terug  begin  verderprepost
[p. 109]

Slotzitting gehouden op vrijdag 11 september 1964 te 14.30 uur

Voorzitter: Prof. Dr. W. Thys (Universiteit Rijsel)
   
Toespraken: van de Voorzitter
   
  van Mr. H.J. Schölvinck, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
   
  van Dr. M. Grypdonck, Adj. Kabinetschef van de Minister van Cultuur
   
Voordrachten: Prof. Dr. P. Brachin (Universiteit Parijs): ‘J.A. Alberdingk Thijm als literair-historicus’
   
  Prof. Dr. K. Heeroma (Universiteit Groningen): ‘Het tekort van de nederlandistiek’
   
  Prof. Dr. E.H. Kossmann (Universiteit Londen): ‘De Studie van het Noordnederlands nationalisme’
   
  Slotwoord van de Voorzitter der Werkcommissie.

[p. 111]

Toespraak van de voorzitter

Mijnheer de Secretaris-Generaal die hier komt als vertegenwoordiger van de Nederlandse Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen,

Mijnheer de Kabinetschef die hier komt als vertegenwoordiger van de Belgische Minister van Nationale Opvoeding en Cultuur,

Mijne Heren Ambassaderaden en Attaché's van de Nederlandse Ambassades respectievelijk in Bonn en Londen en van de Zuidafrikaanse Ambassade in Brussel,

Mijne Dames en Heren Ambtenaren van de beide Ministeries van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en van Nationale Opvoeding en Cultuur, die ons de eer hebt aangedaan ons Colloquium als waarnemers bij te wonen,

Mijnheer de vertegenwoordiger van de Kultuurraad voor Vlaanderen,

Hooggeachte Collega's binnenlandse neerlandisten,

Beste Collega's buitenlandse neerlandisten,

Dames en Heren Genodigden,

 

ik heet U allen heel hartelijk welkom op deze slotzitting van het Tweede Colloquium van Hoogleraren en Lectoren in de Neerlandistiek aan buitenlandse Universiteiten en ik zou deze slotzitting willen beginnen met in een paar woorden maar, voor degenen die de vorige vergaderingen niet hebben kunnen meemaken, te schetsen voor U en voor de vuist, als U mij dat toestaat - want ik heb dit niet kunnen voorbereiden, er waren andere bezigheden deze laatste dagen - in een paar woorden te schetsen hoe deze Colloquia zich hebben ontwikkeld en welke resultaten ze hebben opgeleverd. De meesten onder U weten dat dit begonnen is met een toevallig contact met de Nuffic, in Den Haag, de Stichting voor Internationale Samenwerking der Nederlandse Universiteiten en Hogescholen, in het bulletin waarvan destijds een verslag is verschenen over de toestand op dat ogenblik, nu geloof ik vijf jaar geleden, van de neerlandistiek in het buitenland. Deze contacten hebben tot de overtuiging geleid, dat het nuttig zou zijn, dat allen die zich met het onderwijs van de Nederlandse

[p. 112]

taal, letterkunde, geschiedenis en cultuurgeschiedenis in het buitenland bezighouden, eens bij elkaar zouden komen om gezamenlijk hun problemen te bespreken en daarvoor oplossingen te vinden. Dat is gebeurd in Den Haag in september 1961 en de meesten onder U hebben kennis gehad van de resultaten van dit Eerste Colloquium, toen wij het verslag ervan hebben uitgegeven.

Om nu even in het kort te wijzen op de belangrijkste resultaten die sedertdien zijn bereikt, denk ik vooral aan de uitgave van ons contactblad dat voordien niet bestond. Er was niet het minste contact tussen de buitenlandse neerlandisten tenzij individueel en toevallig, zodat ons contactorgaan, Neerlandica extra Muros, blijkens de reacties die we daarop hebben gekregen, zeer sterk in een behoefte voorzag. Ten tweede denk ik aan de uitgave van het zgn. Liber Memorialis, die voor de deur staat. Het Liber Memorialis maakt deel uit van de tentoonstelling die we in dit gebouw hebben ingericht en het is eigenlijk geconcipieerd als een hulde aan degenen die ons zijn voorgegaan met het onderwijs van het Nederlands in het buitenland. En dan ten derde, als een derde realisatie, denk ik aan de tentoonstelling die wij plegen ‘reizende tentoonstelling’ te noemen, die uit ons midden is voortgekomen, een initiatief dat door de gezamenlijke lectoren is genomen en wij zijn heel trots, deze tentoonstelling, althans een eerste serie daarvan, op dit Colloquium aan U te hebben kunnen vertonen. De bedoeling is, dat ze op individuele uitnodiging van U, aan de diverse buitenlandse posten zal kunnen worden gezonden. Voor de realisatie ervan zijn wij bijzonder dankbaar aan het Letterkundig Museum in Den Haag, aan de Ministeries van O.K. en W. en Nationale Opvoeding wat betreft de financiële steun, ook voor de medewerking verleend door het Archief en Museum van het Vlaamse Cultuurleven in Antwerpen. Dit zijn, zo kort geschetst, geloof ik, de meest in het oog springende realisaties tussen deze twee Colloquia in.

Wat de resultaten betreft van dit Colloquium, ik kan moeilijk als voorzitter en als gedeeltelijk verantwoordelijke voor wat hier deze drie dagen is gepresteerd, zeggen dat het een succes was. Ik laat het liever aan de deelnemers en aan de genodigden over, om dit voor zichzelf te besluiten, maar ik meen toch te mogen zeggen dat het een gelukkig verloop heeft gekend tot hiertoe en dat dit tweede contact eens te meer bewezen heeft, dat deze ontmoetingen zeer nodig waren. Ik geloof dat ik er nu goed aan doe, U de resultaten van ons Tweede Colloquium mee te delen in de vorm van de resoluties, die zijn opgesteld en die vanochtend op de laatste werkvergadering van ons Colloquium zijn goedgekeurd door de aanwezigen. Ik noem ze U nu in de volgorde die vanmorgen hiervoor is aangenomen. (Zie de tekst der resoluties, afgedrukt op blz. 147 vlg.)

[p. 113]

Dit waren de resoluties vanochtend aangenomen op de laatste werkvergadering van het Tweede Colloquium. Hiermee meen ik dat mijn taak op dit ogenblik is volbracht en ik zou graag thans het woord verlenen aan de Heer Secretaris-Generaal van het Nederlandse Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, die een kort woord tot U zou willen richten.

prepostterug  begin  verder