Colloquium Neerlandicum 5 (1973)


auteur: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum


bron: Verslag van het vijfde colloquium van hoogleraren en lectoren in de nederlandistiek aan buitenlandse universiteiten. Internationale Vereniging voor Nederlandistiek, Den Haag / Gent 1976


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 79]

De onontkoombaarheid van het kompromis door Dr. B.C. Damsteegt
Rijksuniversiteit Leiden

Toen ik de secretaresse van uw kongres de titel van mijn voordracht mededeelde, nu twee of drie maanden geleden, verkeerde ik in de veronderstelling dat ik deze later nog met een ondertitel zou kunnen aanvullen. Zonder ondertitel is de woordgroep die thans in het programma voor of achter mijn naam staat, ál te weinig zeggend. Kompromissen worden op ieder terrein gesloten en dat ze soms onontkoombaar zijn, heeft ieder wel eens ervaren, zeker iedereen die onderwijs geeft en met nog meer zekerheid iemand die onderwijs geeft in het ndl. aan buitenlanders. Ik wil daarom beginnen met het terrein waarop het woord kompromis hier betrekking heeft, te begrenzen tot dat van de nederlandse taalkunde en, nog nauwer afgebakend, tot dat van de spelling.

 

Het was mij bekend, dat het bestuur van de IVN onder zijn leden een enquête had gehouden over de verschillende voorstellen en ideeën over spellingwijziging, maar toen ik, mede daarom, mijn keuze op dit onderwerp bepaalde, wist ik nog niet, dat van de 260 docenten slechts 40 antwoorden waren binnengekomen, ongeveer 15%. Dit wijst niet op een grote aktieve belangstelling voor spellingvraagstukken en de wens, in een van de antwoorden uitgesproken: ‘Graag een spellingdag op het 5de Colloquium’ biedt maar weinig tegenwicht, zolang het de wens van een enkeling is. Misschien had ik het bestuur moeten berichten, dat ik onder deze omstandigheden maar van het woord zou afzien of had ik een ander onderwerp moeten kiezen, maar het bleek me uit sommige reakties op de enquête, dat ook in uw kring op meer dan één punt verduidelijking van de problematiek van nut kan zijn. Ik verwacht die, eerder dan van mijn voordracht zelf, van de diskussie, die naar ik hoop, daarop zal volgen. Punten waarop wij met elkaar van mening kunnen verschillen, zijn er te over.

 

Ook buiten uw kring is de aandacht voor de spelling minder manifest.

[p. 80]

Nu het gevaar dat de Belgische en Nederlandse regering een voorstel tot spellingwijziging zouden indienen - in België moet daarvoor de Vlaamse Kultuurraad worden ingeschakeld, in Nederland het parlement - niet meer akuut is, is de polemiek in kranten en periodieken vrijwel verstomd. Een enkel ingezonden stuk trok onlangs in de NRC nog mijn aandacht, omdat de schrijfster, een Belgische, zich maar nauwelijks kon voorstellen, dat de voorstanders van de spelling kultuur daarvoor andere dan nazistische motieven hebben en juist zaterdag jl. bond een voorstander van spellingherziening nog eens de strijd aan met de journalist K.L. Poll, een geduchte tegenstander ervan. Maar dit zijn thans uitzonderingen, terwijl enige jaren geleden de knipselkrant van het ministerie van O. en W. met spellingstukken volstond. De Aksiegroep Spellingvereenvaudiging 1972, opgericht met het doel in een jaar tijds het minimumprogramma1 van de ANOF, de VON, de VWS en de sektie Nederlands van Levende Talen dicht bij de verwezenlijking te brengen, heeft zich aan de gestelde termijn gehouden en zich in het begin van dit jaar opgeheven zonder het gestelde doel bereikt te hebben.

 

De laatste grote ondernemingen waren het spellingnummer van De Gids in het voorjaar van 1972, de verzamelingen brieven en uitspraken over de spelling die door Craeybeckx gepubliceerd is, een artikel van Drs. J.H.L. Mols, een artikel van W. Couvreur en een boekje van Cohen en Kraak. Over elk hiervan een enkel woord.

 

De redaktie van De Gids laat voor- en tegenstanders aan het woord. Het nummer opent met een historisch opgezet artikel kontra van Stuiveling, dat besloten wordt met 10 deels provocerend geformuleerde stellingen. Stutterheim, zoals altijd gedistantieerd en zakelijk over de spellingkwesties oordelend, heeft Beschouwingen over orthografie en orthografitis bijgedragen. Gerlach Royen had de ziekte ontdekt en een naam gegeven. Stutterheim beschrijft de symptomen als volgt: ‘De orthografitis is een ziekte, die op den duur epidemische vormen aanneemt; die godsdienstige, politieke en andere groeperingen en ook min of meer loslopende individuen aantast en hen dwingt, met behulp van een boek, een brochure, een artikel of een ingezonden stuk over de spelling, agressieve driften uit te leven en domheid, kwade trouw, haat en blinde bezetenheid tot uitdrukking te brengen. Soms openbaren de symptomen zich plotseling middenin een overigens rustig en redelijk betoog. Dan begint de patiënt tussen taal en spelling wild heen en weer te springen of vertrapt alles tot een onaangename brij. Dan heeft het beginsel van de toereikende grond geen enkele macht meer over zijn

[p. 81]

geest en is hij vergeten dat men alvorens zijn mening aan het papier toe te vertrouwen iets onderzocht en over iets nagedacht moet hebben’2. Het artikel dat W.F. Hermans aan dit nummer heeft bijgedragen, doet duidelijk blijken dat ook de zeer intelligenten niet immuun zijn voor de bacillen die Royen en Stutterheim hebben ontdekt. Met de vermelding van een helder geschreven beschouwing van Annie Romein-Verschoor, die een aantal argumenten tegen herziening aan een rustige kritiek onderwerpt, en twee informatieve artikelen over de spelling van het engels en het duits moet ik volstaan. Ik heb u misschien toch al te lang bezig gehouden met een publikatie die althans velen van u wel gelezen zullen hebben.

 

In 1972 ook mengde de Antwerpse burgemeester Lode Craeybeckx zich plotseling in de spellingstrijd. Op het terrein van taal en spelling is hij, voor zover ik kan nagaan, volslagen onkundig, maar het gezag van zijn leeftijd en zijn lange politieke loopbaan én zijn energie en organisatievermogen maken hem blijkbaar óók in spellingzaken tot een graag gevolgde leider. Hij slaagde erin getuigenissen te verkrijgen, tezamen een 150 bladzijden druks, van tegenstanders van de spellingherziening, die voor het merendeel hun ondeskundigheid op gênante wijze aan het licht brengen3. Een enkele bijdrage die een genuanceerd standpunt tot uiting brengt of een redelijke argumentatie bevat, staat er wat verdwaald tussen. Voor het overgrote deel zijn het emotionele uitingen, die een uitgebreide scala te zien geven van de symptomen van de orthografitis. Marc Galle heeft voor het boekje, dat getiteld is Sluipmoord op de spelling, een Ten geleide geschreven, dat hij besluit met de zin: ‘Dat Lode Craeybeckx erin is geslaagd een grote meerderheid voor zijn actie te winnen, strekt hem tot eer’4. Ik laat deze zin, gezien het gehalte van de meeste bijdragen, voor wat hij is, maar ik kan niet nalaten op te merken dat het Craeybeckx allerminst tot eer strekt, dat hij de overleden taalkundige J.A. Meijers, vroeger medewerker aan De Groene, door het citeren van enkele uitlatingen over het verschil in woordgebruik tussen Noord- en Zuid-Nederland ook onder zijn bondgenoten rangschikt5. Wie maar iets van de publikaties van Meijers over de spelling heeft gelezen - ik noem alleen zijn boek Het spellingdrama 6 - weet dat hij voor de Sluipmoord van Craeybeckx geen goed woord over zou hebben.

 

Ik acht mij ontslagen van de taak uitvoeriger op deze publikatie in te gaan, omdat Prof. W. Couvreur uit Gent dit al heeft gedaan in een zeer grondig artikel in Wetenschappelijke Tijdingen 7. Dit artikel is meer dan een recensie: Couvreur geeft een gedegen gedokumenteerd

[p. 82]

overzicht over de werkzaamheden op het terrein van de spelling, hoofdzakelijk sinds de instelling van de Nederlands-Belgische Commissie voor de spelling van de bastaardwoorden8 in 1963. Hij stelt daarin ook een aantal niet, of slechts aan zeer weinigen, bekende feiten vast met betrekking tot de adviezen die in België door de beide Vlaamse akademies over het werk van de BWC zijn uitgebracht. Het is vooral daardoor een publikatie geworden die niemand die zich in de spellingzaken goed wil oriënteren, kan overslaan.

 

Dit laatste geldt trouwens ook voor het artikel van Drs. J.H.L. Mols, De samenwerking tussen Nederland en België op het gebied van de spelling 9. De auteur, de thans overleden sekretaris van de BWC, had toegang tot alle officiële stukken en beschikkingen en heeft daarvan gebruik gemaakt om de politieke geschiedenis van de spelling te beschrijven van het eind van de 18e eeuw af. Op de problematiek van de spelling gaat dit artikel echter niet in.

 

Dat is anders met de brochure die A. Cohen en A. Kraak onder de repeterende titel Spellen is spellen is spellen 10 in het licht hebben gegeven. Zij pleiten voor wetenschappelijk onderzoek van de relaties tussen gesproken en geschreven taal en tussen de spellingmoeilijkheden en de spellingdidaktiek. Eerst als in voldoende mate onderzoeksresultaten beschikbaar zijn, kan een verantwoorde beslissing over de spelling tot stand komen, menen zij. In het vervolg van mijn voordracht zal ik nog meermalen naar deze publikatie verwijzen.

 

In 1973 heeft er rust geheerst op het terrein van de spelling, een rust die het nog steeds verschijnende blaadje van de VWS niet kan verstoren. De onderwijsorganisaties hebben blijkbaar andere zaken aan het hoofd gehad en trouwens, tijdens perioden van ministerwisseling en kabinetsformaties heeft het geen zin de kwestie van de spellingherziening naar voren te brengen. Bovendien vragen tal van andere moeilijkheden de aandacht van de betrokken ministers, als ze eenmaal op hun post zitten en zolang ze daar zitten. In dit opzicht is het nu een gunstig ogenblik om in alle rust de zaken nog eens te overwegen. Van de veelheid van aspekten die daarbij in beschouwing genomen kunnen worden, zal ik er in het volgende slechts enkele onder uw aandacht kunnen brengen. Daarbij zal ik u geen verslag kunnen uitbrengen van recent wetenschappelijk onderzoek, omdat mij daarvan niets bekend is. Het wordt een bespreking van een aantal kontroversiële punten, zoals die zich voordoen aan iemand die zich in de praktische mogelijkheden van

[p. 83]

spellingvereenvoudiging verdiept. Het zijn, als ik het zo zeggen mag, mededelingen uit het veldwerk op het terrein van de spelling. U zult mij daarbij ten goede willen houden, dat ik mijn verleden als lid van de BWC - een onafgesloten verleden trouwens - niet kan vergeten. Dit wil echter niet zeggen, dat u een pleidooi voor of tegen te wachten staat. Liever dan een bepaalde mening te verkondigen wil ik de problematiek uiteenzetten. Daarbij zal ik graag ingaan op een aantal antwoorden en reakties op de enquête van uw bestuur. De meningsvorming laat ik daarna aan u zelf over.

 

Een van de eerste vragen die men zich stellen moet, is of het wel wenselijk is tot spellingverandering over te gaan, want hoe men het ook beziet: spellingwijziging is altijd een ernstige ingreep. Uit het verleden is genoegzaam bekend, welk een stortvloed van emotionele reakties er los komt. Bovendien brengt een enigszins ingrijpende spellingwijziging voor de gemeenschap als geheel grote kosten met zich mee. Men zal zich daarom altijd moeten afvragen, of de voordelen tegen de nadelen opwegen.

 

Zoals gewoonlijk is de drang tot spellingherziening uitgegaan van het onderwijs en wel zeer spoedig na het verschijnen van de Woordenlijst 1954 (het ‘groene boekje’)11. Het ging hierbij toen nog uitsluitend om wijzigingen in de spellingregeling van de bastaardwoorden en om de schrijfwijze van de tussen-n en-s in samenstellingen. De regeling van de Woordenlijst bleek voor het onderwijs en met name voor het lager onderwijs, te veel moeilijkheden met zich te brengen. Dat deze regeling weinigen bevredigt, kan ook thans nog worden vastgesteld. Van de 40 leden van uw vereniging, die op de enquête hebben geantwoord, geven er 33 een negatief antwoord op de vraag, of zij de thans geldende spelling, die van het groene boekje, gehandhaafd willen zien. Stuiveling, die bepaald niet van sympathie voor spellingwijziging verdacht kan worden, noemt in De Gids de spelling van de bastaardwoorden, zoals die in de Woordenlijst 1954 voorkomt ‘een arbitrair systeem dat wetenschappelijk onhoudbaar en maatschappelijk onbruikbaar is, een indeling in vier groepen: woorden met alleen vernederlandste spelling; woorden met bij voorkeur vernederlandste spelling maar desgewenst de oorspronkelijke; woorden met bij voorkeur de oorspronkelijke spelling maar desgewenst de vernederlandste; woorden met alleen de oorspronkelijke spelling. En dit alles niet als een richtlijn voor de goegemeente, maar als een verplichting voor ambtenaren en docenten. Wie het goed wil doen, althans in functie, moet om de haverklap het groene boekje

[p. 84]

te hulp roepen’12. Het is overigens een daad van eenvoudige rechtvaardigheid, hier vast te stellen dat de Woordenlijstcommissie niet schuldig staat aan de verplichting tot het gebruik van de voorkeurspelling; die is ingesteld door de ministers van onderwijs. Zelfs Craeybeckx moet erkennen: ‘Het enige wat uit alle debatten die plaatshadden als een positief gegeven naar voren schijnt te komen is het unanieme verlangen dat de spellingvormen die het “groene boekje” aan de vrije keus heeft overgelaten, zullen worden vervangen door een terdege verantwoorde eenheidspelling’13. Terloops zij opgemerkt dat hij dit laatste woord met één s schrijft, wat bepaald niet terdege verantwoord is.

 

In ons land waren zeer velen al veel eerder deze mening toegedaan. Het besef dat de Woordenlijst met de daaraan gekoppelde verplichting tot het gebruik van de voorkeurspelling voor het onderwijs geen zegen was, werd zeer snel levendig. Het was voor kritisch denkende leerlingen niet aanvaardbaar, dat spellingen die zij in hun woordenboek konden vinden en in boeken of kranten - daarin op de advertentiepagina's, want de redakties sloten zich bij de voorkeurspelling aan - lezen konden, op een examen fout gerekend konden worden. Er is op gewezen dat er ook vóór 1954 keuzevormen voorkwamen, philanthroop naast filantroop, rhythme naast ritme, maar dit betrof slechts enkele grafemen in een gering aantal woorden.

 

Gevolg gevende aan de aandrang van de zijde van de onderwijzersorganisaties zetten de Nederlandse en de Belgische regering in 1956 de eerste bastaardwoordenkommissie aan het werk, voor België onder voorzitterschap van De Vos, voor Nederland onder het mijne. De kommissie kreeg een beperkte opdracht: zij moest nagaan ‘welke bastaardwoorden in aanmerking komen om op de scholen, zowel in België als in Nederland, uitsluitend in de progressieve spelling te worden geschreven’. De Woordenlijst was echter sacrosanct; er mochten geen veranderingen in aangebracht worden, geen keuzevormen geschrapt geen nieuwe vormen opgenomen. Het gezag ervan was nog vrijwel onaangetast en het was in die tijd nog ondenkbaar dat een nieuw reisbureau een lichtreklame op z'n gevel zou plaatsen met het woord reisburo, zoals ik kort geleden zag, om daarmee twee dure letters en kostbare ruimte te sparen. Ieder kan dit toevallige voorbeeldje trouwens met talrijke aanvullen en niet alleen uit de geschriften van maatschappijkritische groeperingen.

 

De kommissie Damsteegt-De Vos diende na een jaar een rapport in, waarover ik straks nog een enkele opmerking zal maken, dat niet de

[p. 85]

goedkeuring van de vaste kommissie van advies kon verkrijgen. Het probleem werd terug verwezen naar de Woordenlijstcommissie.

 

Daar heeft men toen nagegaan of het niet mogelijk was de zaak te redden met een simpele ingreep in de Woordenlijst. Het is een denkbeeld dat later ook nog is geopperd door sommigen die meenden dat de situatie zoals die nu nog bestaat, onhoudbaar is, maar die tegenstander zijn van een ver gaande herziening van de spelling van de bastaardwoorden. Men denkt dan aan hetzij het mechanisch schrappen van alle keuzevormen, zodat alleen de zg. voorkeurspellingen zouden overblijven, onverschillig of deze nu konservatief dan wel progressief zijn, hetzij aan het konsekwent voorschrijven voor onderwijs en ambtelijk gebruik van de thans in de Woordenlijst voorkomende progressieve vormen. Beide mogelijkheden zijn onderzocht door de Woordenlijstcommissie en beide zijn ze als onuitvoerbaar verworpen.

 

De oorzaak daarvan ligt in de Woordenlijst zelf en in het bijzonder in de omstandigheid dat de voorkeursvormen zijn aangewezen op grond van kriteria die onvermijdelijk tot een onberekenbare grilligheid moesten leiden. Het is eveneens volslagen onberekenbaar, waarom bij het ene woord wel een vernederlandste vorm is opgenomen en bij het andere niet. Ik wil dit met enkele voorbeelden toelichten.

 

Het eenvoudig schrappen van de keuzevormen zou leiden tot tegenstellingen als de volgende:

classicisme naast klassiek, klassikaal
cartotheek naast karteren
demarcatie naast demarkeren
quantum naast kwantiteit
catalogus, catastrofe naast katalysator, katalyse
direct, directie, reductie naast produkt, produktie
compleet naast komplot
coloratuur naast koloriet en kolorist.

Bovendien zou dit procédé elke voortgezette vernieuwing verhinderen en talrijke in de laatste jaren geaccepteerde spellingen van het type direktie, reklame, reduktie, kultuur enz. onmogelijk maken.

 

Schrapping van alle konservatieve spellingen leidt eveneens tot onaanvaardbare diskrepanties. Kanneleren zou naast cannelure komen te staan, klementie naast clematis. Konrektor zou met k's moeten, maar doctor met een c. Het zou koepon zijn naast couperen; kureren zou

[p. 86]

met een k moeten, maar curator niet; kuratele daarentegen weer wel. Zo zou ook naast kanonizeren met een k canon met een c blijven staan. Samenstellingen met contra (contrabas, contrapunt) zouden een c krijgen, maar de verborgen samenstelling kontrole een k, evenals trouwens kontrariëren en de samenstellingen met kon-. Op de laatste zouden de via het Frans ontleende woorden concubine, conclave en enkele andere weer een uitzondering vormen, evenals trouwens conform en conformist. Queue (‘rij’) zou gehandhaafd blijven naast (biljart) keu; quitte zou echter plaats maken ten gunste van kiet, hoewel acquit niet als ‘akkiet’ geschreven zou mogen worden. De spelling kado zou weer verdwijnen.

 

Als we even van de c/k-woorden afstappen, zien we dat koeplet en koepon met oe geschreven zouden worden, maar retour en het subst. retourtje met ou. Parkoers en vermoet zouden een oe krijgen, route en routine echter ou houden.

 

Mysterie zou met y geschreven moeten worden, maar ritme en sillabe met i; dynamo en gymnastiek met y, maar giroskoop met i; timpaan zou een i krijgen, maar xylofoon blijft met y.

 

Al deze betrekkelijk willekeurig gekozen voorbeelden maken wel begrijpelijk, dat de genoemde kommissies voor een normalisatie of ‘omkering’ van de Woordenlijst terugdeinsden.

 

Er is natuurlijk nog een ander alternatief: dat van de volkomen vrijheid van spelling van de bastaardwoorden. Dit wordt echter door slechts weinigen als ideaal gezien. Het zou tot verwarring leiden als iedere ambtenaar zijn eigen keuze zou doen uit de hem ten dienste staande mogelijkheden en vooral als iedere school of misschien ook een individuele leraar of onderwijzer zijn eigen modifikaties zou gaan onderwijzen. Een terugkeer tot spellingeenheid kan alleen worden bereikt door een herziening van de Woordenlijst 1954 en of deze kan wachten tot na jaren en jaren wetenschappelijk onderzoek enige resultaten heeft opgeleverd, is een vraag van onderwijsbeleid en - niet te vergeten - helaas ook van politiek beleid.

 

Sommigen uwer hebben in hun beantwoording van de enquête spellingwijziging afgewezen, omdat die het internationale prestige van het ndl. zou schaden. Dit geldt dan in het bijzonder het prestige dat onze taal geniet bij franstaligen. Ik citeer een van de opmerkingen: ‘Men maakt

[p. 87]

zich voor veel buitenlanders, met name Fransen, belachelijk door telkenmale spellingwijzigingen door te voeren. Dat vereenvoudigingen de beheersing van de spelling hebben verbeterd is nooit aangetoond. Men late zich niet indoctrineren en manipuleren door anti-autoritaire tendensen’. De woordkeus van de laatste zin lijkt mij een fraai voorbeeld van manipulerend taalgebruik, maar daar ga ik maar niet op in. Wat de tweede bewering betreft, nl. dat het niet aangetoond is dat vereenvoudigingen de beheersing van de spelling hebben verbeterd, zou ik de schrijver toch wel willen vragen zich eens in te denken in de situatie van voor 1936, toen de spelling De Vries en Te Winkel nog in volle vigeur was, behoudens de buiging van een, mijn enz. Hij zal dan toch moeten toegeven, dat het aantal mogelijkheden om fouten te maken, aanmerkelijk groter was. En waar fouten gemaakt kúnnen worden, wórden ze ook gemaakt. Niet alleen door schoolkinderen. Ter staving van deze bewering mag ik wel verwijzen naar Gerlach Royens Romantiek in het spellingtournooi (Nijmegen 1949), die herhaaldelijk fouten van vurige voorstanders van De Vries en Te Winkel signaleert14. Maar voor het overige kan ik op de stelling van het prestigeverlies slechts vragenderwijs antwoorden. Zou het prestige van het ndl. bij franstaligen wel zoveel groter zijn, als we nog steeds integraal De Vries en Te Winkel schreven, inklusief de buigings-n dus? Is de spellingwijziging niet een stok om de hond te slaan? Voor objektieve beoordelaars zal het prestige van een taal afhankelijk zijn van zaken van wezenlijk belang: van de literatuur die in en door die taal gestalte heeft gekregen, van de kultuur die erdoor verbreid is. Mij dunkt dat men zich onderwerpt aan doktrinaire en autoritaire tendenzen die aan het moderne Frankrijk helaas in andere zaken niet vreemd zijn, als men een spellingwijziging niet op haar eigen verdiensten beoordeelt, maar deze afwijst op grond van reakties van het buitenland, reakties die in het algemeen even irrationeel zijn en ondeskundig als vele in het eigen land.

 

Na het rapport van de kommissie Damsteegt-De Vos en de daarop volgende rapporten van de vaste kommissie van advies en de Woordenlijstcommissie - we zijn dan in 1957 - was het wel duidelijk, dat de praktische moeilijkheden die de kombinatie Woordenlijst plus het voorschrift om de voorkeurspelling te gebruiken opleverde, alleen konden worden opgelost, als men de Woordenlijst zelf zou durven aantasten. Ook aan het departement van O., K. en W. rijpte dit inzicht, zoals bleek uit de opdracht die in 1963 aan de nieuwe bastaardwoordencommissie werd gegeven. Ik mag die opdracht wel bekend veronderstellen, maar wil de kern ervan toch nog citeren. De kommissie kreeg de taak ‘te adviseren, op welke wijze, in afwijking van de woordenlijst, een spelling

[p. 88]

van bastaardwoorden zonder keuzemogelijkheid kan worden bereikt, waarbij een zo consequent mogelijke opzet in fonologische zin en een zo ver mogelijk gaande vernederlandsing wordt nagestreefd’15.

 

Op drie punten vestig ik uw aandacht: 1. de opdracht had uitsluitend betrekking op de bastaardwoorden; de andere zaken, de /ei/-spelling, de /ou/-spelling en de werkwoordspelling zijn er later aan toegevoegd; 2. prealabel was dat de keuzemogelijkheid moest worden weggenomen; 3. prealabel was ook de eis van fonologisering en, wat vrijwel op hetzelfde neerkomt, vernederlandsing. Door met deze opdracht aan het werk te gaan, aksepteerde de kommissie deze prealabelen. Het verwijt dat ze zich daarmede aan een vooraf bepaalde uitkomst bond, nog voordat ze enig onderzoek had verricht, is ongegrond. De woorden ‘zo consequent mogelijk’ en ‘zo ver mogelijk’ gaven ons alle vrijheid de grenzen van het mogelijke daar te trekken, waar wij dat nodig vonden.

 

Men heeft later de nadruk gelegd op de noodzaak van voorafgaand wetenschappelijk onderzoek. Sommigen, zoals Cohen en Kraak, uit volstrekt zuivere motieven, anderen echter ongetwijfeld ook omdat het een eervol excuus voor uitstel van beslissingen is. Cohen en Kraak, wier standpunten althans ten dele zijn voortgekomen uit besprekingen binnen een werkgroep van de Nederlandse Stichting voor Psychonomie, denken daarbij aan diepgaande onderzoekingen van psychologische, didaktische en psycholinguistische aard. Vooral aan een onderzoek van de konsekwenties van de spellingwijziging op de leesbaarheid hechten zij veel waarde. Terecht dunkt mij. Dat resultaten van dergelijke onderzoekingen, gesteld dat die ondernomen zouden worden, eerst na jaren te verwachten zijn, staat wel vast. Voor mij staat het niet geheel vast, dat al het gewenste onderzoek mogelijk is. Het meten en vergelijken van leesbaarheid bijv. kan ik mij moeilijk voorstellen zonder groepen van proefpersonen die een even grote gewenning met de te onderzoeken spelling hebben als de kontrolegroepen met de vigerende. Hoe dit te verwezenlijken is, is mij niet duidelijk.

 

Ook in de besprekingen van de BWC is meermalen het gemis aan wetenschappelijk vooronderzoek betreurd. Zo konden wij alleen maar gissen naar het effekt van de toeneming van het aantal homografen op het begrip van de gelezen tekst. In het bijzonder kwam dit punt aan de orde bij de kwesties van de spelling van de tweeklanken en de werkwoordsvormen. Maar de tijd drong en wij hebben getracht door

[p. 89]

andersoortig, maar uitvoerbaar onderzoek in de leemten enigszins te voorzien.

 

Zoals we weten was een van de grootste bezwaren tegen de Woordenlijst de onvoorspelbaarheid van de voorkeurspelling. Daarom had de kommissie Damsteegt-De Vos in 1956 al gestreefd naar het opstellen van regels die voor gehele kategorieën van bastaardwoorden zouden gelden en ook voor bepaalde, formeel gekenmerkte kategorieën niet. De kriteria daarvoor moesten door de gemiddelde taalgebruiker waargenomen kunnen worden; de kommissie zocht die toen in de woordeinden. De nieuwe kommissie (Pée-Wesselings) nam de regelgedachte over, maar trachtte de bedoelde kriteria op ruimer terrein te vinden. Er werden zoveel mogelijk volledige lijsten opgesteld, op basis van Koenen, van woorden met bepaalde spellingkernmerken, zoals ch, uitgesproken als sj; g uitgesproken als zj; ill als j; gn als nj enz. Op deze wijze kon worden onderzocht, of een mogelijke fonologisering van de spelling die voor de hand scheen te liggen voor enkele frekwente woorden, verantwoord was voor de gehele kategorie. De aanvaardbaarheid werd getoetst aan drie kriteria: Verbetert de leerbaarheid door de verandering van spelling? Een vraag die werd beantwoord op grond van de onderwijservaring waarover de kommissie in haar totaliteit beschikte. Heeft de wijziging ongunstige invloed op de leesbaarheid? Een vraag die in eerste instantie min of meer intuïtief werd beantwoord, maar later ook door het maken van enige proefteksten. En ten derde: is de breuk met de traditie en de inbreuk op het gevestigde woordbeeld niet te groot?

 

Voorop stond natuurlijk het fonologische principe en daarover dient nog wel gesproken te worden. Allereerst moet dan worden vastgesteld, dat men thans onder een fonologische spelling iets anders kan verstaan dan er in 1963 onder werd begrepen. Ik kom hierop straks nog terug, maar stel nu vast dat de voorstellen tot spellingwijziging, die vóór 1969 tot stand zijn gekomen, gebaseerd zijn op de strukturele fonologie.

 

Nu is ook de spelling van oorspronkelijk ndl. woorden maar in beperkte mate fonologisch. Weliswaar tendeerde de eerste grondregel van De Vries en Te Winkel, de zg. ‘Regel der beschaafde Uitspraak’, naar een fonologische spelling, maar andere regels verhinderden, dat De Vries en Te Winkel - gesteld dat ze dat al gewild zouden hebben - een volledig fonologische spelling avant la lettre tot stand brachten. Het lijkt mij niet nodig, dat ik in een gezelschap van neerlandici hierop uitvoerig inga - Stutterheim heeft dit trouwens reeds eerder gedaan,

[p. 90]

o.m. in zijn Gids-artikel16 -, maar toch wil ik enkele punten aanstippen. Het eenvoudige feit dat 34 of 35 fonemen moeten worden voorgesteld met 26 lettertekens, waarvan er enkele, de c, de x en de y, klankwaarden bezitten die door andere tekens al vertegenwoordigd worden, maakt een zuiver fonologische spelling al onmogelijk. Dit vereist immers en één-op-één-verhouding van foneem en teken. Daarom hebben we onze toevlucht genomen tot dubbele tekens en worden anderzijds aan verschillende tekens meer dan één klankwaarde toegekend. Daarbij komt dan nog dat eenzelfde foneem soms door meer dan één teken wordt aangeduid, zoals het geval is met de /ei/ en de /ou/. Verder noem ik nog de spelling van de j en de w na vokaal. Op de j na vokaal rust een taboe dat de volkomen verantwoorde spellingen mooj, moje, iets moojs wel voor altijd een mooie droom zal doen blijven. De u in nieuw en eeuw suggereert de bilabiale w, die echter in woest en wolk niet van de labiodentale in weet en wist wordt onderscheiden. Bovendien blijft de u staan, als de uitspraak van de w in verbogen vormen en afleidingen als nieuws en eeuwig labiodentaal wordt. Verder zijn er nog de regels van de analogie en de gelijkvormigheid, waarop ik zoëven doelde, die de vastheid van het woordbeeld moeten verzekeren en ook de morfologische struktuur ten dele zichtbaar maken; ook zij introduceren onfonologische elementen. Zij kodificeren een beginsel dat in oudere spellingfazen eerst geleidelijk was gaan werken, maar dat al in de 18e eeuw door talrijke schrijvers gerespekteerd was.

 

Dat een fonologische of zoveel mogelijk fonologische spelling voor een taal zonder schrijftraditie de beste zou zijn, was of is een axioma, dat voor zover mij bekend is, niet door nader onderzoek bewezen is. Voor het nederlands heeft niemand ooit aan volledige fonologisering van de spelling gedacht. Niet alleen achten velen - overigens ook axiomatisch - de vormvastheid van de lexikale eenheden van zeer groot belang, maar bovendien kan men niet een schrijftraditie van 7 eeuwen en een sinds 90 jaar vigerend, in principe weinig veranderd spellingsysteem opzij schuiven.

 

Vanuit het gezichtspunt van de recente inzichten in de fonologie, die van de t.g.g., heeft men naar voren gebracht, dat een fonologische spelling in de strukturele zin van dat woord, de onderliggende klankstruktuur veelal verduistert en daarom niet als de beste spelling mag gelden. Een spelling die de diepere struktuur laat zien zou ‘over lange tijdsperioden en voor uiteenlopende dialekten beter bruikbaar zijn’, lezen we bij Cohen en Kraak17. Deze konstatering geldt daar met name voor de

[p. 91]

spelling van het engels. Voorshands is dit even onbewezen als het axioma van de voortreffelijkheid van een struktureel-fonologische spelling. Vooral t.a.v. de leerbaarheid is er ruimschoots reden tot twijfel. Het pleit voor de zeer voorzichtige benadering van Cohen en Kraak, dat zij erop wijzen dat er nog te weinig modern fonologisch onderzoek voor het ndl. is verricht om konklusies te kunnen trekken. Wel zeggen zij: ‘Het moet niet uitgesloten worden geacht dat de resultaten van zulk onderzoek allerlei spellingen die grillige, inkonsekwente uitzonderingen werden geacht, doorzichtig en zinvol maken. (Dit slaat natuurlijk niet op de voorkeurspellingen van de Wdl. - D.) Daarmee zou dan natuurlijk niet gezegd zijn dat die spellingen gehandhaafd moeten blijven, maar wel dat ze niet langer als onwetenschappelijk kunnen worden gebrandmerkt, ten gunste van ‘fonologische’ spellingen’18. Dit laatste geschiedt bij mijn weten overigens alleen in de kringen van de VWS.

 

Hoe dit zij, met betrekking tot de bastaardwoorden was het duidelijk dat de gevraagde ‘zo consequent mogelijke opzet in fonologische zin’ zou moeten plaats vinden binnen het onfonologische kader van de ndl. spelling als geheel.

 

Dit is op zichzelf een kompromis dat aan de basis van het gehele komplex van herzieningsvoorstellen ligt, niet alleen van de BWC trouwens, maar ook van de VWS, zij het daar in iets mindere mate.

 

En ook binnen dit kompromis en bij aanvaarding van het regelbeginsel moest en moet vrijwel elke beslissing over een bepaalde herziening als een kompromis van uiteenlopende mogelijkheden tot stand komen. Ik zal trachten dit te laten zien aan de hand van een aantal voorstellen van de BWC.

 

In de eerste plaats richt ik dan uw aandacht op de vaststelling van het bereik van de regels, een belangrijk punt van diskussie. Het ging er daarbij om, kenmerken te vinden, waarmee ‘vreemde woorden’ van bastaardwoorden onderscheiden zouden kunnen worden. Op grond van fonologische kenmerken is dat niet altijd mogelijk. De latijnse leenwoorden bijv. bevatten in de gebruikelijke uitspraak geen fonemen die niet in het ndl. voorkomen. Toch moest omspelling daarvan voorkomen worden, omdat een groot aantal van deze woorden de status van bastaardwoorden niet heeft bereikt. Anderzijds zijn woorden als technicus, elektronicus, musicus door hun algemene bekendheid deel gaan uitmaken van de ndl. woordenschat, zodat spelling met een k aanvaardbaar

[p. 92]

schijnt. Zoekt men echter het kriterium van vreemdheid in onnederlandse morfologische eigenschappen, dan is een spelling van de uitgang -cus met een k niet te verdedigen. Niettemin was in 1963 een spelling kriterium en zelfs kriteria niet vreemd meer. Het is duidelijk, dat iedere beslissing bepaalde wenselijkheden onverwerkelijkt laat.

 

Duidelijke trekken van het kompromis vertoont ook de behandeling van leenwoorden uit het engels. De grote moeilijkheid was dat hierbij de aanpassing aan het fonologische systeem van het ndl. veel minder ver is gegaan dan met de ontleningen uit het frans, die over het geheel genomen ouder zijn. Een woord als airedale is, voor zover het de eerste lettergreep betreft, niet in een ndl. spellingssysteem weer te geven. Hetzelfde geldt voor trawler, bridge, bungalow, board, bar enz. Anderzijds is een aantal huiselijke engelse woorden volkomen aangepast aan de ndl. vokaal- en konsonantuitspraak: bebie, keek, flet, trem, zjem, zjiep. In een dergelijke impasse was er maar een uitweg, die eigenlijk een tweesprong was: de kommissie koos tussen een minimalistische en een maximalistische oplossing. De onmogelijkheid enerzijds om een aantal woorden op bevredigende wijze in een ndl. spellingkorset te dwingen, de gedachte anderzijds dat de kennis van het engels ook bij jonge kinderen zo verspreid is, dat men met omspelling slechts weinigen een dienst bewijst, óók de gedachte dat het gezien de toeneming van het aantal leenwoorden uit het engels niet ongewenst is, deze in hun spelling als engels te kenmerken, leidden hier tot een minimalistische taktiek. Slechts enkele woorden waarvan ook zonder nader onderzoek zichtbaar was, dat ze in zeer ruime kring gangbaar zijn, en enkele woorden die deel hebben aan de ndl. morfologie, zoals trenen - treende - getreend, mochten voor omspelling in aanmerking komen, voorzover althans een of meer van de samenstellende fonemen dat niet belette, zoals bijv. met flirten het geval is.

 

Een minimalistische oplossing is ook gekozen bij de omspelling van de ch, uitgesproken als sj. De herhaalde lezing van de lijst van ch- woorden leidde telkens weer tot de konklusie dat een aantal van deze woorden moest worden uitgesloten van mogelijke vernederlandsing, omdat zij in de standaarduitspraak niet met de nederlandse foneemgroep sj worden uitgesproken, maar met het geronde franse foneem. Daartegenover staat dat sommige ch-woorden behoren tot de basiswoordenschat van zeer jonge kinderen; het zijn o.a. de beruchte woorden chocolade en chauffeur. Het is niet goed in te zien, waarom deze twee woorden tot in lengte van dagen op z'n frans gespeld moeten

[p. 93]

blijven. Vandaar dat de eerste voorstellen voor deze woorden een uitzondering maakten. Zwichtend voor het algemene verzet heeft de kommissie deze uitzondering in de Eindvoorstellen geschrapt en is de ch over de hele linie minimalistisch behandeld. Alleen werd voor het woord sjiek, dat ook in de Woordenlijst al als keuzevorm sjiek naast zich had, uitsluitend de vernederlandste spelling voorgesteld.

 

Misschien spreekt het kompromiskarakter van de voorgestelde herzieningen het duidelijkst bij de spelling van het foneem /ie/.

 

Voor de spelling van dit foneem ligt een radikale oplossing voor het grijpen: het enkele klinkerteken in open lettergreep, ie in gesloten lettergreep. Dat is niet zuiver fonologisch, maar past wel in het ndl. systeem. Het is de oplossing die indertijd is verdedigd door Dr. J. Verschueren S.J. en die wordt voorgestaan door de VWS en de onderwijsorganisaties. Toch is ook deze regeling niet zonder koncessies aan de traditie. Volkomen gelijktrekking van de spelling van de /ie/ met die van de andere vokalen zou inhouden het enkele klinkerteken in open, het dubbele klinkerteken in gesloten lettergreep: zike met één i, ziik met twee i's. Het gebruik van ie in plaats van dubbele i, bij mijn weten nergens expliciet gemotiveerd, is een koncessie aan de traditie, evenals het schrijven van ie aan het woordeinde in plaats van enkele i. Deze laatste uitzondering sloot aan bij de behandeling van de /ee/ aan het woordeinde. Nu is deze te verdedigen met een beroep op de noodzaak om jee en je, mee en me, wee en we, zee en ze, puree en pure, toffee en toffe van elkaar te onderscheiden. Het lijkt niet eens zo'n sterk argument, want zelfs met behulp van Nieuwborg19 waren niet meer dan deze zes minimale paren te ontdekken, maar de regeling voorkomt in elk geval kombinaties die de lezer even in verwarring zouden kunnen brengen. Zinnen als ‘Ga je met me mee’? en ‘Daarop dreef de zee ze uiteen’ zijn ten slotte reële mogelijkheden.

 

Bij spellingen als di, wi dri, kni zijn dergelijke aanleidingen tot aarzeling bij het lezen niet mogelijk. Toch geloof ik, dat het behoud van de traditionele ie aan het eind van deze woorden aanbeveling verdient. Breuken met de traditie die niet beslist noodzakelijk zijn, dienen vermeden te worden. Het bezwaar is echter dat die, wie enz. ook de bastaardwoorden anti, demi, januari enz. meeslepen, omdat een regel die het nodig zou maken, dat de taalgebruiker onderscheid maakt tussen ndl. woorden en bastaardwoorden, aan de gemiddelde taalgebruiker een te hoge eis stelt.

 

De kommissie Pée-Wesselings heeft de traditie nog hoger gewaardeerd

[p. 94]

en wilde de ie in Pieter, gieter, bedienen enz. niet prijsgeven, evenmin als de ie in de verbogen vormen van de woorden op ie + konsonant: iek, ies, iet, iem enz.: antieke, logiese, naieve enz. Een en ander leidde tot een ingewikkelde regeling, waarmee de kommissie zelf niet gelukkig was en die duidelijker dan welke andere regel een kompromiskarakter vertoont. Dit was niet onontkoombaar, zal men zeggen en terecht, maar ik meen te hebben aangetoond, dat zelfs de radikale regeling van Verschueren niet voor 100% kompromisloos is.

 

Nog een laatste woord over de /ie/. Op de enquêtevraag of men voor of tegen de omspelling van -isch in -ies was - een vraag die door 24 deelnemers met ja is beantwoord - reageerde één inzender met de mededeling: ‘Nee, dan tenminste krieties’. Wil dit zeggen, dat deze inzender overal ie zou willen schrijven, zonder enig voorbehoud? Heeft hij de konsekwenties zich daarvan in letterlijke zin voor de ogen gesteld? En acht hij die konsekwenties aanvaardbaar? Heeft hij andere mogelijkheden overwogen en zijn die alle verwerpelijk? Het zijn vragen waarop elk antwoord ontbreekt, en u zult dan ook begrijpen dat zo'n spontane reaktie weinig bijdraagt tot verheldering van de problematiek, om van een oplossing niet te spreken.

 

Ik stap nu van de bastaardwoorden af en vraag ten slotte nog uw aandacht voor twee hete hangijzers in ons spellingsysteem: de spelling van de tweeklanken /ei/ en /ou/ en de werkwoordsspelling.

 

Van het standpunt van de strukturele fonologie kan er geen twijfel aan bestaan, dat elk van beide tweeklanken door één teken zou moeten worden voorgesteld. De moeilijkheden die het onderwijzen van de huidige spelling biedt, zijn genoegzaam bekend. Waarschijnlijk zijn ze voor de /ei/ groter dan voor de /ou/. Zelfs Kruyskamp, de geharnaste tegenstander van elke wijziging in de spelling, heeft dit - laat ons zeggen in een ogenblik van zwakte - toegegeven. Hij schreef in Levende Talen dat het onderscheid van de spelling met ei of ij ‘een reële moeilijkheid’ is; de opheffing daarvan zou slechts in het verlengde liggen van de opheffing van het onderscheid e/ee, o/oo...’20. Hij zou echter de oplossing willen vinden in een nieuw grafeem, niet in de afschaffing van hetzij de ei, hetzij de ij. Hij schreef dit in 1968. In 1972, in een bijdrage aan het boekje van Craeybeckx echter, blijkt zijn standpunt weer verhard te zijn. Hij bepleit daar de spelling uitweiden, omdat ‘alleen de etymologisch juiste schrijfwijze met ei tot het besef van de eigenlijke betekenis en dus het juiste gebruik kan voeren’21.

[p. 95]

Mijn ervaring heeft mij anders geleerd. Er zijn talloze leerlingen bij het m.o. en ook talloze ouderen die het woord uitweiden perfekt kennen, het in de juiste betekenis hanteren, maar het fout schrijven. Pas als ze de etymologie kennen, begrijpen ze waarom dit woord met ei geschreven moet worden. De spelling voert ze niet tot de etymologie, ze hebben de etymologie nodig om het woord te kunnen spellen en die etymologie is voor het juiste begrip en gebruik van het woord uitweiden evenmin nodig als voor welk ander woord dan ook. Kruyskamp voorziet trouwens nog ernstiger gevolgen. ‘Als men straks volgens hun systeem zou moeten schrijven ‘Hij lijt een kommervol bestaan’, dan vinden zij (d.z. de ‘spellingsaneerders’ - D.) het helemaal niet erg dat dan 8 van de 10 kinderen dit zullen associëren met het werkwoord dat nu als lijden, in onderscheiding van leiden, gespeld wordt’22. Nu doen 8 van de 10 kinderen dat op het ogenbik ook al en daarom schrijven ze: ‘Hij lijdt een ongelukkig leven’ nu ook al met een ij en staan ze verwonderd als de dikteezin luidt: ‘Hij 1-dt een gelukkig leven’, want lijden en gelukkig horen niet bij elkaar. De onderwijzer, spellingsaneerder of niet, haalt er dan de verleden tijd bij en bereikt daarmee, dat misschien 6 van de 10 kinderen in het vervolg en zolang het nog moet, een ei schrijven. Die verleden tijd moet er ook bij vervanging van de ei door een ij bijgehaald worden, maar niet met de bedoeling om daarmee een spelling te verklaren, maar uitsluitend om een taalfeit te demonstreren. Maar genoeg hierover; het ontzenuwen van slecht doordachte bezwaren tegen spellingherziening is een weinig aantrekkelijk tijdverdrijf.

 

Het zal u bekend zijn, dat de bastaardwoordencommissie afwijzend heeft geadviseerd; zij achtte de sanering van de /ei/-spelling een te ernstige inbreuk op de schrijftraditie. Wel heeft zij geadviseerd om, áls men tot wijziging zou overgaan, de keuze te laten vallen op de ij. Dit heeft hier en daar verwondering gewekt en ook onder u hebben 7 inzenders van antwoorden op de enquête de omgekeerde wijziging voorgesteld. Een veel gehoord argument is, dat de ei de uitspraak beter zou weergeven. Ik geloof niet, dat dat enig gewicht in de schaal kan leggen. Geen enkel letterteken geeft op enigerlei wijze de klank weer die het voorstelt. Het verband tussen teken en klank is volslagen willekeurig en komt alleen tot stand door de voortdurende associatie. Voor de kommissie Pée-Wesselings heeft gegolden, dat de ij een aanmerkelijk frequenter teken is dan de ei. Het door haar ingestelde onderzoekje werd bevestigd door een op ruimer schaal verricht onderzoek van H. Brandt Corstius, die in een statistisch betrouwbaar aantal woorden in krantetaal 2,4 % woorden met ei en 6,8 % met ij vond23. Het spellingbeeld

[p. 96]

in zijn totaliteit zou dus sterker worden aangetast bij afschaffing van de ij dan bij afschaffing van de ei. Een tweede belangrijk argument staat wat verborgen in een enkele zinsnede van het rapport: ‘Visueel heeft de keuze van ij in plaats van ei het voordeel dat het letterteken markanter is en daardoor het snel overzien van de tekst vergemakkelijkt24. Het is namelijk een van de zes tekens die onder het regelkorpus uitsteken en van die 6 zijn er nog twee, de q en de y, met geringe frekwentie. De ij biedt dus bij het overzien van de tekst een steunpunt voor het snel lezende oog. Later hebben Cohen en Kraak op het belang van dit punt eveneens gewezen, door te schrijven: ‘Het kan daarom van belang zijn als een spellingwijziging op het punt van de woordkontour ingrijpt in het woordbeeld, zoals bij vervanging van ij door ei25.

 

Ook hier blijven op een gegeven moment de argumenten naast elkaar staan en zullen de partijen tot een akkoord moeten komen. Dan zal een van beide met water in zijn wijn of in zein wein genoegen moeten nemen.

 

Bij een eventuele herziening van de spelling van het foneem /ou/ moet een gelijksoortige keuze gemaakt worden. De BWC heeft ook hier een wijziging afgeraden, maar wel geadviseerd de au te verkiezen in geval men toch tot een wijziging zal besluiten. In de antwoorden op uw enquête verdedigen 8 inzenders de ou op grond van argumenten die ik niet alle begrijp. Een van die argumenten begrijp ik in elk geval wel; het is een kwantitatief argument: ‘er zijn nu veel meer woorden met ou’. Dit is inderdaad juist; volgens de telling van Brandt Corstius is de verhouding van de woordtekens met ou tot die met au ongeveer als 4: 126. Dit is ongetwijfeld een signifikant verschil en er zou alle reden zijn om de keuze op de ou te bepalen, tenminste als beide tekens kwalitatief even goed zouden voldoen. Immers, als een van de twee tekens ongeschikt is voor de funktie die het moet vervullen, of aanmerkelijk minder geschikt dan het andere, zal de keuze, ongeacht de kwantitieve argumenten, toch op het meest geschikte teken moeten vallen. De moeilijkheid is nu, dat de au in een vrij groot aantal woorden thans een dubbele klankwaarde heeft: die van /oo/ en die van /ou/. Het zijn woorden als oto naast outo; odiëntie en oditeren naast ouditeren en ouditie; otomaat naast outomaat; oteur naast outeur; restoratie naast restouratie enz. De ou is door zijn hechte binding aan de klankwaarden /ou/ en voor bastaardwoorden /oe/ ongeschikt om de funktie van /oo/-teken op zich te nemen. De enige uitweg zouden

[p. 97]

dubbelvormen moeten zijn: outo en oto, al naar men het woord uitspreekt. De een zal dit ernstiger vinden dan de ander, maar van degenen die herziening van de /ou/-spelling wensen, zal één partij genoegen moeten nemen met het kompromis: wél herziening, maar níet het geprefereerde teken.

 

De tegenstelling tussen de strukturele en de t.g. fonologie komt met betrekking tot de spelling van het ndl. het sterkst naar voren bij de schrijfwijze van de werkwoordsvormen. Het is buiten kijf dat hier een leerbaarheidsprobleem van de eerste orde mee verbonden is. Kollewijn had een merkwaardig optimistische kijk op deze zaak. ‘Dat men schrijft: ik red met een d, hij redt met dt, schoon wij in beide gevallen uitspreken ret, wij hebben er niets tegen: de moeite om te onthouden dat de derde persoon van de onvoltooid tegenwoordige tijd een t achter de stam krijgt en de eerste niet, is zo gering, dat wijziging van de algemeen gebruikelijke spelling hier overbodig is’27.

 

Later heeft I. van der Velde in zijn dissertatie De tragedie der werkwoordsvormen (1956) wel een andere visie op de zaak gegeven. In dit boek schoof hij de gedachte aan een spellingswijziging nog op de achtergrond; in eerste instantie pleitte hij voor een betere didaktiek, met name voor een later begin met het onderwijs in de werkwoordsvormen. Ook Cohen en Kraak denken in deze richting.

 

Het komt mij echter voor, dat men zich, voordat men iemand iets wil gaan leren, moet afvragen of het zin heeft om het hem te onderwijzen. Ook bij een veranderde didaktiek zal het onderwijzen van de bestaande ww. spelling tijd kosten. Is dat nuttig bestede tijd? Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van het gekozen uitgangspunt. Baseert men zich op de strukturele fonologie, dan zal het niet moeilijk vallen aan te tonen of althans aannemelijk te maken, dat de informatie die de lezer krijgt van dt en dd vrijwel altijd overbodig is. Was dat niet het geval, dan zouden we trouwens nogal moeilijk zitten met de werkwoorden die een infinitief hebben met een t of een d voor de uitgang. De BWC heeft dan ook, redenerend vanuit dit standpunt, een herziening van de ww. spelling geadviseerd.

 

De meest principiële kritiek hierop is gekomen van Van den Berg in zijn artikel Grammaticaregels en spellingregels . Ik acht deze kritiek het meest principieel, omdat Van den Berg een andere wetenschappelijke konceptie als basis neemt, nl. die van de t.g.g. Het voordeel van de

[p. 98]

huidige spelvormen van de ww. is volgens hem, dat ‘deze bijna geheel overeenstemmen met de onderliggende vormen waarvan, blijkens de voorgaande bladzijden, een generatief model moet uitgaan’28. Men kan het eens zijn met zijn opmerking dat deze spelling een produktief proces in de ndl. taal zichtbaar maakt. Men kan het ook met hem eens zijn, dat daarmee ‘aan het kijkend oog een praktische informatie (wordt geboden) voor de interpretatie van de werkwoordsvormen’, maar hij laat onbewezen dat deze informatie onmisbaar zou zijn of op nuttige wijze redundant.

 

Voor hen die op dezelfde gronden als Van den Berg of om minder duidelijke redenen de ww. spelling willen houden zoals die is en het probleem voorshands aan de onderwijskundigen toeschuiven, is de zaak hiermee afgedaan, en afgedaan zónder kompromis.

 

Zo is het niet voor hen die het aanleren van de bestaande ww. spelling een nutteloze bezigheid achten en deze spelling daarom willen vereenvoudigen. Zij staan voor de keuze of ze ik antwoort met een d of een t willen schrijven en die keuze hangt uiteraard samen met de regel van de gelijkvormigheid. Op dit punt vindt de kommissie Pée-Wesselings de organisaties die elkaar destijds in de Aksiegroep hebben gevonden, tegenover zich. De BWC koos voor handhaving van de gelijkvormigheid, over de hele linie. De Aksiegroep koos voor een fonologische spelling van de eind-t, eveneens over de hele linie. Ze was echter niet zo radikaal, dat ze ook voor de eind-b en -g de gelijkvormigheid wilde opheffen; deze letters mochten b en g blijven. Alweer een oplossing met een kompromis.

 

Dames en heren,

 

het was mijn bedoeling u een aantal facetten van de problematiek van spellingherziening te laten zien om daarmee de ingewikkeldheid van verschillende vraagstukken duidelijk te maken. Het is mijn overtuiging dat een ingreep in de Woordenlijst 1954 noodzakelijk is, wanneer we een redelijke mate van spellingeenheid willen behouden. Het is ook mijn overtuiging, dat zeer vooruitstrevenden en gematigden op een aantal punten met elkaar tot overeenstemming moeten komen en bereid moeten zijn elkaar in kompromissen te vinden. Maar ook wie tegen spellingwijziging is, zal moeten begrijpen dat de autoriteit van de Woordenlijst danig verzwakt is. Het opgeven van de voorkeurspellingen en het aan-

[p. 99]

vaarden van een aantal vormen waarvan de Woordenlijst zelfs nog niet heeft gedroomd, lijkt wel het minste wat zal moeten gebeuren. Dat is het kompromis waarmee hij eventueel genoegen zal moeten nemen.