Excellentie, Dames en Heren, zeer geachte toehoorders,
Als men thans de op blz. 28-30 van het verslag vermelde resoluties van het eerste, het Haagse, colloquium naleest en met schrik ontwaart hoeveel van de toenmalige desiderata nog onuitgevoerd gebleven zijn, dan zou het kunnen lijken, alsof de Werkcommissie en met name haar secretaris, van het hem drie jaar geleden toegezegde otium cum dignitate vooral op het eerste deel dezer aanduiding de nadruk gelegd had. Toch bedriegt ook hier zozeer de schijn, dat ik niet weet, of ik deze taak, hoe interessant en mij sindsdien lief geworden zij ook zijn moge, toentertijd op mij zou hebben durven nemen, indien ik vermoed had, hoe omvattend en veeleisend zij in werkelijkheid zou blijken te zijn. Wel moet ik er direct te onzer verontschuldiging aan toevoegen, dat verschillende andere projecten, die drie jaar geleden in de Nederlandse hofstad niet ter sprake gekomen zijn, door onze Commissie wèl ter hand zijn genomen; waarin U, al naar gelang van Uw slechte of goede luim, een bewijs van onze eigenwijsheid of van ons aanpassingsvermogen en zelfstandigheid van oordeel gelieve te zien.
Hoewel het onmogelijk is in de mij toegemeten tijd een enigszins volledig beeld van de werkzaamheden van het secretariaat gedurende de afgelopen drie jaren te geven, wil ik toch trachten U hiervan enkele indrukken mee te delen, waarbij de ijverige lezers van Neerlandica extra Muros mij mogen vergeven, indien zij hier en daar onvermijdelijkerwijs enkele hun niet onbekende klanken mochten opvangen.
De eerste taak der Werkcommissie dan gold het afbakenen van het terrein van werkzaamheid d.w.z. het opmaken van een zo volledig mogelijke lijst der betreffende docenten, die een 140 in aantal, over de hele wereldbol verspreid bleken werkzaam te zijn. Dit fixeringsprodukt van uiteraard vlottend materiaal is intussen steeds verbeterd, aangevuld, bijgeschaafd en bijgevijld, zodat wij U heden lijst nummer 6 kunnen aanbieden, die naar wij hopen, thans zo volledige en nauwkeurige namen en
adressen bevat, dat, ook regerings- en particuliere instanties, die vaak kostbare werken aan onze docenten doen toekomen, zich op onze gegevens kunnen verlaten. De volgende opgave betrof de samenstelling van een uitvoerig Verslag van het eerste colloquium (122 blz.). Het was o.a. als ‘visitekaartje’, d.w.z. als eerste contactmiddel bedoeld, zowel met de vele instanties, instellingen en personen, wie het Nederlands onderwijs in den vreemde ter harte gaat, als met de ‘eigen’ docenten, die natuurlijk lang niet allen het Haags colloquium hadden kunnen bijwonen.
Daar ons evenwel van vele onzer docenten slechts naam en adres bekend waren, werd met het colloquiumverslag omstreeks Pasen 1962 een Vragenlijst meegezonden, die ons de voor onze activiteiten zo hoog nodige verdere gegevens zou moeten verschaffen. Vele docenten hebben aan ons verzoek ons deze lijsten spoedig ingevuld terug te zenden onmiddellijk voldaan, doch helaas moet ik hier uit naam van onze commissie op anderen wat brommen. Ondanks een met regelmatige tussenpozen verzonden 5-tal aanmaningen, zijn er nog steeds een vrij groot aantal collega's, die hun ereplicht in deze nog niet hebben vervuld. Wij verzoeken hen te willen bedenken, dat ons ‘Dagelijks Bestuur’ eigenlijk slechts uit 3 personen bestaat, die dit omvattende werk t.d. in hun vrije tijd moeten doen en dat, hoewel wij de krachtige en onschatbare steun in de rug van de Nuffic-directie en haar apparaat genieten, dit langdurige wachten op antwoord ons toch moeilijk valt en dat het ons werk onnodig verzwaart. Ik hoop evenwel te mogen aannemen, dat ook hier geldt, dat ‘die Anwesenden ausgenommen sind’.
Om het opgenomen contact met docenten, autoriteiten en instanties levendig te houden is de Werkcommissie in april 1963 begonnen een halfjaarlijks contact- en inlichtingenblad Neerlandica extra Muros uit te geven, dat naar ons uit verschillende reacties is gebleken, spoedig een zekere populariteit verwierf en in een lang gevoelde behoefte bleek te voorzien. Toch was het een dier bovenvermelde uitingen van - al naar men het neemt - eigengereidheid of creatief denken der Werkcommissie. Want in de Haagse resoluties is van een verbindingsorgaan als dit nooit sprake geweest. Doch hiermee ben ik op de loop der gebeurtenissen vooruitgelopen...
Een tweede exempel van bovengenoemde ambivalente hoedanigheden van onze commissie was de oprichting van onze Centrale Verzameling van publikaties op het gebied der neerlandistiek van buitenlandse neerlandisten. Deze collectie, die U straks bij de opening van de tentoonstelling ‘Neerlandica extra Muros’ kunt gaan bekijken, ontving al dadelijk krachtdadige steun van belangrijke auteurs onder ons als Prof. em. Dr. A.J. Barnouw van de Columbia University, New York, Prof. Dr. Sumi-
taka Asakura te Tokio, de cultuurhistoricus Prof. Dr. D. Bax van de Universiteit van Kaapstad, ons commissielid Prof. Dr. P. Brachin te Parijs, Prof. H.J.J.M. van der Merwe van de Universiteit van Zuid-Afrika te Pretoria, Prof. Dr. P. Geyl, eertijds docent te Londen, en vele anderen. Hoewel zij nog zeer voor uitbreiding vatbaar is, is deze verzameling toch bezig tot een unieke collectie uit te groeien. Wij doen hierbij nogmaals een beroep op hen, die dit nog verzuimden, ons een exemplaar van hun publikaties te doen toekomen.
De bedoeling is er bij voorkomende gevallen aan onze docenten uit uit te lenen.
Op meer gebaande, dat wil hier zeggen: door de Haagse resoluties voorgeschreven, wegen begaf de Werkcommissie zich met de volgende vier projecten:
a) de uitgave van een Liber Memorialis betreffende het Nederlands onderwijs aan buitenlandse universiteiten. Hiertoe nodigden wij op 18-7-1962 een 20-tal docenten uit een bijdrage te leveren over het universitair onderwijs in de neerlandistiek van ‘hun’ land, terwijl aan enige andere werd verzocht een biografie van enkele buitenlandse coryfeeën op ons vakgebied als de Professoren Joh. Franck, Barnouw, Lodewijckx e.a. te leveren. Van deze laatsten zullen ook portretten worden opgenomen. Wij hadden gehoopt deze aardige uitgave voor het tweede colloquium op tafel te hebben liggen. Drukte op haar evenwel het nummer van de betreffende resolutie: 13? In ieder geval is het niet zonder veel moeite gelukt het manuscript ervan thans gereed te krijgen, zodat de uitgave dus wel spoedig zal kunnen volgen, vooropgesteld dat wij er de noodzakelijke financiële steun voor ontvangen.
b) Een project, dat, zij het met enig kunst- en vliegwerk (vliegwerk vooral van onze waarde voorzitter in de laatste weken), zoals U eveneens straks zult kunnen zien, althans een begin van verwezenlijking heeft gevonden, is de z.g. Reizende Tentoonstelling. Hier gaat onze dank behalve naar de autoriteiten en de Nuffic, die er de middelen voor verschaften, vooral uit naar Drs. G. Borgers, conservator van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage en zijn staf, die zich er veel moeite voor getroostten. Het pakket dat thans gereed is, is het eerste van een reeks van zes pakketten, die fotografieën in groot en kleiner formaat van Nederlandse en Vlaamse letterkundigen, van handschriften, eerste uitgaven enz. zullen bevatten, die te zamen een overzicht van de cultuurgeschiedenis van het Nederlands taalgebied zullen geven. De bedoeling is aan dit eerste zestal later een aantal pakketten van meer gespecialiseerde inhoud toe te voegen. Al naar het in zijn onderwijs past, zal dus in de nabije toekomst een buitenlandse docent
een der voorhanden pakketten in bruikleen kunnen bestellen en er, desgewenst aangevuld met boeken en leermateriaal uit zijn eigen instituutsbibliotheek, een tentoonstelling uit opbouwen, die zijn studenten de behandelde leerstof ook visueel toegankelijk zal maken.
c) Een voor het secretariaat bewerkelijke onderneming vormden de ingevolge resolutie 9 te zamen met het Algemeen Nederlands Verbond en de Kultuurraad voor Vlaanderen bij de ‘Kultusminister’ van Nordrhein-Westfalen en Niedersachsen ingediende rekesten betreffende de wenselijkheid van de invoering van facultatief Nederlands onderwijs aan de lagere en middelbare scholen, gymnasia en kweekscholen in het aan Nederland en België grenzende gebied van de Duitse Bondsrepubliek. Dit in verband met de spoedig te verwachten oprichting van volwaardige Nederlandse leerstoelen en instituten aan de universiteiten te Keulen, Munster en waarschijnlijk ook aan de binnenkort te stichten universiteit te Bochum. Deze zorgvuldig en volgens deskundigen goed gedocumenteerd opgestelde verzoekschriften werden door een twaalftal Nederlandse en Belgische culturele organisaties en door 16 hoogleraren in de neerlandistiek aan Belgische en Nederlandse universiteiten ondersteund. Afschriften ervan met de namen der adhaerenten werden aan een aantal desbetreffende autoriteiten, instellingen en personen toegezonden. De bedoeling die bij deze actie voorzat, was de in gelijke richting tenderende van de daarvoor aangewezen officiële instanties te ondersteunen. Dat deze dit ook zo hebben opgevat, blijkt uit de waarderende reacties die wij van verscheidene hunner mochten ontvangen.
d) Als laatste en grootste object, waaraan ons ‘Dagelijks Bestuur’ het laatste halve jaar zwaar getorst heeft - de eerste maanden, toen onze voorzitter onder het Vrijheidsbeeld der V.S. vertoefde, of met de Indianen van Bloomington om het kampvuur zat - vooral de vertegenwoordiger van Nuffic in onze commissie en ondergetekende; - de laatste maand, toen deze beiden door persoonlijke omstandigheden gedwongen werden in die kritieke periode vakantie te nemen en hem zodoende op snode wijze in de steek te laten - onze arme voorzitter; als laatste en grootste object dan noem ik de uitvoering van resolutie nr. 18: de voorbereiding van het tweede colloquium. Wij hebben ook aan dit veelomvattend werk onze beste krachten gegeven en hopen, dat het resultaat U in deze dagen niet zal teleurstellen.
Naast deze grotere projecten, die ik slechts kort kon aanduiden, zouden er nog talrijke kleinere handreikingen aan individuele docenten, bemiddelingspogingen bij officiële en officieuze instanties, bij fondsen, letterkundige genootschappen, redacties van tijdschriften, uitgevers en dgl. te noemen zijn. Het zou in dit kader te veel worden. In Neerlandica
extra Muros is op dit thema trouwens uitvoeriger ingegaan. Duidelijk zal het U zijn, dat al deze bemoeienissen een dagelijks terugkerende uitvoerige correspondentie meebrengen, die ik maar niet zal trachten in aantallen ingekomen en uitgegane brieven, aan porto's bestede bedragen enz. uit te drukken.
Ik wil hier echter nog eens opmerken, dat zonder de niet hoog genoeg te waarderen hulp van de Nuffic dit alles volkomen onmogelijk zou zijn geweest. En verder, dat de opgesomde werkzaamheden zeker niet uitsluitend door het secretariaat zijn verricht: integendeel, zij zijn het resultaat geweest van een voortdurend nauw overleg tussen de leden van het ‘Dagelijks Bestuur’; zij het ook dat ik hier vooral voor die activiteiten de aandacht gevraagd heb waarin het secretariaat a.h.w. de ‘uitvoerende macht’ is geweest. Gelukkig ontbreekt naast dit veelvuldig schriftelijk contact ook de persoonlijke ontmoeting niet. Als onze docenten Nederland of België bezoeken, vinden wij meestal gelegenheid tot een gemeenschappelijk gesprek op het Nuffic-kantoor of bij een van ons thuis. En vaak blijkt een samen genoten maaltijd de sfeer van het samenzijn te verhogen.
Op één punt evenwel wil ik aan het slot van dit verslag nog in het kort wijzen, n.l. op het m.i. niet te ontkennen feit dat, naar ik meen te mogen aannemen, niet in de laatste plaats door de pogingen van onze Commissie, het Nederlands universitair onderwijs buitengaats meer dan dit vroeger het geval was, de laatste tijd in het centrum van de belangstelling is komen te staan. Wat dit laatste betreft vestig ik de aandacht op de vele vaak belangrijke bijdragen over dit onderwerp in vaktijdschriften als Levende Talen, dat een aparte rubriek hiervoor opende, Leuvense Bijdragen en de De Nieuwe Taalgids, voorts in meer algemeen culturele bladen als Neerlandia, Ons Erfdeel, de N.R.C., De (Brusselse) Standaard, De Periscoop enz. Deze vergrote belangstelling bij verscheidene publiciteitsorganen zal, naar wij hopen, een bredere publieke belangstelling voor onze zaak in het leven roepen. En deze laatste zal zeker wederom onze regeringsinstanties niet onwelkom zijn, die door de brede opzet van dit colloquium, waartoe zij ons in staat gesteld hebben en waaraan zij zelf actief meegewerkt hebben, bewijzen, hoezeer de door ons voorgestane zaak ook hun daadwerkelijk ter harte gaat.