Colloquium Neerlandicum 1 (1961)


auteur: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum


bron: Verslag van het eerste colloquium van hoogleraren en lectoren in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten. Werkcommissie van hoogleraren en lectoren in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten, z.p. [Den Haag] z.j. [1962]


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 31]

Referaten

Middelnederduits-Nederlands als specifieke Hamburger combinatie
door Dr. Annemarie Hübner.

Het zo gestelde thema vereist een zekere wijziging of beter verruiming, aangezien de combinatie Middelnederduits-Nederlands zeer zeker niet als specifiek ‘Hamburgs’ moet worden beschouwd. Een dergelijke mogelijkheid doet zich in principe aan elke Noordduitse universiteit voor en wel in verband met het vak ‘Nederduitse Filologie’, in samenwerking met een lectoraat Nederlands. Dit is weliswaar niet de enige weg, waarlangs een student in de germanistiek (in de Duitse zin) op de betekenis van het Nederlands wordt gewezen, maar wel, wat de stof betreft, een zeer belangrijk aanknopingspunt.

 

Als Middelnederduits wordt hier de taal van een vrij ruim gebied aangeduid, dat als kern het noorden van Duitsland omvat en waarvan de Nederduits-Hoogduitse scheidslijn in het zuiden eertijds heel wat zuidelijker verliep dan nu; ten minste tijdens de bloeitijd van dit tijdperk, de veertiende tot de zestiende eeuw, moesten plaatsen als b.v. Dortmund, Maagdenburg, Halle en Berlijn nog als Nederduitse steden worden beschouwd.

 

Tot de opbouw van dit ruime en rijk gevarieerde Middelnederduitse taallandschap heeft het Nederlands van het begin af aan, d.w.z. van af de twaalfde eeuw, op zo belangrijke wijze bijgedragen, dat elke student, die zich met dit hoofdstuk uit de geschiedenis van zijn taal bezig houdt, voortdurend geconfronteerd wordt met problemen, die hem tot een nauwkeurige bestudering van de Middelnederlandse taaltoestanden noodzaken.

 

Iets soortgelijks valt te constateren voor de Middelnederduitse letterkunde. De Nederduitse middeleeuwen zijn ten opzichte van de specifiek middeleeuwse genres, epiek en lyriek, betrekkelijk onproduktief. We hebben hier veelal te maken met werken, die min of meer rechtstreeks vertaald zijn, gedeeltelijk uit het Hoogduits, doch overwegend uit het Middelnederlands. De student, die tot een juiste beoordeling van de letterkundige prestaties uit het Nederduitse verleden wil komen, moet dus in staat zijn om zijn tekst aan het voorbeeld te kunnen toetsen. Hij moet zich bovendien een algemeen overzicht over de literaire stromingen op Middelnederlands gebied kunnen verschaffen.

 

In Hamburg wordt de Middelnederlandse cursus, die elk semester geregeld wordt gegeven, dus op deze speciale situatie afgestemd, d.w.z. dat in de eerste plaats, en tevens als uitgangspunt tot een voortgezette bestudering

[p. 32]

van de Middelnederlandse literatuur, teksten worden gekozen, die in verband staan met overeenkomstige Middelnederduitse versies of verschijnselen (b.v. Van den Vos Reinaerde, Floris en de Blancefloer, van Sinte Brandane, Middelnederlandse vertalingen van de Imitatio, geestelijk proza der Devotio enz.); al worden daarnaast natuurlijk ook b.v. Maerlant, Beatrijs, Hadewijch en Ruusbroec bestudeerd. Aangezien een aparte leerstoel aan een van de Noord- of Noordwestduitse universiteiten nog altijd ontbreekt, zal dit wel ongeveer neerkomen op de overal nagestreefde methode om de Neerlandistiek in zekere mate in de wetenschappelijke opleiding van de student in de ‘Germaanse filologie’ in te schakelen, of ten minste de een of ander op een verdere studie in Nederland zelf voor te bereiden.

 

Er moet echter in dit verband dan toch nog op iets specifiek ‘Hamburgs’ worden gewezen. Sedert de stichting van de universiteit, vlak na de eerste wereldoorlog, heeft het zwaartepunt van de ‘Duitse Filologie’ hier op het wetenschappelijk onderzoek der Middelnederduitse taal- en letterkunde gelegen, waarvan namen als die van wijlen C. Brochling en wijlen A. Lasch mogen getuigen. Uit die tijd dateert dan ook de instelling van het ‘Mittelniederdeutsches Wörterbuch Archiv’, dat zich de uitgave van een modern ‘Mittelniederdeutsches Handwörterbuch’ ten doel heeft gesteld, waarvan sedert 1928 een tiental afleveringen zijn verschenen. Het is een groots opgezet werk, dat na de tweede wereldoorlog naast Hamburg een tweede ‘Heimat’ in Kiel (Prof.Dr. G. Cordes) heeft gevonden. Het ‘Wörterbuch’ - en dit lijkt mij in verband met de werkzaamheden voor de verspreiding van het Nederlands wel van belang - stelt dus elk jaar, op grond van een zeker ter beschikking gesteld bedrag, een groepje studenten in de gelegenheid door het excerperen van bronnen, aan een wetenschappelijk werk deel te nemen, dat hun haast met elk woord een indrukwekkende les in middeleeuwse dialektologie kan geven en dat hun voortdurend, vooral waar het de bronnen betreft, die uit het Middelnederduitse westen, of misschien zelfs uit het Middelnederlandse oosten afkomstig zijn, de noodzakelijkheid van een nauwe wetenschappelijke samenwerking tussen Duitsland en Nederland voor ogen stelt. Dat hun blik zich hiermee buiten het zuiver filologische verruimt, dat ze begrip krijgen voor vragen van meer algemeen culturele aard en ten slotte een levendige belangstelling voor het land zelf opvatten en persoonlijk contakt gaan zoeken, is een verschijnsel, dat hierbij vaak genoeg waargenomen kan worden.