terug  begin  verderprepost
[p. 117]

Toespraak van Dr. M. Grypdonck
Adj. Kabinetschef van de Minister van Cultuur

Het spijtig samenvallen van het verblijf in het buitenland van de Heer Van Elslande, Minister van Cultuur, Adjunct voor Nationale Opvoeding, met de datum van uw colloquium, bezorgt mij het gewaardeerde voorrecht U uit zijn naam te begroeten.

Hierbij mag ik dan de opdracht vervullen U mede te delen dat de Minister persoonlijk de hoogste belangstelling heeft betuigd voor uw vergadering hier en voor uw taak en opdracht als docenten Nederlands in het buitenland.

De Heer Van Elslande heeft het initiatief van dit tweede colloquium uitstekend gevonden en is er om verheugd geweest dat dit zou plaats vinden in het zuidelijke deel van de lage landen bij de zee.

Indien uw colloquium de vruchten heeft afgeworpen zoals die door de Minister worden gewenst, dan zou voortaan het onderwijs in en de cultuurkennis van het Nederlands aanzienlijk worden verruimd in spreiding en in betekenis. En bovendien werd er verwacht dat deze samenkomst aan de niet-Nederlanders de aard en de sfeer van Vlaanderen zou laten aanvoelen tot meer gevoelsbegrip van de letterkundige en artistieke scheppingen in dit deel van het Nederlandse taalgebied.

Terecht heeft de voorzitter van uw colloquium de noodzaak onderstreept van de integratie van het Nederlands in elk universitair onderwijs van de germanistiek.

Het is wel prettig vast te stellen dat er nog zoveel docenten zijn die het Nederlands onderwijzen in het buitenland, maar het is even pijnlijk zich te gaan bezinnen over de geringe verhouding tussen de docenten Nederlands en het aantal universiteiten, verspreid over de wereld waar de Germaanse talen worden onderwezen.

Ongetwijfeld mist het Nederlands als taalexpressie van een specifieke cultuurgroep de macht en het uitdrukkingsvermogen van elke andere taal, die aanvaard is op enige wereldconferentie.

[p. 118]

En daar zijn ook niet de grote propagandamiddelen en steungelden, waarop de propaganda van grote landen beroep kan doen, vooral wanneer daar taal- of cultuurimperialisme mee gemoeid is.

Maar dit alles hoeft toch niet te beletten dat het Nederlands, de taal van 18 miljoen Europeeërs zoals Minister Fayat heeft laten opmerken, de verschuldigde plaats zou krijgen aan de universiteiten waar de germanistiek wordt beoefend.

Deze discipline is nu reeds oud genoeg opdat uiteraard het Nederlands zou deel uitmaken van het leerprogramma in elke Europese en Zuidafrikaanse universiteit, in de meeste Angelsaksische instituten voor hoger onderwijs en in talrijke faculteiten elders over de wereld.

Als taalverschijnsel is voor elke germanist het Nederlands onbetwistbaar een belangrijk studieobject vanwege zijn oeroude oorsprong, zijn langdurige en uit dokumenten makkelijk te achterhalen evolutie zo taalkundig als semantisch en vanwege de cultuurhistorische betekenis: belangrijk niet alleen voor taalkundigen, linguisten, taalhistorici, maar ook voor cultuurhistorici en literaire critici.

In die verhouding zou elke universiteit, waar germanistiek wordt beoefend, uit eigen initiatief het vak Nederlands op het leerprogramma moeten brengen, maar we zijn niet zo naïef te geloven dat dit zal gebeuren zonder enige stuwing die van hieruit moet vertrekken.

Mij dunkt dat het dan ook voor de regering vanzelfsprekend een taak en een opdracht moet zijn de belangstelling voor en het belang van de lectoraten op te voeren tot op het niveau van universitaire volwaardige leeropdrachten.

Wat Minister Van Elslande betreft kan ik U de verzekering geven en trouwens ook het bewijs dat hij deze taak aldus heeft opgevat en er zijn beste krachten voor heeft ingespannen. Uw colloquium is een welkome bevestiging dat de huidige toestand nog verre van bevredigend is en dat de inspanningen zonder verzwakking dienen te worden voortgezet.

Het tweede luik van de opdracht der lectoraten en docentschappen houdt, dunkt mij, verband met de status van diegenen die vanuit Nederlands taalgebied worden afgevaardigd door de respectieve landen om de Nederlandse taal en het Nederlandse cultuurgoed in het buitenland bekend te maken.

Wie voor het eerst de verhouding ziet tussen de opdrachthouders van Nederlandse nationaliteit en hun collega's, onderhorigen van de Belgische Staat, kan zijn verrassing moeilijk tot rust brengen. Ik wou daarop onmiddellijk inschakelen om te herinneren aan de historische achtergrond. Laten we niet vergeten dat in deze regering voor het eerst een portefeuille werd voorbehouden aan de zorg voor het Nederlandse cultuurgoed in dit

[p. 119]

land en voor de belangen van de Nederlandse taal ten overstaan van het buitenland.

Het is inderdaad paradoxaal dat in ons land de zorg voor de twee culturen tegelijkertijd mogelijk is geweest gedurende zoveel jaren en dat het ook als vanzelfsprekend is aanvaard geweest het Nederlands alleen datgene te geven wat onder de druk van de eisen niet kon geweigerd worden. Terwijl de cultuurzorg over éénzelfde taalgebied behoort tot twee souvereine staten was hoofdzakelijk het ééntalig Noord-Nederland de zorg overgelaten voor erkenning van taal en cultuur in het buitenland. Dit alles heeft nu meegebracht dat voor een gemeenschappelijk beleid er niet alleen internationale conventies en diplomatieke nota's vereist zijn mitsgaders paraferen, tekenen en bekrachtigen bij wet, maar dat ook gemengde technische commissies belast moeten worden met de uitvoering van gemeenschappelijke initiatieven.

Graag breng ik hier hulde aan de Gemengde Technische Commissie van het Belgisch-Nederlands Cultureel Akkoord voor het verwezenlijken van alle hulpmiddelen die tot nog toe tot stand zijn gekomen.

Maar alle dankbaarheid en waardering dienen niet te beletten dat we nuchter en objectief kunnen vaststellen hoezeer, zelfs een deel van een cultuurgebied, uiteraard bevoorrecht wordt wanneer het meer vertegenwoordigers heeft, die verspreid zijn over de wereld.

Laat het waar zijn dat de Zuidnederlandse literatuur anders is naar aard en sfeer dan de Noordnederlandse, dan blijft het ook waar dat precies de persoonlijke karakteristieken de familietrekken scherper doen ervaren. Daarom hindert het mij helemaal niet dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen Vlaamse letterkundigen en Noordnederlandse op voorwaarde dat de beide uitingen van dezelfde literatuur evenwaardig kunnen gewaardeerd worden ook en vooral in het buitenland.

Het is niet voldoende sympathie op te wekken en waardering voor een literair produktief volk, noch kan het volstaan in internationale talen van groot verkeer een greep te vertalen uit letterkundige meesterwerken. Daarmee kan wellicht wel een inleiding worden bezorgd tot vriendelijke en zelfs waarderende nieuwsgierigheid, maar daarmee is nog altijd niet bereikt dat buiten het eigen taalgebied de aard, de geest en het gemoed van een creatief volk begrepen en gekend zouden zijn.

Ook op dit stuk is er voor het beleid van dit land nog een groot pak werk weggelegd. Wellicht zal de bijzondere opdracht, toevertrouwd aan Karel Jonckheere, namelijk al zijn aandacht en zijn inspanningen te wijden aan het tot stand komen van vertalingen, de weg banen naar verdere en meer efficiënte initiatieven, maar die zullen dan altijd tot steunpunten moeten krijgen de lectoraten Nederlands in het buitenland. Wij

[p. 120]

zullen toch altijd in de eerste plaats de belangstelling moeten verwachten vanwege gestudeerden en taalvaardigen om van daaruit meer bekendheid te verwerven onder diegenen die het voornamelijk door middel van vertalingen moeten doen.

Laten we dan hopen dat de beweging, door Minister Van Elslande in gang gezet om meer Zuidnederlanders in te schakelen bij de vertegenwoordiging van de Nederlandse cultuur in de buitenlandse universiteiten, met een krachtig impuls moge worden voortgezet. En dan druk ik hierbij de wens uit dat dit colloquium ook daartoe effen baan zou mogen maken door te voorzien in didactisch en wetenschappelijk materieel, door coordineren van de onderwijstaak en leerprogramma's, door het scheppen van eenheid in de inzichten en in de geleidelijke opgang van taalervaring. Daarbij wens ik dat dit alles moge leiden tot het aanvoelen der Nederlandse literatuur als geheel en tot het beseffen van de rijk gevarieerde schakering onder de scheppende literatoren boven en beneden de rijksgrens.

Het naar mijn inzicht geslaagde initiatief van de ambulante tentoonstelling, waarin een nuchtere en tegelijkertijd geestdriftige samenwerking haar uitwerking heeft gehad; de bijdrage van de Belgische Dienst voor Internationale Culturele Betrekkingen, die plastische vorm heeft gegeven aan de betekenis van de literatoren die door hun gelijken voor een Staatsprijs werden voorgesteld; de uitnodiging tot deze slotvergadering van al diegenen die naam hebben in het domein van de scheppende literatuur; het rechtstreekse aanvoelen van het landschap en de monumenten van dit cultuurgewest in ons land; de ervaring van persoonlijke ontmoeting die de deelnemers aan dit colloquium in staat hebben gesteld ook met de mens in dit taalgewest kennis te maken, dat alles betekent zoveel positieve aanwinsten die ik graag vasthoud als onmiddellijke vruchten van dit colloquium.

Mijnheer de Voorzitter, ik moge U daarom uit naam van Minister Van Elslande van harte feliciteren en U met uw bestuur daarom ook zeer speciaal danken om vast te stellen dat hiermede een nieuwe aanwinst werd geboekt om de eenheid der Nederlandse cultuur in haar verscheidenheid door het buitenland duidelijker en hechter te laten aanvoelen.

prepostterug  begin  verder