|
|
|
| | | |
Toon: Si tanto gratiosa.
LOf, lof zy dees Godinne,
Die daaglijx 't een geslacht aan 't ander strengelt,
En niet door geile minne,
Als Venus dee, het bloet der wulpschen mengelt,
Maar redelijk en zedelijk
Kan door haar kracht bewegen,
| | | |
Die min verachten, en wettlijk betrachten
O voestervrouw der vromen,
Door u is 't dat den oudren wordt gegeven
In 't darde lit hun blijschap te beleven:
Dat uit hun' struik verrijst het puik
Der rankken, elk om 't brave,
Die noch op heden verwekken d' overleden
Wat waar 't, rampzalig mensche,
Indienge most uw lieve weerga derven?
Al hadge 's harten wensche,
In eenzaamheyt gy quijnend heen soud sterven:
| | | |
De goude torts des daags zou korts
Zo helder lichten, noch menschen aangezichten
Of zome in 's Huwlijx stede
Voor Venus smookte alleen met wierook vieren,
Waar haast gelijk den aart der wilde dieren,
En elk zou boos en Wetteloos
Nu vrank en veilig betreden, van die heilig
Lof, lof zy dees Godinne,
Die in haar' stoel zoo heerlijk zit bepeerelt,
| | | |
Den Scepter draagt van reedlijkst' deel der Weerelt.
Lang duure uw Rijk, vrouw Huwelijk,
Groot werde uw heerschappye:
Eer lange doetze ontzien ons Tegenvoetze,
I.v.Vondelen.
|
|
|