terug  begin  verderprepost
[p. 114]

Toespraak van Mr. H.J. Schölvinck
Secretaris-Generaal van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen

Zojuist heeft Uw voorzitter de balans opgemaakt van het werk, dat in de afgelopen dagen door U is verricht. Thans is het mij vergund enige woorden tot U te richten. Daarna zal Dr. Grijpdonck U toespreken. En voorts zult U nog een drietal belangwekkende voordrachten aanhoren.

Ik heb mij wel even afgevraagd, toen ik het programma doorlas, wat de organisatoren toch wel onder een ‘werkvergadering’ mogen verstaan, wanneer bij een als ‘representatief’ voorgestelde slotzitting zulk een gedegen stof U wordt aangeboden. Hoe dit zij, ik ben er zeker van dat ik U allen een genoegen kan doen door vooreerst te beloven dat ik kort zal zijn, en vervolgens door die belofte ook te houden. Trouwens, dat is volgens het reeds geciteerde programma mijn opdracht: de samenstellers hebben er niet de minste twijfel over willen laten bestaan dat in elk geval twee van de aangekondigde sprekers kort dienen te zijn: een duidelijke vingerwijzing voor de betrokken sprekers, en een niet minder duidelijke poging tot geruststelling van het potentiële auditorium. Kortheid dus. Een Oosters filosoof, Kahlil Gibran, heeft eens gezegd: ‘We zullen elkaar nooit kunnen begrijpen, tenzij we onze taal tot zeven woorden beperken’. U merkt het reeds: dat aantal wordt in deze ene zin reeds verdubbeld, zodat deze wijsheid als motto voor mijn toespraak alleen al door het citeren ervan onbruikbaar is geworden. Ik zou trouwens aan zeven woorden beslist te weinig hebben om datgene te zeggen wat mij op dit ogenblik op het hart ligt. Ik stel er namelijk prijs op bij deze gelegenheid ten overstaan van U allen uitdrukking te geven aan de waardering en de erkentelijkheid die de Nederlandse Regering heeft voor Uw werk als hoogleraar of lector in de neerlandistiek aan buiten België en Nederland gevestigde universiteiten, voor de toewijding waarmee U Uw taak vervult en voor de bijzondere diensten die U aan de Nederlandse taal en daardoor aan het volk van Vlaanderen en Nederland bewijst. Door Uw werk immers opent U overal in de wereld vensters op de Nederlandstalige samenleving, op de

[p. 115]

historische en eigentijdse culturele waarden waarvan een toch niet onbelangrijke bevolkingsgroep van Europa de drager is. Door Uw werk wordt het samenspel van die cultuur met het grote geheel dat wij de menselijke beschaving noemen reëler en intensiever. In geen andere tijd is juist zulk een samenspel op cultureel gebied een dwingender noodzaak dan juist thans. En daarmee doel ik werkelijk niet in de eerste plaats op het overigens zeer menselijke verlangen om ‘mee te doen’, om ‘ook een rol te spelen’. Het gaat er in onze tijd in de eerste plaats om, dat het culturele potentieel waarover de mensheid als totaliteit kan beschikken ook zo volledig mogelijk wordt uitgebuit, en beschikbaar komt voor een ieder. Wij, Nederlandstaligen, willen niet alleen ‘erbij horen’, wij willen ook en vooral onze verworvenheden beschikbaar stellen, onze verantwoordelijkheden in de huidige menselijke beschaving waar maken. Het behoeft geen betoog dat Uw werk, Uw onderwijs in dit perspectief van groot belang genoemd moet worden.

Naast de Belgische heeft ook de Nederlandse Regering in het verleden aan die waardering en belangstelling voor Uw werk uitdrukking willen geven door financiële en morele steun aan de leerstoelen en lectoraten in de neerlandistiek. Ik geloof echter, dat het goed is aan die waardering van officiële zijde ook eens met even zoveel woorden uitdrukking te geven. Ik verheug mij erover, dat ik dit hier namens de Nederlandse minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen mag doen, en dat het mij mogelijk is mij met deze woorden op hetzelfde ogenblik tot zovele hoogleraren en lectoren in de neerlandistiek te richten. Ik hoop dat bij alle publiciteit die aan dit colloquium zal worden gegeven de vermelding van de waardering, die de Nederlandse Regering voor Uw werk heeft, de betekenis en de verdienste van dit werk voor de positie van de Nederlandse taal en cultuur zal onderstrepen. Hoezeer ook deze waardering zich in gelijke mate richt tot U allen hier aanwezig en tot Uw collega's die helaas niet hier konden zijn, toch spreekt het welhaast vanzelf dat in het bijzonder diegenen onder U, voor wie het Nederlands niet de moedertaal is, recht hebben op onze erkentelijkheid. U immers mist de als het ware aangeboren aanhankelijkheid aan de taal die U onderwijst; voordat U aan het onderwijzen toekwam heeft U zich zowel de kennis van als de liefde voor die taal eigen moeten maken. Wij Nederlanders zijn beslist niet ongevoelig voor zulk een bijzondere aandacht voor onze taal, ook al staan wij in Noord-Nederland wellicht wat achter in die fiere trots op onze taal, die onze broeders uit de zuidelijke Nederlanden zo duidelijk siert. Het is dan ook geen toeval dat juist een Belgisch neerlandicus, Uw eminente voorzitter, prof. Thys, het initiatief tot deze bijeenkomst heeft genomen. Ik breng hem daarvoor gaarne oprechte en warme hulde. De arbeid, die hij en het

[p. 116]

werkcomité sinds die eerste bijeenkomst in Den Haag in 1961 hebben verzet, vindt zijn verdiende bekroning in de grote belangstelling die dit colloquium bij U heeft vermogen te wekken, in de weerklank ook die dit werk zowel in België als in Nederland heeft gevonden bij allen wie de Nederlandse taal na aan het hart ligt. In deze hulde betrek ik gaarne allen, die hier in Brussel op zo buitengewoon efficiënte en prettige wijze dit congres hebben georganiseerd en tot het succes ervan hebben bijgedragen.

‘Speech is but broken light upon the depth of the unspoken’ heeft George Eliot ergens gezegd. Ik veroorloof mij deze uitspraak in het bijzonder ook toe te passen op mijn ‘speech’ van het ogenblik: in woorden heb ik die waardering en erkentelijkheid tot uitdrukking gebracht, maar ik hoop dat zij U de diepe en waarachtige overtuiging schenken, dat de Regering van het land dat in belangrijke mate mede gestalte geeft aan de Nederlandse taal met grote belangstelling Uw inspanningen gadeslaat, kennis neemt van de door U behaalde resultaten, gereed staat om U zoveel als dat in haar vermogen ligt bij de vervulling van Uw taak bij te staan. De gedachten, wensen en voorstellen die uit dit colloquium naar voren komen zullen niet alleen de volle aandacht hebben van de Nederlandse minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen, zij zullen ook zonder twijfel het voorwerp uitmaken van nader overleg tussen de verantwoordelijke bewindslieden in België en Nederland.

Ik hoop oprecht, dat deze wetenschap, naast alle ervaringen die U tijdens deze bijeenkomst hebt opgedaan, naast alle andere resultaten die hier zijn geboekt, ertoe zal bijdragen dat U van hier met een gevoel van voldaanheid terugkeert naar Uw leerstoel. Wij zijn er blij om dat U de moeite hebt willen nemen in zo groten getale en van zover naar deze bijeenkomst te komen. Dit colloquium zal de band tussen U allen onderling, reeds gelegd door het eerste colloquium in Den Haag, in belangrijke mate verstevigd en uitgebreid hebben. Ook dat zal naar ik hoop een belangrijke steun blijken bij het werk dat U binnenkort weer gaat hervatten. Onze beste wensen voor een succesvolle en bevrediging schenkende arbeid vergezellen U bij die terugkeer.

prepostterug  begin  verder