gedragen. Bijster goed werd het niet ontvangen; zijn vriend Merck zei o.a. dat Goethe zulke capriolen maar niet meer moest uithalen, daar anderen zulke dingen evengoed aankonden. Het was wel een tegenvaller voor Goethe: het was het eerste werk dat met den naam van den auteur in het licht verscheen, doch het trof ook slecht dat het bijna tegelijkertijd met den weder anoniem verschenen Werther-roman1) uitkwam, die insloeg en waarmee Goethe zijn naam vestigde.
Toch zit het vrij korte stuk - het is in proza, dus bij regels is het niet te tellen, doch in royalen druk beslaat het een vijftigtal bladzijden slechts, terwijl de ook niet lange, geen Faust- of Don Carlos-lange Egmont, die ook in proza is, in denzelfden druk een honderd bladzijden inneemt - toch zit het stuk stevig in elkaar - men noteert invloed van Lessing's Emilia Galotti - en de zwakke, weifelende hoofdpersoon, naar het goede overhellend onder drang van den in het stuk zeer edelen Beaumarchais, naar het minder goede onder suggestie van zijn vriend Carlos (een Mephisto-in-het-klein) is tot een aannemelijk figuur gemaakt, sympathiek ondanks zijn gebreken.
Toch, al is het steeds op het Duitsche repertoire gebleven (de vorige maand is het nog weer te München opgevoerd), onverdeelden bijval is het nooit te beurt gevallen.
Aardig laat Heinrich Laube in Die Karlschüler2) (een tooneelstuk, dat Schiller's Sturm-und-Drang-periode onder Hertog Karel van Wurtemberg tot onderwerp heeft en waarin Schiller over het schrijven van zijn Räuber ter dege door den bulderbast van een hertog onderhouden wordt), aardig laat Laube den Hertog tegen Schiller over het stuk uitvaren: ‘Schweig Er still, bis ich Ihn frage. Deutsches Theater! Den Voltaire habt Ihr neben Euch gehabt und lernt doch nichts! Der junge Goethe, von welchem der von Weimar solch Aufhebens macht, hat mir bei seiner Durchreise hier gesagt, er hätte in Straszburg die Franzosen studirt, und was bringt er zu Stande? Ist's nicht ein klägliches Ding mit diesem Clavigo? Ein Frauenzimmer stirbt fünf Akte lang an der Schwindsucht (= tering)! Auf so einen geschmacklosen Einfall geräth man nur bei uns! Und das spricht von deutschem Theater!’ (4. Akt; 5. Scene).
En hiermede zal wel ongeveer de opinie van het groote publiek over het treurspel zijn weergegeven.
Ofschoon het drama onder de burgerlijke tragedie's gerangschikt wordt, behandelt het toch een historisch, werkelijk gebeurd feit, en de personen zijn bijna alle historisch. Goethe heeft zelfs de werkelijke namen behouden. Clavigo heette José Clavijo y Fajardo, was schrijver, redacteur van ‘El Pensador’ en archivaris der Koninklijke archieven te Madrid; en de Beaumarchais is de bekende historische en letterkundige Pierre Augustin Caron de Beaumarchais, de Beaumarchais van Le Barbier de Séville en van Le Mariage de Figaro.
C.F. van Duyl, in een bespreking van Beaumarchais, eine Biographie von Anton Bettelheim (Frankfurt a.M. 1886), in De Gids van Juli 1887, vertelt het volgende over de geschiedenis van Clavigo in deze zaak:
‘In Madrid woonden twee zusters van Beaumarchais; de eene, Marie Josèphe (de Sophie van Goethe's Clavigo) was getrouwd met Guilbert. De andere, Maria Louise (in de wandeling Lisette genaamd, de Marie van Goethe's treurspel) was met haar zuster en den man van deze naar Madrid meegegaan. De jongste, Lisette, maakte er kennis met Joseph Clavijo y Fajardo, een bekend schrijver en publicist, die haar eene trouwbelofte deed en haar daarna (de geboden waren reeds afgekondigd) in den steek liet. In deze omstandigheden kwam Beaumarchais te Madrid en trad er op als de wrekende gerechtigheid. Clavijo werd gedwongen tot eene verklaring, weinig eervol voor hem, maar die Lisette in hare eer en haren goeden naam herstelde, trachtte daarop eene verzoening met zijn bruid te bewerken, waartoe Beaumarchais zich leende, maar toonde vervolgens opnieuw, hoe weinig oprecht zijne bedoelingen waren. Beaumarchais wist nu hemel en aarde te bewegen en aan het hof gedaan te krijgen, dat Clavijo uit zijn betrekking als archivaris ontzet werd’.
Goethe heeft er te veel gevallen met doodelijken afloop van gemaakt. Al heeft Clavigo misschien een duel met de Beaumarchais gehad, wat nog niet zeker is - de derde druk bijv. van Winkler Prins (1907) laat hem wel, het derde deel van Oosthoek's Encyclopaedie van 1918 laat hem niet een duel met de Beaumarchais hebben1) -, al heeft hij of de Beaumarchais misschien een bloedend prikje, een schampschot bekomen, zoodat aan de eer voldaan was, gedood in 1764, in het duel, zooals Goethe het voorstelt, is Clavigo niet. Hij stierf eerst in 1806, werd redacteur van ‘Mercurio historico y politico’, en gaf van 1791 tot 1802 in zestien deelen een Spaansche vertaling van Buffon in het licht, wat hem de betrekking van onder-directeur aan het Kabinet van Natuurlijke Historie te Madrid bezorgde. Dikwijls moet hij ermee gespot hebben, dat hij tijdens zijn leven op het Duitsche tooneel verscheiden keeren gestorven was.
Men mag Goethe wegens het behouden van de ware namen der hoofdpersonen niet van indiscretie beschuldigen, daar Goethe zijn stuk bewerkt heeft naar de mémoires van Beaumarchais zelf. In diens Quatrième Mémoire, uitgekomen in 1774, wordt de zaak-Clavigo, die in 1764 voorviel, uitvoerig door Beaumarchais beschreven, en in hetzelfde jaar 1774 reeds verscheen hiervan onder den titel Die wahre Geschichte des Clavigo; aus dem Französischen der Memoiren des Herrn von Beaumarchais übersetzt, in Hamburg eene Duitsche vertaling. ‘De episode’, schrijft Van Duyl-Bettelheim, ‘is door Beaumarchais met zooveel dramatische kracht behandeld, dat Goethe in zijn Clavigo het tooneel tusschen den trouweloozen minnaar en den verontwaardigden broeder woordelijk overnam’.
Dit is het tweede bedrijf van Goethe's drama geworden.
In het laatste, vijfde, bedrijf is Goethe zijn eigen weg gegaan; zijn eigen weg in zooverre hij daar afwijkt van de werkelijkheid inzake de zaak-Clavigo, maar toch aan een leiband loopt, in zooverre het duel tusschen Clavigo en de Beaumarchais bij de lijkbaar van diens zuster, sterk herinnert, zoowel aan het duel tusschen Hamlet en Laërtes bij Ophelia's graf, als aan het duel tusschen Romeo en Paris in den grafkelder, waarin de schijndoode Julia is bijgezet.
Clavigo bij de lijkbaar van zijn vroegere bruid, Marie de Beaumarchais, is een geliefd gegeven geweest voor de Goethe-illustrators.
Is het schrijven van den Werther voor Goethe een soort zelfbevrijding geweest, het schrijven van Clavigo was, volgens veler oordeel, voor den jongen, vijf-en-twintigjarigen, Goethe een soort geestelijke zelfkastijding, daar ook hij reeds onder het zwakke geslacht slachtoffers gemaakt had.
Na in éen van de samenkomsten, zooals Goethe in 1774 met vrienden en vriendinnen had, schertsenderwijs tot het dramatisch bewerken van de Beaumarchais' mémoire aangezet te zijn, heeft hij overigens het op-het-papier-zetten van zijn drama spelenderwijs gedaan. Enkele schrijvers