
ontvangst tijdens de colloquiumdagen op het brussels stadhuis.

Bestuurstafel tijdens de slotzitting, van links naar
rechts: prof. dr. k. heeroma, prof. dr. p. brachin, mr. h.j. schölvinck, prof. dr. w. thys, dr. m. grijpdonck, dr. j.m. jalink, drs. f.p. thomassen.
Ongeveer halfweg tussen de trappen van de oude Sint-Michielskerk vanwaar Ruusbroec in het hart van Brussel kon kijken, en het straatje in de schaduw van het Brusselse Stadhuis waar Multatuli zijn Max Havelaar schreef, staat het Belgische Congresgebouw. Daar kwamen in september 1964 de hoogleraren en lectoren bij elkaar die tot taak hebben de taal en de literatuur van de Nederlanden te onderwijzen aan buitenlandse universiteiten. Beter dan het illustere nabuurschap van deze beide prominenten in het beeld van de Nederlandse literatuur, Ruusbroec, het zuiden, Multatuli, het noorden, maar evengoed Ruusbroec, het noorden, Multatuli, het zuiden, kan geen ander voorbeeld de sfeer weergeven waarin deze bijeenkomst zich heeft voltrokken: de energieke wil van de aanwezige neerlandisten uit Vlaanderen, Nederland en het buitenland om samen de getuigenissen uit het rijk gemeenschappelijk patrimonium van Noord en Zuid naar buiten uit te dragen en het besef dat de aanwezigheid van onze taal en cultuur in het buitenland noodzakelijk is om de toekomst van onze gemeenschap te vrijwaren.
Immers, in een zich steeds meer internationaliserende wereld heeft het Nederlands, ook alleen al om zich te kunnen handhaven, behoefte aan zoveel mogelijk contacten buiten het eigen taalgebied. Deze kunnen echter niet met succes worden gelegd vanuit het binnenland alleen. Hier vervullen de hoogleraren en lectoren in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten dan ook een onvervangbare rol. Het ‘alumnos docere et libros scribere’ is ook op hen van toepassing, krijgt bij hen zelfs een heel bijzondere betekenis. Zij zorgen er om te beginnen voor dat er in het land waar zij Nederlands onderwijzen, elk jaar een soms meer, soms minder bescheiden aantal jonge neerlandisten wordt afgeleverd die op hun beurt in een of ander verband in de verspreiding van onze taal en cultuur worden ingeschakeld als docenten, als vertalers of tolken, in regeringsdienst of bij het wetenschappelijk onderzoek. Verder kunnen
zij door hun eigen publikaties in de taal van het land waar zij onderwijzen, voortdurend de aandacht vestigen op de plaats van het Nederlands en de Nederlandse beschaving in de wereld, zij kunnen door allerlei relaties in en buiten hun universiteit, in een belangrijke mate ‘goodwill’ voor onze Lage Landen aankweken. Het spreekt evenwel vanzelf dat zij deze rol van ‘culturele vertegenwoordigers’ van onze landen slechts met vrucht kunnen vervullen als de omstandigheden en de arbeidsvoorwaarden voor hen zo gunstig mogelijk worden gemaakt. De band met het moederland - wat ook de nationaliteit weze van elk van deze docenten - moet reëel en stevig zijn. Er moet in het moederland een apparaat zijn dat in hun behoeften voorziet. Zij moeten tevens aan hun universiteit op een zodanige wijze kunnen werken dat hun onderwijs vruchten afwerpt, m.a.w. het moet worden ingeschakeld in het grotere geheel van de Germaanse-talenstudie en als een onderdeel daarvan worden erkend. Al deze voorwaarden kan een in een nabij of ver buitenland aangestelde, geïsoleerd werkende docent niet altijd voor zichzelf scheppen.
Dit zijn enkele van de overwegingen die ons er vier jaar geleden toe brachten de buitenlandse neerlandisten voor overleg bij elkaar te roepen. Zo ontstond het Eerste Colloquium van Hoogleraren en Lectoren in de Neerlandistiek aan buitenlandse Universiteiten dat op 4 en 5 september 1961 in Het Oude Hof in Den Haag werd gehouden in samenwerking met de Stichting voor Internationale Samenwerking der Nederlandse Universiteiten en Hogescholen en waaraan zeventien neerlandisten uit zes landen deelnamen. Thans is ook het Tweede Colloquium, met achtenveertig buitenlandse deelnemers die drieënveertig universiteiten in zestien landen vertegenwoordigden, alweer geschiedenis. Heeft het aan de verwachtingen beantwoord? Is de positie van het Nederlands nu werkelijk sterker dan voorheen? Welke verwezenlijkingen of verbeteringen dringen zich op voor de nabije toekomst? Dit zijn enkele van de vragen die rijzen nu het rapport van dit Colloquium is gereedgekomen.
De verwachtingen waren ditmaal zo mogelijk nog hoger gespannen dan de eerste keer, in 1961. Nu nog meer dan toen was de hoop geconcentreerd op de resultaten van de ontmoeting als zodanig, de ontmoeting van de docenten met elkaar, met de leidende instanties van de beide regeringen, met de binnenlandse neerlandisten, met vertegenwoordigers van allerlei organen die de verspreiding van de Nederlandse cultuur in het buitenland behartigen, met letterkundigen, met pers en tijdschriften, met radio en televisie en niet minder met het land en het volk, vorige maal Nederland, ditmaal Vlaanderen. Wat dat betreft kunnen wij gerust zeggen dat de stoutste verwachtingen werden overtroffen. Er was een zodanig enthousiasme onder de deelnemers, er waren zoveel mogelijk-
heden voor allerlei contacten dat hieruit alleen al ongetwijfeld iets goeds zal voortkomen. De gelegenheid die deze achtenveertig docenten hadden om de belangrijkste aspecten van hun onderwijstaak tijdens de werkvergaderingen vrij met elkaar en met de vertegenwoordigers van de beide regeringen te bespreken, is van bijzonder groot belang gebleken voor de toekomst van het Nederlands in het buitenland.
Of de positie van het Nederlands nu al sterker is dan drie of vier jaar geleden? De taak die voor onze beide landen is weggelegd ter versteviging van de Nederlandse cultuur tegenover de buitenwereld is zo veelomvattend dat er, met het apparaat waarover wij thans beschikken, in zo korte tijd nauwelijks enige merkbare vooruitgang kan worden vastgesteld. Toch moet bijvoorbeeld worden aangestipt dat de royale regeringssteun die dit Colloquium mogelijk heeft gemaakt en de voorziening van Nederlandse bibliotheken in het buitenland door beide regeringen zowel als de versteviging van de administratieve status van de buitenlandse neerlandisten waaraan wordt gewerkt, ongetwijfeld de Nederlandse zaak op de duur ten goede zal komen. Het is evenwel zo dat de positie van het Nederlands slechts merkbaar zal kunnen worden versterkt als de leidende instanties van buitenlandse onderwijsministeries en universiteiten kunnen worden benaderd en overtuigd, uiteraard in een andere taal dan het Nederlands. Daarom behoort het thans tot de dringendste taken van hen die deze Colloquia hebben georganiseerd, een aantal publikaties voor te bereiden in vier tot vijf vreemde talen ten einde daarmee de voornaamste academische centra in het buitenland te bereiken. Het spreekt vanzelf dat deze publikaties zullen uitgaan van de gedachte der eenheid van het Nederlandse taal- en cultuurgebied. Dit zal een van de belangrijkste middelen zijn om het aantal buitenlandse leerstoelen en lectoraten in de neerlandistiek te verhogen. Elke buitenlandse universiteit die een centrum heeft voor de studie van de Duitse en Engelse taal- en letterkunde, zal het zich als haar plicht dienen aan te rekenen ook aandacht te besteden aan het Nederlands, de belangrijkste Germaanse taal na het Engels en het Duits. Als wij de gelegenheid en de middelen krijgen om ons gedurende enige tijd hierop te concentreren, dan kan de situatie van het Nederlands in het buitenland er over een vijfentwintigtal jaren geheel anders uitzien.
Bij gelegenheid van de publikatie van dit Colloquiumverslag past, uit naam van de Werkcommissie en van de tientallen collega's die met ons in Brussel waren vergaderd, een woord van dank dat in de eerste plaats uitgaat naar Hunne Excellenties Mr. R.A. van Elslande, Minister van Cultuur, Adjunct voor Nationale Opvoeding, en Mr. Th.H. Bot, Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Beiden hebben, door toe te staan dit Colloquium te plaatsen onder de auspiciën van de Gemengde
Technische Commissie ter uitvoering van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag, de bijeenkomst mogelijk gemaakt op de schaal waarop zij heeft plaatsgehad. Onze dank gaat tevens naar hun vertegenwoordigers, medewerkers en ambtenaren die het Colloquium met hun aanwezigheid hebben vereerd. Niet minder erkentelijk zijn wij voor de blijken van belangstelling die wij van Buitenlandse Zaken mochten ontvangen. Z. Exc. Minister Prof. Mr. H. Fayat, Adjunct voor Buitenlandse Zaken, heeft bij de plechtige opening van het Colloquium door zijn aanwezigheid en de woorden die hij heeft gesproken, voor ons de groeiende belangstelling vertolkt die in het binnenland voor ons werk bestaat. Deze belangstelling bleek verder uit het feit dat een aantal ambassaderaden en culturele attachés van België en Nederland in Bonn, Londen en Parijs onze besprekingen hebben bijgewoond. Ook dit verdient dankbaar te worden genoteerd. Wat ons eveneens zeer verheugde was de aanwezigheid en actieve medewerking van een groot aantal binnenlandse professoren in de neerlandistiek. Ten slotte wordt hier oprecht dank gezegd aan allen die op enigerlei wijze tot het welslagen van het Tweede Colloquium hebben bijgedragen, aan onze naaste medewerkers in de Werkcommissie, in het bijzonder aan Dr. J.M. Jalink, secretaris, en aan de adjunct-directeur van de Nuffic, Drs. F.P. Thomassen en aan de staf van deze Stichting, en in de laatste maar niet de minste plaats opnieuw aan de Gemengde Technische Commissie die voor de uitgave van dit verslag zorg heeft willen dragen.
Het onderhavige verslag wordt hiermee uit naam van de Werkcommissie en de buitenlandse docenten in de neerlandistiek ter bestudering voorgelegd aan alle personen en instanties die belangstellen in de verspreiding van onze taal en cultuur in het buitenland. Mogen zij er de lessen uithalen die het bevat en er de vlam in vinden waarmee wij een ieder wensen bezield te weten die begaan is met het lot van onze taalgemeenschap in de wereld van morgen.
Antwerpen, 25 mei 1965