Bij de enkele schetsmatige beschouwingen die ik u wil aanbieden over mijn onderwerp, de betekenis van het Nederlands te midden van de andere universitaire talenvakken, baseer ik me uiteraard op ervaringen en overdenkingen gedurende zestien jaar werken voor het vak Nederlands aan de universiteit van Melbourne, en ik besef dat ze door dat speciale perspectief bepaald en gekleurd zijn, maar in beginsel bedoelen ze gericht te zijn op een zekere algemeen-geldigheid. Wat er onvolledig en onjuist aan is kan door u uit uw andere perspectief aangevuld en gecorrigeerd worden. Er zal voor hen die in een ander taalgebied werken in ieder geval een voortdurende transpositie nodig zijn, omdat in elk ander taalgebied de moedertaal van de studenten een andere is en de relaties met de buurvakken noodzakelijkerwijze anders liggen.
Ik ga uit van een toestand waarin aan het vak Nederlands in het universitaire geheel een plaats is toegekend, geheel gelijkwaardig aan die welke normaal ingenomen wordt door frequentere buurvakken als Frans, Duits, Russisch, Italiaans. ‘Gelijkwaardig’ betekent hier, dat het vak Nederlandse taal- en letterkunde op gelijke wijze als de grote talen kan dienen als hoofdvak of als min of meer ondergeschikt bijvak voor de verwerving van universitaire graden op de niveaus van candidaat, doctorandus en doctor.
Deze vooropstelling moet, dunkt me, uitdrukkelijk gemaakt worden voor een referaat als het mijne, omdat alleen bij deze toestand het vak Nederlandse Taal & Letterkunde zijn potenties kan ontplooien en met de andere vakken kan worden vergeleken. Waar het vak beperkt moet blijven tot onderwijs in de moderne taal met wat lectuur in literaire bloemlezingen, komt het niet tot zijn recht.
Ik stel me voor, de betekenis van het vak Nederlands op diverse niveaus te bespreken. Het is namelijk zo, dat niet allen met dezelfde waardenschaal werken, en dat verschillende aspecten door verschillende groepen
van de gemeenschap als de enige worden beschouwd. Naar mijn ervaring wordt de wetenschappelijke betekenis van het vak door collega's in engere zin, dat zijn universitaire docenten in het Frans, Duits, Engels, Italiaans, Russisch enzovoorts, nooit in twijfel getrokken. Zij mogen van de details beter of minder goed op de hoogte zijn, zij weten wat een taal- en letterkundige studierichting inhoudt en zijn bereid aan te nemen, dat een volledige studie, gebaseerd op het Nederlands, even volwassen en respectabel is als een die zich wijdt aan een groter taalgebied en een rijkere literatuur. Het zijn de buitenstaanders die neiging hebben wat sceptisch te staan tegenover de waarde van een Nederlands universitair department. Onder buitenstaanders versta ik, behalve het grote publiek van min of meer ontwikkelde leken, ook de vertegenwoordigers van exacte vakken, de groten in handel en industrie, de politici, de machthebbers, die de echte waarde van een taal- en letterkundige studie in geen enkele taal kennen en voor de geestelijke verrijking en verruiming door zo'n studie maar een vaag of geen begrip hebben. Het zijn in het algemeen diegenen die alles afmeten naar het praktische nut en dit praktische nut steeds als de doorslaggevende factor accepteren. Omdat deze groep zo machtig is, zal het nodig zijn in dit overzicht ook daaraan enige aandacht te schenken. Ik begin dan met het eenvoudigste, met wat ik de toeristische waarde van het Nederlands zou willen noemen. We zullen het erover eens zijn dat we die waarde niet hoog kunnen stellen. Bezoekers van de Lage Landen die de moeite hebben genomen wat Nederlands te leren, oogsten daar dikwijls niet veel voldoening van. In Nederland hebben ze gewoonlijk de ervaring dat de mensen waarmee ze te maken krijgen óók een vreemde taal hebben geleerd en zich de gelegenheid niet laten ontgaan om dit te doen blijken. Ze krijgen de kans niet om al modderende de taal wat beter te leren, niet alleen omdat de Nederlanders hun vreemde-talen-kennis willen toepassen, maar ook omdat Nederlanders zich niet kunnen voorstellen dat een buitenlander Nederlands wil spreken. Ze krijgen het gevoel dat dat te gek is en dat de wereld op zijn kop komt te staan. Er zit daar een heel diep vooroordeel dat pas geleidelijk kan verdwijnen. Ik veronderstel dat dit in België anders ligt, omdat er in België vele Franstaligen zijn die Nederlands later hebben geleerd. Op straat en in de tram in België worden Nederlandssprekende buitenlanders overigens weer ontmoedigd door het feit dat ze vaak in een dialect worden te woord gestaan dat ze niet vlug genoeg kunnen begrijpen. Ik stip dit alleen maar haastig aan.
Als punt 2 noem ik het belang van kennis van het Nederlands als hulpmiddel voor feitelijke informatie bij de studie. Ik meen dat ook hier de betekenis vrij beperkt blijft, al zijn er studiegebieden waar kennis van het Nederlands onmisbaar of hoogst gewenst is. Ik noem de studie van
Zuid-Oost Azië, speciaal Indonesië, die niet grondig bedreven kan worden als boeken, in het Nederlands geschreven, gesloten moeten blijven. Ook voor hoofdstukken uit de kunstgeschiedenis en de politieke geschiedenis geldt, dat wie de bronnen niet kan lezen, niet met volle autoriteit kan spreken. Voor het overige weet ik niet direct een gebied van wetenschap te noemen waar de Nederlandse productie zo dominant is, dat studie van de taal onvermijdelijk wordt. Er is een groeiende tendentie in de Nederlandse wetenschap om boeken die van internationaal belang zijn, te voorzien van een resumé in een zgn. grote taal of ze geheel vertaald uit te geven. Het zal duidelijk zijn dat ik voor dat streven maar een gedempt enthousiasme kan opbrengen. De bereidheid bij buitenlanders om Nederlands te leren lezen is meermalen groter dan men in Nederland verwacht en het lijkt me geen juiste politiek om door te grote dienstvaardigheid die bereidheid weg te vagen. Aan de andere kant is het een feit dat soms een Nederlands werk, dat over de hele wereld invloed had moeten hebben, die invloed niet kreeg doordat het in het Nederlands was geschreven. De zaak zal van geval tot geval bekeken moeten worden en een weloverdachte middelkoers is nodig. Het idee van een Nederlandse universiteit waarin het onderwijs in het Engels zou worden gegeven is in ieder geval een symptoom van een onduldbare zelfverloochening. Laten het onderwijs en de publicaties bij voorkeur zo goed en zakelijk zijn dat het buitenland gedwongen wordt de taal te leren. Er is meer te zeggen over het praktische nut van het vak Nederlands - men kan denken aan zielszorg en lager onderwijs in emigratielanden - maar dit alles neemt niet weg dat het Nederlands in dit opzicht ten achter staat bij talen als Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, en dat het meer in één klasse valt met talen als Hongaars, Pools, Zuidslavisch. Ook de Nederlandse letterkunde kan geen trekkracht van belang worden zolang vertalingen de naam ervan nog niet wijder bekend hebben gemaakt. Hier is het van groot belang dat vertalingen zoveel als doenlijk door de oorspronkelijke tekst vergezeld worden. Voor vertalingen van romans van literaire waarde zou ik de suggestie willen doen dat achterin het boek tenminste de eerste bladzijde en nog liever het eerste hoofdstuk van de oorspronkelijke tekst wordt afgedrukt.
Over de betekenis van het vak Nederlands op academisch niveau is zoveel te zeggen dat ik hier nog maar alleen vluchtig enkele punten kan aangeven. Voorop zij gesteld dat de wetenschappelijke studie van het Nederlands zichzelf verantwoordt en als ‘pure research’ geen nadere fundering in een of ander nut nodig heeft. De enige eis is dan: dat die wetenschappelijke studie goed is. De docenten moeten zelfstandige wetenschappelijke werkers zijn en hun studenten inderdaad kunnen leiden. Bij
de tegenwoordige ontwikkeling van het vak zal taakverdeling over meer docenten nodig zijn; de bibliotheek moet zo redelijk zijn voorzien, dat er alleen in speciale gevallen om luchtpostzendingen van microfilms moet worden gevraagd; de beste studenten moeten in de gelegenheid kunnen worden gesteld een jaar aan een Nederlandse of Belgische universiteit te werken in hun eigen speciale onderwerp enzovoorts enzovoorts, maar dit zijn eisen die niet typisch zijn voor het Nederlands alleen. In dit opzicht geldt voor alle talenvakken hetzelfde. Ik keer dus tot mijn onderwerp terug.
We zullen er in het algemeen rekening mee moeten houden dat het Nederlands als bijvak of op zijn best als tweede hoofdvak wordt beoefend. De student combineert dus het Nederlands met het Engels, Duits, Frans, Italiaans enz. Een dergelijke combinatie leidt uiteraard gemakkelijk tot zogenaamde vergelijkende studies, al is dit niet noodzakelijk, en er is alle reden om dit aan te moedigen. De buitenlandse student ziet de Nederlandse taal en de letterkunde gemakkelijker in internationaal perspectief dan de in Nederland getrainde neerlandicus, en daar kunnen we alleen mee winnen. U zult niet van me verwachten dat ik een overzicht ga geven van de mogelijkheden voor gecombineerde studie op taal- en letterkundig gebied. De mogelijkheden van een enkele combinatie zijn al zo velerlei dat elk het onderwerp van een afzonderlijk referaat zou kunnen zijn. De germanist is geneigd vooral te denken aan het nut van de historische studie van het Nederlands, de Nederlandse dialecten en het Fries in het raam van de germanistiek. Er zijn daar talrijke aanknopingspunten en er is nog veel werk te doen. Een romanist zal de studie van Noordfranse ‘calques linguistiques’ en fonetische verschijnselen graag aan de andere zijde van de taalgrens willen voortzetten. Een vergelijkende studie van de invloed van het Latijn op Duitse, Nederlandse en Engelse taal- en stijltradities biedt onvermoede perspectieven. Het onderzoek van persoonsnamen, plaats- en veldnamen moet steeds meer internationaal georiënteerd worden en het Nederlandse taalgebied is daarbij een mijn van informatie. De wording en bevestiging van het zogenaamde Algemeen Beschaafd als Nederlandse standaardtaal biedt vruchtbare mogelijkheden van vergelijking met de parallelle maar ietwat anders verlopende ontwikkelingen in de buurlanden.
Ik noemde hier maar enkele punten. Op letterkundig gebied zullen zowel de buitenlandse als de Nederlandse literatuurhistorie alleen maar kunnen profiteren van grondige vergelijkende studies. Het werkterrein, van de twaalfde tot de twintigste eeuw, is voorshands nog onbeperkt groot.
Ik bepaal me daarom maar tot enkele onderwerpen die in Melbourne bewerkt zijn als willekeurige voorbeelden. Op het ogenblik is een stu-
dente die Nederlands met Italiaans combineert, bezig met een vergelijkende karakteristiek van Guarini's Pastor Fido met Hoofts Granida, als vierdejaars opstel. Ongeacht de resultaten, die nog afgewacht moeten worden, is zoiets een nuttige oefening, zowel voor de studente zelf als voor de docenten aan beide zijden die erop toezien.
Op taalkundig gebied schreef een student enkele jaren geleden als vierdejaars opstel een studie over het binnendringen van het woord zich in het Nederlands, waarbij correspondentie met de redactie van het Nederl. Wdb. in Leiden hem aan nieuw materiaal hielp. Het onderwerp ging hem zo interesseren dat hij het als Master of Arts-studie uitbreidde tot de persoonlijke pronomina eindigend op -k, als mik, dik, sik, euch, in de germaanse talen in het algemeen. Voor de voltooiing van die thesis studeerde hij een jaar in Utrecht en een jaar in Duitsland.
Een M.A.-studente van enkele jaren geleden bestudeerde de Nederlandse Shakepeare-vertalingen na 1860, deels gedurende een jaar studie te Leiden, en een Australische student ging het gebruik na, dat Mevrouw Bosboom-Toussaint voor haar Leycester-cyclus van Engelse bronnen maakte. Een Nederlander in Melbourne schreef over de Franse en de vertaalde Chinese poëzie (Waley) die Slauerhoff in verschillende fasen van zijn werkzaamheid geboeid had. Al dit werk komt uit combinatiestudies voort, achtereenvolgens met Italiaans, met Duits, met Engels en met Frans.
Ik wil er ook op wijzen dat het een Amerikaanse was (Dr. R. Colie) die, nadat generaties van Nederlanders over Constantijn Huygens geschreven hadden, er voor het eerst op wees dat diens Printen niet direct op Theophrastus teruggaan maar een zeer belangwekkende Engelse achtergrond hebben. En welke bezwaren men ook tegen details in haar boek moge hebben, vooral in de vertaling van aanhalingen uit Huygens' poëzie, we moeten ook heel dankbaar zijn voor het nieuwe licht dat zij op Daghwerck liet vallen.
Wie ook moge twijfelen aan de betekenis van een academische studie in het Nederlands, het zijn niet de studenten zelf. We moeten wèl beseffen dat de Nederlandse literatuur gestalten heeft opgeleverd die geheel eigen zijn en ook voor tamelijk welbelezen buitenlanders iets volkomen nieuws vertegenwoordigen. Hoe verrast kunnen studenten die alleen Engelse literatuur kennen, zijn over figuren als Henriëtte Roland Holst en Marsman, Gezelle en Willem Elsschot. Uitroepen als ‘zoiets kenden we totaal niet’ en ‘als hij in het Engels gedicht had, zou hij nu een wereldnaam hebben’ bewijzen dat. De lectuur van Herman Gorters sensitieve verzen is van uitnemend belang voor hen die colleges hebben gevolgd over Duitse expressionistische lyriek. Ik zou zo voort kunnen
gaan, want ook de vraag ‘welke Nederlandse auteurs interesseren buitenlandse studenten vooral?’ zou het onderwerp voor een afzonderlijk referaat kunnen zijn.
Over de academische betekenis van het vak Nederlands hoeven we ons geen zorgen te maken. Er ligt een rijk gebied voor beleving en studie open, in welke richting men ook gaat. Het zijn de studenten die wij kweken en vooral diegenen onder hen die verder een academische loopbaan volgen, die ervoor zorgen dat de naam van het vak verder gevestigd wordt. Ik zou daar concrete bewijzen voor aan kunnen voeren.
Het zwakke punt ligt in het zogenaamde praktische nut. Ik zeg dit nogmaals, omdat het in de praktijk zo belangrijk is. Degenen die de grote beslissingen moeten nemen over de invoering en de materiële ontwikkeling van een Nederlandse cursus hebben veelal geen begrip voor de geestelijke verrijking die een taal- en letterkundige studie betekent, of voor het wetenschappelijk belang van de studie van het Nederlands, maar denken in termen van handel, produktie, politiek. Uitgebreidheid en macht van een taalgebied tellen meer dan intrinsieke rijkdom van een taal- en letterkundige cultuur. Hoewel ik de vaste overtuiging heb dat het vak Nederlands internationaal in opkomst is, hebben we met de harde feiten rekening te houden. De argumenten van de machthebbers zijn niet echt de onze. Het lijkt me daarom dat het vak Nederlands de beste kansen op invoering en ontwikkeling heeft, waar ons inziens onzakelijke argumenten aangevoerd kunnen worden - bijvoorbeeld: dat een merkbaar percentage van de bevolking uit Nederlandse emigranten bestaat. Het werkelijke argument moet het academische zijn.
Ik meen op te merken dat het academische uitgangspunt voor een vestiging het best in een eenmaal gevestigd Duits department te vinden is. Zoals een Russisch department in een universiteit belangstelling voor het Pools of het Zuidslavisch vertoont en een Frans department geneigd is voor Italiaanse, Spaanse of Roemeense studies op te komen, zo zal een Duits department het gemakkelijkst een Nederlandse afdeling ontwikkelen. Bereidheid in een Duits department, en daarbij, als praktisch argument voor de machthebbers, enige financiële steun, hetzij van rijke personen en instellingen, of van de Belgische en Nederlandse regeringen, al is het maar voor enkele jaren, bieden de beste omstandigheden. Een pas geplant boompje moet in de eerste jaren tegen droogte, hitte en stormwind beschermd worden. Heeft het eenmaal genoeg wortel geschoten, dan kan het zichzelf handhaven, groeien, en, hopelijk, bloeien.