De universiteit te Saarbrücken is in 1948 gesticht; ze is ondergebracht in kazernes van de ‘Wehrmacht’. Intussen zijn er veel nieuwe gebouwen bijgekomen.
Aan de universiteit is verbonden een ‘Dolmetscherinstitut’ (= D.I.), zoals in Heidelberg en Mainz.
‘Lehrbeauftragter’ voor Nederlands is Dr. P.W. Tax, hierbij gesteund door zijn vrouw Drs. M. Tax-Geraedts.
Sinds januari 1958 is de heer Tax als assistent aan het ‘Germanistische Institut’ van de universiteit werkzaam. Op verzoek van de heer Dr. Weis, directeur van het D.I., geeft de heer Tax vanaf het zomersemester van 1958 Nederlands aan dit D.I.; er is geen andere Nederlander onder de docenten van de universiteit en het D.I.
Het begon met 2 lessen voor beginnelingen (grammatica en lectuur); in het wintersemester van 1958/59 kwam er een cursus voor gevorderden bij (grammatica II en lectuur II); in het zomersemester van 1960 kwamen er nog 2 uren bij: een uur vertalen D.-N., een uur vertalen N.-D. In totaal dus 6 uur, waarbij de directeur van het D.I. zelf nog een cursus ‘Landeskunde der Benelux-Staaten’ geeft.
Het karakter van het D.I. brengt mee, dat het hoofdaccent op politiek, handel, economie, industrie en techniek valt; de letterkundige zijde van het Nederlands komt nauwelijks ter sprake, de filologische aspecten nog minder. Maar in de lectuurlessen worden in een vlot tempo (semi-) literaire werken doorgenomen om de cursisten tot zelflezen te brengen (pockets van Bomans, Aaf jes, moderne Nederlandse en/of Vlaamse verhalen, enz.); ook algemeen interessante artikelen uit Elseviers Weekblad over Nederland worden, voor zover de tijd het toelaat, doorgewerkt. Het spreekt vanzelf, dat bij iedere gelegenheid waar het te pas komt, tóch (het bloed kruipt, waar het niet gaan kan!) over Nederland ook in zijn geestelijk, cultureel en maatschappelijk leven gesproken wordt. Dit hangt natuurlijk ook af van de belangstellingssferen der cursisten (zijn ze ruim en open of willen ze alleen vlug examen doen? waren ze al kortere of langere tijd in België en/of Nederland? enz.). In de vertaaluren wordt (zo mogelijk schriftelijk)
alleen technisch vertaald: politieke, economische of juridische teksten.
Het aantal neemt steeds toe; zo bedroeg het aantal beginnelingen in het zomersemester van 1961: 15. In de loop van het semester loopt dat dan helaas nogal terug, soms tot ⅓ van het beginaantal. Dit hangt met het feit samen, dat Nederlands aan het D.I. (nog) geen hoofdvak is. In de cursussen voor gevorderden ligt het aantal deelnemers tussen 5 en 10. De cursisten zijn meestal leerlingen van het D.I. of van het ‘Europäische Forschungsinstitut’, dat ook aan de universiteit verbonden is. Af en toe nemen ook germanisten, anglisisten en juristen aan de cursussen deel. Het motief is in ongeveer 50% van de gevallen echte bestudering van het Nederlands met het oog op het diploma tolk-vertaler (Nederlands als tweede of derde taal), in de overige belangstelling voor Nederland en het Nederlands (als liefhebberij of hobby).
Het ligt in de bedoeling, dat het Nederlands in het D.I. zo spoedig mogelijk tot hoofdvak verheven wordt. Dit is vooral een financiële kwestie. Als het zover komt, zullen er 2 ‘vollamtliche’ lectoren bij (moeten) komen. Dan zal ook de bibliotheek stevig aangevuld moeten worden. Tot nu toe bevat ze slechts een paar woordenboeken; aan kranten en tijdschriften is er alleen ‘Elseviers Weekblad’, hoewel het een en ander onderweg is (o.a. ‘Dietse Warande en Belfort’).
In de toekomst zal er ook aan het ‘Germanistische Institut’ een afdeling voor Nederlandse filologie worden verbonden. Met de bescheiden opbouw van een Nederlandse bibliotheek is men vanaf 1958 bezig. Op het ogenblik bevat ze een 15-tal woordenboeken en filologische werken en een 25-tal Middelnederlandse tekstuitgaven. Ook Friese filologie wordt langzamerhand aangeschaft.