| Onderwerp: | Mededelingen van buitenlandse nederlandisten uit verschillende taalgebieden. |
| Er werden overzichten ingestuurd door: | |
| Drs. Istvãn Bernáth, Budapest, Hongarije | |
| Dr. R. Breugelmans, Calgary, Canada | |
| * Dr. F. Bulhof, Austin, Texas, U.S.A. | |
| * P.K. King, M.A., Cambridge, G.B. | |
| * Dr. Olga Krijtova, Praag, Tsjechoslowakije | |
| Prof. Dr. K. Langvik-Johannessen, Oslo, Noorwegen | |
| Drs. S.H.J. van der Meer, Oulu, Finland | |
| * Dr. R.P. Meijer, Melbourne, Australië | |
| Dr. J. de Rooij, Stockholm, Zweden | |
| * Prof. Dr. W.Z. Shetter, Bloomington, U.S.A. | |
| * Mej. Lic. Y. Stoops, Port Elizabeth, Zuid-Afrika | |
| * Drs. J.A.S. Tromp, Madrid, Spanje | |
| Prof. Dr. P.J.H. Vermeeren, Keulen, Duitsland | |
| * Drs. J.W. de Vries, Djakarta, Indonesië | |
| Prof. S. Wojowasito, Malang, Indonesië | |
| * Prof. Dr. K.R.G. Worgt, Leipzig, D.D.R., en Tampere, Finland |
Van de met een * gemerkte collega's volgt hierna het door hen medio 1970 met het oog op het Vierde Colloquium opgestelde overzicht. De andere overzichten worden op verzoek door het secretariaat van de IVN aan belangstellenden toegestuurd.
De Nederlandse sectie is een onderdeel van de afdeling Germaanse talen die onder leiding staat van Professor Stanley Werbow, die samen met Professor Edgar Polomé ook in het Nederlandse programma betrokken is. Professor Werbow doceert Middeleeuwse letterkunde, Prof. Polomé Nederlandse taalkunde. Prof. Bulhof's gebied bestrijkt het practisch taalonderricht en de Letterkunde sedert 1600.
Het onderwijs in het Nederlands is in 1966 begonnen met een college Nederlands voor beginners van 8 uur per week dat begon met 7 studenten in september en eindigde met 4 studenten in juni. In het eerste semester was er bovendien een college Nederlandse letterkunde in vertaling voor 1 student, in het tweede semester een college 19e eeuwse letterkunde van drie uur per week voor 4 studenten. In het tweede jaar begonnen 12 studenten aan de beginnerscursus en werd moderne letterkunde gedoceerd aan een zestal studenten. In het derde jaar waren de colleges middeleeuwse letterkunde en taalkunde goed bezet met 6 en 7 studenten. De groei is nog niet tot stilstand gekomen, getuige het aantal studenten dat in het cursusjaar 1969-1970 was ingeschreven: voor de eerstejaarscolleges: 47; tweedejaarscolleges: 21; letterkundecolleges: 12. Van deze studenten is geen enkele zg. undergraduate een ‘Dutch major’, terwijl van de graduate studenten er drie Nederlands als hoofdvak hebben, d.w.z. dat zij zich voorbereiden op een M.A. thesis in het Nederlands. Hun uiteindelijk Ph. D. werk ligt uiteraard op het terrein van het Duits.
Het Nederlandse programma wordt ondersteund door een federale NDEA beurs. Van Nederlandse en Belgische zijde wordt het bovendien gesteund met boekenzendingen en gelden voor de bibliotheek. Het aantal boeken in de universiteitsbibliotheek wordt geschat op 4000.
Het Nederlandse programma heeft de volgende stractuur: Na twee jaar practische taaloefeningen, waarvan in het eerste jaar de nadruk valt
op de mondelinge taalbeheersing en in het tweede een inleiding tot de Nederlandse cultuur het onderwerp vormt van oefeningen in het taalgebruik, kan de student in de volgende twee jaar zich concentreren op het Nederlands op graduate niveau, Profiterende van het uitgebreid programma dat de Duitse afdeling biedt in theoretische taal- en letterkunde kiest de student daarnaast gedurende een drietal semesters een of meer van de volgende colleges: Letterkunde van 17e, l8e of 19e eeuw, moderne letterkunde, middeleeuwse letterkunde, Nederlandse taalkunde. Bovendien kan hij kiezen uit een reeks van colleges over Nederlandse geschiedenis, culturele of politieke achtergronden. In het derde semester zal hij zijn Master's thesis voltooien, waarna hij zijn studie al of niet zal afronden met een Ph. D. Tot nu toe hebben zich twee studenten op deze weg begeven, maar de ongelukkige politieke toestand in de Verenigde Staten, die vele graduate students beroofd heeft van vrijstelling van de militaire dienst, heeft een voortijdig einde gemaakt aan deze ontwikkelingen. In voorbereiding waren twee theses, een over Van Ostaijen en een over W.F. Hermans.
Opgemerkt wordt tenslotte dat dit voorlopig nog bescheiden resultaat (niettemin: de numeriek grootste Nederlandse afdeling in de V.S., en de enige met een graduate program in Nederlandse letterkunde, behalve (waarschijnlijk) Columbia University in New York) in vier jaar bereikt is in een omgeving waar van Nederlandse immigratie geen spoor is te vinden. Belangstelling voor het programma moest ex nihilo worden te voorschijn geroepen.
F. Bulhof.