Menschheitsdämmerung1)
HET werk: een schreeuw, geboren uit veel bloed en tranen; vorm: ontbreekt; bij gevolg: geen kunst. Hierdoor is dit boek voor mij volkomen bepaald; daar men er mogelijk meer van wil weten, zal ik - mijns ondanks min of meer: waartoe die omhaal? - even doorborduren.
Duitschland heeft vier jaar gevochten: dat wijzigde bij een groote groep ten deele de mentaliteit; zij werd die - zooals hare dragers gaarne en smakeloos prediken - van de ‘gelouterde Menschelijkheid’. Daar is onloochenbaar iets - vrij veel - van aan. Het is begrijpelijk: honger, ziekte, luizenplaag, shrapnells doen twijfelen aan een en ander; en - naar verluidt: uit den volmaakten chaos, hel-en-hemel van al 's levens waarden, stond de Mensch op, naakt. In wezen accepteer ik dit; vele verschijnselen staven het, zoo de boeken van Toller, Kaiser, Rubiner, Von Unruh, Frank - maar hun mentaliteit ligt me niet: ze is zwaar, huilerig, vermoeiend-‘hartelijk’, ‘menschelijk’ alweer, ik stem het toe, ‘al-te-menschelijk’ zelfs, echter: zoo ze in-staat waren hun psyche - van welke makelij die dan ook is, mits lévend - in hun werk te ver-beelden, vòrm te geven, dan hadt ge dat als kunst te aanvaarden. Zij falen echter: al deze menschen - met uitzondering van Heynicke, Trakl, Stramm - missen: creatief en expressief vermogen, zij vertolken hun mentaliteit gebrekkig, luk-raak, zoo-ongeveer (‘er war ein Dichter und hasste das Ungefähre, Rilke in ‘Brigge’) - slaan er een slag naar, vrijwel steeds mis. Daarom en daarom alleen: geen kunst. Want leven is er achter: ‘fel, opstandig, pathetisch’.
Daarom: laat mij Jean Paul lezen, wat ge maar wilt van hem: een kosmischen kwinkslag, of een novelle van Cervantes: geciseleerd en àf, zòo-en-niet-anders, of ... Ik wil er met nadruk op blijven wijzen - tegen alle catechismussen der idee- en Mensch-expressionisten in - dat er zonder nauwkeurig vormbesef en ten-einde-toe-doorwrochte expressie nooit-ofte-nimmer kunst kan zijn; ik kies voorbeelden (‘verdammt, soll ich euch denn alles vorpfeifen?’ Jean Paul!) zelfs, uit de grootsten, uit-den-treure verheerlijkt: Whitman, Van Gogh, Mevr. Roland Holst. Kosmisch-in-aanleg, ongetwijfeld, maar teveel van hun pogingen tot verwerkelijking stranden op een gemis aan kùnnen. ‘Kunst mag zijn, al wat ge wilt, maar het kunstwerk komt uit de werkplaats’ (Wichman