terug  begin  verderprepost
[p. 50]

Het Nederlandse lectoraat te Napels
door Drs. J.H. Meter

Temidden van de vele Nederlandse lectoraten in den vreemde is dat te Napels waarschijnlijk wel één der jongste. Het bestaat immers pas twee jaar en kan dus niet bogen op een lange traditie, op overgeleverde ervaringen, noch op in het oog vallende resultaten. Gezien de situatie, waarin het universitaire onderwijs in Zuid-Italië zich bevindt, waarop ik hier uiteraard niet verder kan ingaan, draagt het lectoraat een enigszins experimenteel karakter.

 

Napels kent twee staatsinstellingen voor hoger onderwijs: de eeuwenoude, door keizer Frederik II van Hohenstaufen gestichte Universiteit en het betrekkelijk jonge Instituut voor Oosterse Studiën, hierna steeds aan te duiden als Istituto Universitario Orientale. Het Lectoraat voor Nederlands werd in 1959 bij het laatstgenoemde instituut ingesteld. Enige verduidelijking moge de tegenstrijdige indruk, gewekt door de oprichting van een Nederlands lectoraat aan een instituut voor Oosterse studiën, terstond opheffen.

Het Istituto Orientale heeft een merkwaardige geschiedenis: het werd in de achttiende eeuw opgericht als kerkelijk opleidingscentrum voor missionarissen, bestemd voor de missie in het Verre Oosten. Tot 1860, het jaar waarin het Koninkrijk der beide Siciliën met de rest van Italië werd verenigd, heeft het dit kerkelijk karakter gedragen. De op de Italiaanse eenwording volgende secularisatie van kerkelijke goederen en de opheffing van een aantal kerkelijke instellingen had voor het Instituut tot gevolg, dat het in een staatsinstelling voor de vorming van consulaire ambtenaren, later in het koloniale tijdvak ook bestuursambtenaren, voor Afrika en Azië, werd omgezet.

 

Het verlies van de Italiaanse koloniën na de tweede wereldoorlog noodzaakte het Instituut een andere koers in te slaan. Naast de afdeling voor Oosterse talen, die ook nu nog haar wetenschappelijke functie heeft behouden, werd een afdeling voor de studie van de Westeuropese talen opgericht, die zich in de naoorlogse jaren voorspoedig heeft ontwikkeld, zowel wat het aantal studenten als wat het aantal nieuw opgerichte lectoraten betreft. De oprichting van een lectoraat voor Nederlands lag dus geheel in de lijn der ontwikkeling van dit taleninstituut in een tijdperk, waarin Italië meer

[p. 51]

dan ooit de banden met West-Europa versterkt. Het merendeel van de ong. 3000 ingeschreven studenten studeert dan ook Engels, Frans of Duits als hoofdvak. In de germanistische afdeling dient naar voorschrift van het Academisch Statuut naast de als hoofdvak gekozen taal, t.w. Duits of Engels, een andere Germaanse taal als bijvak gekozen te worden. Als zodanig komen in aanmerking naast het Nederlands het Zweeds, Deens of Noors. De hoofdvakstudie duurt theoretisch vier jaar, die voor het bijvak drie jaar. De overgang van het ene jaar naar het andere hangt af van de uitslag der aan het einde van elk studiejaar plaatsvindende schriftelijke en mondelinge examens.

 

Voor de schriftelijke examens wordt geëist een met de jaren toenemende vaardigheid in het vertalen uit het Nederlands in het Italiaans en uit het Italiaans in het Nederlands. Gedurende de eerste twee jaar is het gebruik van een woordenboek bij de examens toegestaan, bij het examen van het derde jaar is dat niet meer het geval. Op de mondelinge examens wordt de kennis van de literatuurgeschiedenis en van enkele speciale, op de colleges behandelde onderwerpen getest.

 

In het eerste studiejaar wordt op de colleges hoofdzakelijk een uiteenzetting van de grammatica van het Nederlands gegevens, alsmede een inleiding tot de studie van de Nederlandse literatuur.

 

In het tweede jaar wordt een Nederlandse roman gelezen en gecommentarieerd en aandacht besteed aan idiomatische bijzonderheden.

 

Voor het derde is een behandeling van de taalgeschiedenis en behandeling van een literaire tekst uit een oudere taalperiode voorzien.

 

Aangezien een in het Italiaans gestelde grammatica van het Nederlands voor universitair gebruik in Italië niet bestaat, gebruiken de studenten de door mijn Romeinse collega, mej.drs. van Woudenberg, samengestelde gestencilde grammatica, welke door haar welwillend ter vermenigvuldiging is afgestaan. Verder zijn we zo gelukkig een behoorlijk Nederlands-Italiaans woordenboek te bezitten, dat van Beniamino Dentici, waarvan het Italiaans-Nederlandse deel echter in herdruk, maar nog niet verschenen is en waarvan het gemis zeer wordt gevoeld.

 

Slechter is het gesteld met de hulpmiddelen voor de studie van de geschiedenis der letterkunde: een afzonderlijk uitgegeven, in het Italiaans geschreven overzicht bestaat nog niet. De enige bruikbare handleiding in het Italiaans, die overigens zeer bruikbaar is, is die van Giacomo Prampolini en vormt een onderdeel van diens Storia Universale della Letteratura.

[p. 52]

De administratieve status van het lectoraat is zeker niet ongunstigs: het heeft een vast omschreven functie in de afdeling voor Germaanse talen, terwijl de mogelijkheid bestaat, dat de studie van het Nederlands tot hoofdvak verheven en de cursus van een driejarige in een vierjarige omgezet wordt.

 

Ook de belangstelling van de zijde van de studenten is niet onbevredigend. Het aantal ingeschrevenen, dat op het ogenblik een en twintig bedraagt, zal in de komende jaren zeker nog iets oplopen, indien de vooruitzichten niet bedriegen.

 

Het belangrijkste is echter, dat vooral in de diepte gewerkt wordt en de studenten zoveel belangstelling voor de gekozen taal opvatten, dat ze tot lezen komen en zich niet beperken tot de minimum-eisen van de examenprogramma's. Gelukkig is het, ook dank zij de medewerking van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, mogelijk gebleken een begin te maken met de vorming van een bibliotheek, waarin de voornaamste teksten en handboeken aanwezig zijn.

 

Het ligt in de bedoeling in de toekomst Nederlandse taal- en letterkundigen voor lezingen uit te nodigen. In november 1960 werd de medewerking verkregen van Albert Vogel jr., die voor het Instituut een inleiding gaf op de moderne poëzie en Nederlandse gedichten voordroeg, die uiteraard nog niet buiten een vertaling in het Italiaans konden.

 

Het is te hopen, dat als vrucht van deze activiteiten in dit deel van Italië zich een gefundeerde kennis van Nederlands gaat vormen onder degenen die geroepen zijn later het middelbaar onderwijs te dienen en zich aldus het besef van de samenhang van Europa, ook voor wat Nederland en België betreft, gaat verdiepen.

prepostterug  begin  verder