| Voorzitter: | Drs. J.Z. Uys, M.A. (voorh. Universiteit Natal) |
| Thema: | De status van de hoogleraar en de lector in de neerlandistiek aan een buitenlandse universiteit. Creatie van nieuwe leerstoelen en lectoraten. Relatie van de neerlandistiek in binnen- en buitenland |
| Voordrachten: | Mej. Drs. G. de Vries (Universiteit Kopenhagen): ‘Problemen van
een neerlandist bij de overgang van intra naar extra muros’ Dr. J. Smit (Universiteit Melbourne): ‘De betekenis van het vak Nederlands temidden van de andere universitaire talenvakken’ |
| Rapporteurs: | Drs. J. de Rooy (Universiteiten Uppsala en Stockholm) en Drs. A.J.M. van Seggelen (Universiteit Straatsburg) |
In het ons allen wel bekende rapport over het Nederlandse onderwijs in de Bondsrepubliek en West-Berlijn, maakt Dr. Jalink een opmerking over de eisen waaraan z.i. de ideale lector voor Nederlands behoort te voldoen. Hij zegt er o.m.: ‘... de lector moet een Nederlander of Vlaming zijn, die aan een Nederlandse of Belgische Universiteit liefst Nederlands als hoofdvak heeft gestudeerd’.
Op het eerste gezicht lijkt dit een uitspraak aan de waarheid waarvan niet getornd kan worden. Immers wie zou beter in staat zijn de taal- en letterkunde van een land te doceren dan juist een inboorling van dat betrokken land?
Aan wat ik zelf de afgelopen zeven jaar ondervonden heb en aan wat ik uit gesprekken met collega's in andere talen aan de Kopenhaagse universiteit heb menen te kunnen opmaken, ontleen ik nu het recht in de volgende minuten hier voor u wel wat aan die waarheid te gaan tornen.
Ik geloof namelijk dat de Nederlandse neerlandist in enkele opzichten achterstaat bij zijn collega-buitenlander.
Wanneer de Nederlandse neerlandist vlak na zijn doctoraal, of in het gunstigste geval na enige jaren onderwijservaring in Nederland, naar het buitenland trekt om daar zijn taal te gaan doceren, ziet hij zich plotseling voor de taak gesteld zijn methodiek geheel te wijzigen. Immers: vroeger was 't een kwestie van de eigen taal- en letterkunde onderwijzen aan sprekers, die Nederlands als moedertaal hebben; nu moet het Nederlands als vreemde taal bijgebracht worden aan leerlingen uit een ander taal- en cultuurgebied, dat misschien niet of nauwelijks verwant is aan het Nederlandse.
Dat eist natuurlijk een andere aanpak van zaken, een andere benadering van de eigen taal- en letterkunde. 't Zou me te ver voeren hier in alle details voor u te gaan vertellen, waar voor ons binnenlandse neerlandisten de moeilijkheden schuilen; velen onder u zullen ze uit eigen ervaring kennen, maar een paar opmerkingen wil ik toch maken.
Wanneer ik eerst even stilsta bij het taalkundig deel van het onderwijs, dan moet mij toch van het hart, dat ik 't in mijn eerste jaar ‘extra muros’ moeilijk vond het juiste systeem te vinden, waarbij ik op de meest effectieve wijze de Denen enige kennis van het Nederlands kon bijbrengen. Oude grammaticale methode, directe methode, audio-visuele hulpmiddelen; 't zijn allemaal begrippen, waarmee de moedertaal-specialist nauwelijks vertrouwd is. Zelf kwam ik, wat betreft mijn kennis van het vreemdetalenonderwijs, slecht beslagen op het gladde ijs en ik vrees dat 't de meesten van ons zo vergaan is. Aan een eerste oriëntatie in de literatuur over vreemdetalenonderwijs komt men meestal pas toe als de overgang van intra naar extra muros gemaakt is.
Laat ik niet zo pessimistisch zijn en er nu eens van uit gaan, dat een nieuw benoemde enthousiaste Nederlandse neerlandist wel reeds in het vaderland besloten heeft welke onderwijsmethode hij straks in het buitenland in praktijk gaat brengen. Maar of hij nu voorstander is van de directe methode of liever tot aan Kerstmis het bord volschrijft met grammatica en tot zolang geen twee samenhangende Nederlandse zinnen laat horen of lezen, 't zal hem in beide gevallen een vreemde gewaarwording zijn, keer op keer te moeten beseffen dat hij zijn moedertaal toch niet zo tot in alle finesses kent, als hij wel gedacht had. Ik moet U tenminste eerlijk bekennen dat ik, na enige jaren in Nederland getracht te hebben de schooljeugd te leren ontleden, opstellen en brieven te schrijven en, onaangename herinnering, teksten met eigen woorden weer te geven, keer op keer met de mond vol tanden stond en nog wel sta, wanneer de buitenlanders gaan vragen naar zaken, die we altijd als vanzelfsprekend hebben aanvaard en waarbij we nauwelijks hebben stilgestaan. Kon U, toen U het eerste jaar in het buitenland was, meteen antwoord geven op vragen als: Wat precies zijn de uitdrukkingsmogelijkheden van de vorm ‘zou’? En wanneer gebruik je precies het woordje ‘er’? En waarom wel een groot en een grote man, ook een grote vrouw, maar geen groot vrouw, maar wel weer een knap, een slecht spreekster? Ik wil graag bekennen dat ik 't niet kon.
Bij het doceren van de letterkunde ligt het probleem mijns inziens iets anders. Hier is het een zaak van afstand kunnen nemen en zo objectief mogelijk trachten te beoordelen wat van de eigen letterkunde geacht kan worden interessant te zijn voor de buitenlander. Natuurlijk kunnen we hierbij veel meer eigen voorkeur en smaak een rol laten spelen dan bij het taalkundeonderwijs. In de eerste plaats echter zullen we onze leerlingen een overzicht van en een inzicht in de Nederlandse literatuur moe-
ten geven. Daarbij kan het moeilijk zijn te beslissen wat nu werkelijk van belang is voor de buitenlandse student; wat is nu echt representatief voor onze letterkunde, welke schrijvers en welke werken zullen de buitenlander aanspreken? Op deze vragen een bevredigend antwoord geven is niet makkelijk. Als we aan de hier aanwezige collega's zouden vragen welke auteurs en welke titels de buitenlander perse niet onthouden mogen worden, dan geloof ik dat de antwoorden op die vraag zeer uiteen zouden lopen.
De buitenlandse docent van het Nederlands heeft, meen ik, in zeker opzicht veel voor op ons Nederlanders en Vlamingen. Hij staat op een misschien wel benijdenswaardige afstand van de Nederlandse letterkunde en kan daardoor misschien makkelijker dan wij beoordelen wat ‘typisch’ Nederlands is en wat van een zodanige kwaliteit is, dat het voor export naar het buitenland in aanmerking kan komen. Daar hij eens zelf het Nederlands als vreemde taal heeft moeten leren, weet de buitenlandse docent ook onmiddellijk waar voor zijn leerlingen de grootste moeilijkheden zullen liggen.
De overgang van intra naar extra muros vereist niet een geweldige aanloop en hoge sprong, maar het aanloopje en het sprongetje, die gemaakt moeten worden, zijn toch van dien aard, dat men lelijk kan struikelen. Kan de Nederlandse neerlandist iets doen om de kans op struikelen kleiner te maken? Ik geloof van wel. In de eerste plaats moet hij zich verdiepen in de problemen van het vreemdetalenonderwijs in het algemeen en van de didactiek van het Nederlands als vreemde taal in het bijzonder. En verder zal hij zich terdege op de hoogte moeten stellen van de taal en liefst ook van de letterkunde van het land waar hij naar toe gaat. Afgezien van het feit, dat ik 't een onbeleefdheid tegenover het ontvangende land vind, langer dan een jaar niet goed op de hoogte te zijn van 's lands taal, lijkt 't me onmogelijk de eigen taal goed te doceren, wanneer men de moedertaal van zijn leerlingen niet voldoende onder de knie heeft. Ook bij de literatuurlessen lijkt 't me nuttig dat de docent punten van verschil en overeenkomst met de vreemde literatuur kan aanwijzen.
In de afgelopen jaren heb ik enige buitenlandse collega's, die hun moeder taal in den vreemde doceerden, zien struikelen. Ik heb hier geen neerlandisten op het oog, dus niemand van de aanwezigen hoeft het zich aan te trekken. Stuk voor stuk waren het in hun vak zeer bekwame lieden, van wie men zich met verbazing afvroeg waarom 't niet beter ging. In bijna alle gevallen was de gehele of gedeeltelijke mislukking terug te voeren
tot het cardinale punt: gebrek aan kennis van of misschien wel aan belangstelling voor de taal en cultuur van het vreemde land.
Ik ben van mening dat, bij het uitsturen van neerlandisten naar het buitenland, er vaak niet genoeg belang aan gehecht wordt dat de betrokkene de taal van zijn nieuwe vaderland behoorlijk kent. Een Nederlander die de taal van zijn leerlingen niet kent, is van minder nut dan de buitenlander die het Nederlands goed beheerst.
't Is geenszins mijn bedoeling om hier propaganda te voeren voor het uitsluitend benoemen van buitenlandse neerlandisten. Integendeel. De opzet van mijn verhaaltje is: de buitenlanders onder U er nog eens op te wijzen dat hun kijk van buiten af op de neerlandistiek voor ons Nederlanders vaak leerzaam en verfrissend kan werken.
De situatie, waarbij een buitenlandse neerlandist naast een Nederlander of Vlaming aan dezelfde universiteit werkt, lijkt mij persoonlijk ideaal. De uitwisseling van gedachten en inzichten, die dan plaats vindt, kan slechts bijzonder vruchtbaar zijn voor de bevordering van de neerlandistiek in het buitenland.*