‘Metamorfoze’, nadat eerst de onbevredigdheid van Hugo Aylva over de woord kunst van zijn eerste verzen is beschreven:
‘En waarom ging zijn natuur, zijn beminnelijke, gewone menschelijkheid zoo schuil onder al zijn goudsmeewerk van taal?’
Stel u nu voor dat Couperus, zich op dat oogenblik zoo bewust zijnde hoe weinig zijn fleurig versgeschrijf met zijn eigen echte menschen-innerlijk te maken heeft, en in grooten, ongerusten twijfel aan het waarde hebbende van deze kunstsoort zijn dagen doorbrengt, die twee prachtige menschelijke werken van Tolstoï ‘Anna Karénine’ en ‘La Guerre et la Paix’ te lezen krijgt, welker stijl ondanks zijn eenvoud toch zoo'n groote bekoring blijft uitoefenen, daar hij uit het diepst en beminnelijkst gevoel van menschenliefde is voortgekomen. Dan zijn die twee romans voor zijn wachtend talent, plotseling een openbaring. Hij voelt dat ook in hem iets van die beminnelijke menschelijkheid naar uiting streeft en hij zet zich overtuigd aan het schrijven van een roman van het gewone menschelijke leven, waarvan hij ondanks zijn eigen denkbeelden, gevoelens en stemmingen toch een deel blijft uitmaken. Scherp psychologisch opmerker als hij door een daartoe bijzonder ontwikkelde begaafdheid altijd is geweest, voelt hij zichzelf terug in zijn juist door het noodlot van haar karakter zoo bekoorlijke Eline Vere figuur, die hij geheel met zijn innerlijk doorleeft en over wier droevig lot hij steeds met stille liefde blijft namijmeren. En al voortschrijvend groeit steeds duidelijker in hem het besef dat hij Eline Vere om haar karakter naar den ondergang moet brengen.
En zacht blijft de weemoed in hem om haar lijden en einde, omdat hij zich bewust is, zooveel van zichzelf in haar karakter te hebben neergelegd. Nadat hij dit boek voltooid heeft en door dit fatalisme is opgewekt tot wijsgeerige bespiegelingen over het menschenlot, schrijft hij de novelle ‘Noodlot’, welke geheel vervuld is van die somber dreigende, onontkoombare fatalisme-sfeer, die ons roert en toch onbevredigd laat. Dit boek werd noodzakelijk iets anders dan de eerste roman. Eline Vere had nog geheel de frischheid van het beginnen; in ‘Noodlot’ was zijn lust tot poseeren weer opgekomen, hoewel nog teruggedrongen door zijn wensch naar uitbeelding van zuivere menschelijkheid.
Daarna volgt het laatste zuivere, tenminste psychologisch zuivere boek: ‘Extaze’. Doch hier is reeds het kenterend getij duidelijk merkbaar. De stijl verliest aan het slot bijna volkomen zijn levende kracht, het eerste zwakke moment van Couperus als zuiver voeler.
Met ‘Extaze’ zit men eigenlijk een beetje, als het tot een oordeel er over moet komen. Ik voor mij vind een zekere evenwichtloosheid in dit werk, welke hier en daar nog gered wordt door goede psychische karakterontleding. Toch is naar mijn meening hierin reeds op te merken dat Couperus iets anders wil, wat hij nog niet positief kan uitspreken, dat hem echter reeds onder het voortwerken aan ‘Extaze’ bezighoudt. Dat als gevolg van deze onbevredigdheid de koningsromans en de symbolische werkjes ‘Fidessa’ en ‘Psyche’ verschenen, laat ik hier buiten bespreking, daar ik mij voorgenomen had mij op het oogenblik tot het roman-oeuvre van zijn eerste periode te bepalen.
Er zijn critici, die beweren dat Couperus nà zijn Eline Vere niets goeds meer heeft geschreven. Dit is te kras gezegd; trouwens de krachten, die Eline Vere hebben voortgebracht zijn gebleven, het hapert dus in de conceptie, wanneer hij een later boek niet meer tot een dergelijke volmaaktheid heeft opgevoerd. In zijn latere werken zijn brokken proza te vinden van even groote werking als de hevigste tafereelen uit zijn eerste boek, doch het gebrek aan hechtheid, aan goede conceptie, is de oorzaak dat desondanks het geheel ons onbevredigd doet blijven. Later hoop ik nog in een uitgebreider bespreking op Eline Vere als roman terug te komen.
CONSTANT VAN WESSEM.