terug  begin  verderprepost
[p. 15]

Openingszitting
Maandag 27 augustus 1973
14.30 uur

Voorzitter: Prof. Dr. W. Thys (Rijsel & Gent)
  Openingswoord door Dr. Mr. G.J. Leibbrandt, pl.v. secretaris-generaal, namens de minister van Onderwijs en Wetenschappen.
  Toespraak van de voorzitter van de IVN.
  Voordracht door Prof. Dr. H.B.G. Casimir (Leiden) over ‘Natuurwetenschap en de Nederlandse Taal’

[p. 16]

Openingsrede Door dr. mr. G.J. Leibbrandt
pl.v. secretaris-generaal van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen

Mijnheer de voorzitter, dames en heren docenten in het Nederlands aan buitenlandse universiteiten, geachte aanwezigen,

 

Een ieder die overtuigd is van het belang van de culturele samenwerking voor de internationale betrekkingen zal zich verheugen over de grote opkomst van deelnemers uit letterlijk alle hoeken van de wereld op dit congres.

 

Het is mij dan ook een groot voorrecht u op dit colloquium welkom te heten.

 

Graag wil ik in het bijzonder een welkom toeroepen aan diegenen onder u die niet van Belgische of Nederlandse nationaliteit zijn en heden door hun komst hierheen van hun grote belangstelling voor de Nederlandse taal en cultuur blijk geven.

 

Uw komst maakt ons Nederlanders weer eens bewust van de eigen culturele waarden van de Nederlandse taal. Dit herinnert mij aan een persoonlijke ervaring die ik in het hartje van Afrika had, toen de grote kenner van de Afrikaanse tam tam, de Engelsman Dr. Carrington mij onverwacht in het Nederlands toesprak en mij onthulde, dat hij zich deze taal eigen gemaakt had met het speciale doel Guido Gezelle in de oorspronkelijke taal te kunnen lezen.

 

Uit uw komst naar Leiden in deze laatste week van augustus, die voor de meesten van u nog in de vakantieperiode valt, blijkt hoezeer u van het belang van uw deelneming aan dit Colloquium doordrongen bent en hoezeer u dit als een stimulans en een geestelijke injectie voor uw werk beschouwt. Ik hoop dat u met nog meer enthousiasme en zo mogelijk

[p. 17]

nog beter beslagen ten ijs in het volgend jaar uw werk zult verrichten.

 

Voor de toewijding waarmee u, vaak in moeilijke omstandigheden, Nederlands doceert in een omgeving waarin u veelal als eenling voor de belangen van uw vak moet opkomen, heb ik grote bewondering en waardering. Ik ben mij ervan bewust, dat Nederlands vrijwel steeds een ‘bijvak’ zal blijven temidden van de vele vakken aan de universiteiten. Nu veelal uit financiële noodzaak en uit de wens tot studiebekorting aan sommige instituten voor hoger onderwijs de neiging bestaat het aantal studievakken in te krimpen, moet worden vastgesteld dat de studie van de Nederlandse taal en cultuur al snel als een luxe beschouwd dreigt te worden. Daarom verheugt het me des te meer dat regelmatig berichten binnenkomen dat aan een bepaalde universiteit in het buitenland het Nederlands voor het eerst of opnieuw in het studieprogramma wordt opgenomen, zoals onlangs aan de universiteiten van Florence, Minnesota en Warschau, die zich hierbij in de rij scharen van de meer dan honderd universiteiten over de hele wereld, die de gelegenheid bieden Nederlands te studeren.

 

Uit het feit dat de Belgische en de Nederlandse overheid de organisatie van dit Vijfde Colloquium mogelijk hebben gemaakt, moge blijken dat beide ministeries deze bijeenkomsten van groot belang achten. Een bijeenkomst als deze biedt u de gelegenheid opnieuw te ervaren, dat het onderricht in de Nederlandse taal, waaraan u zich zoals gezegd veelal in een eenzame positie wijdt, een zaak is die toch door een vrij groot aantal collegae in andere landen mede wordt behartigd en ook van officiële zijde met belangstelling wordt gevolgd.

 

Dit Colloquium biedt een goede gelegenheid onderwijservaring en nieuwe taalkundige en literaire inzichten uit te wisselen en door te geven.

 

Graag maak ik van deze gelegenheid gebruik om mijn waardering uit te spreken voor de organisator van het Leidse Colloquium, het bestuur van de IVN, dat als opvolger van de Werkcommissie van hoogleraren en lectoren in de Neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten, voor de eerste maal dit colloquium organiseert en veel werk heeft verzet in het afgelopen jaar om u een wetenschappelijk verantwoord en aantrekkelijk programma te bieden.

 

Met voldoening wil ik voorts melding maken van de groeiende samenwerking tussen België en Nederland op het gebied van de neer-

[p. 18]

landistiek. In het blad van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, Neerlandica extra Muros, hebt u wellicht gelezen, dat in januari 1972 de eerste vergadering heeft plaatsgevonden van de Belgisch-Nederlandse Sub-commissie Neerlandistiek in het buitenland. Deze sub-commissie is ingesteld door de Gemengde Commissie ter uitvoering van het Belgisch-Nederlands Cultureel Verdrag en heeft tot taak beide ministers te adviseren over een gemeenschappelijk beleid op het gebied van de neerlandistiek.

 

Mijnheer de voorzitter, dames en heren, u gaat een drukke, interessante week tegemoet. U zult met veel collega's uit binnen- en buitenland kunnen spreken en ervaringen kunnen uitwisselen. Graag wens ik u nogmaals een nuttig maar vooral ook prettig verblijf toe.

 

Met deze woorden verklaar ik gaarne het Vijfde Colloquium Neerlandicum voor geopend.

prepostterug  begin  verder