Den Gulden Winckel. Jaargang 23


auteur: [tijdschrift] Gulden Winckel, Den


bron: Den Gulden Winckel. Jaargang 23. Hollandia-Drukkerij, Baarn 1924  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

Nieuwe lyriek

I

Kwattrijnen van Willem de Mérode. (Uitgeversmaatschappij ‘De Gulden Ster’, Amsterdam) (zonder jaartal).

HELAAS, er is in dit bundeltje niets verheugends noch belangwekkends: mat en eentonig werd reeds deze stem, schoonklinkend bijwijlen, doch zonder diepte. Hier en daar treft een regel, een vers; voor het overige toont ook nu De Mérode - moge het een zeer afschrikkend exempel zijn! - hoe men snel en grondig een fraai talent verschrijven kan. Stellig: men vermoedt achter het onzeker gebaar van een zoo ganschelijk bedorven, zoo ganschelijk uit het spoor geraakt dichterschap het hulpelooze, het deerniswekkende, maar men moet hard zijn en afwijzen...

II

Chrysantheem, door Henrik Scholte. (Uitgave J. Clausen, Amsterdam 1923).

Van de jongsten is Henrik Scholte ongetwijfeld één der belovenden, d.w.z. hij heeft de kans zich te ontwikkelen tot een talent van respectabele potentie. In techniek en plastisch vermogen overtreft hij Johan Theunisz, doch ook in - onverdragelijker - allure; in sentiment is hij zijn

[p. 40]

mindere. En hier schuilt voor Scholte een niet te onderschatten gevaar: voorloopig hanteert hem meer de bravour (ook de bravour van het sentiment!) dan de inspraak der Muze.

Voluit goed van dit vijf-en-twintig-tal verzen blijkt het voorgedicht ‘Chrysantheem’ en dat, geschreven ter nagedachtenis van Louis Couperus: ‘Guinevere’.

III

Stille geluiden, door Biem Visser. (Uitgave Feikema, Zandvoort 1923).
Verzen, door Frits Schijf. (Uitgegeven voor rekening van den schrijver door A.W. Sijthoff's Uitgeversmaatsch. Leiden).
Strijd en Overwinning, door J. de Leeuw. (Uitgave P. van Ketel, Den Haag).

Tot de omvangrijke, met den dag aanwassende, menigte der dichterlijken ten slotte behooren de auteurs der drie bovenvermelde bundeltjes; hoe jeugdiger de poëet, hoe geruster men bij hun min of meer halsbrekende buitelingen kan toezien. Doch, waarom zouden ook zìj niet de kans hebben eens het zweefrek te vatten en zich òp te zwaaien? Biem Visser dunkt mij van het drietal de zuiverste (Rijp, Avondgang), Frits Schijf de jongste.

Een andere kwestie is: wat beoogen de heeren toch met al deze ontijdige publicaties in boekvorm; waarom wenden zij zich niet eerst tot de diverse tijdschrift-redacties; of zijn zij allen ‘afgewezenen’? En dan nog: weet geen hunner de autoriteit der ervaring te schatten boven eigen kortzichtige roem; wortelt de anarchie onzer letteren reeds zóo diep? Of: gaat het leven zoo weergaloos snel dat het werk nà een jaar of wat is verwelkt?

R.H.