woordgedeelten) onder de notenbalk en de overeenkomstige woorden in de tekst. Onder de notenbalk lezen we ich, met, dat, ghe, ende, das, ich, mijn, des truerens, (rebus), ghe, god. Verg. blz. 32-36.
1vrauw Ghenuecht: verg. voor deze personificatie (en die van Melancolye in r. 13 en Twifel in r. 25) de liederen 139 en 140.
10‘het maakt een groot verschil of men elkaar genegen is of elkaar benijdt’; van een substantivisch gebruikt weljonnen geeft Verdam geen voorbeeld, wel, s.v. onnen, van wale onnen; verg. ook weljonste.