|
|
|
| |
| | | |
De onontkoombaarheid van het kompromis door Dr. B.C. Damsteegt
Rijksuniversiteit Leiden
Toen ik de secretaresse van uw kongres de titel van mijn voordracht mededeelde,
nu twee of drie maanden geleden, verkeerde ik in de veronderstelling dat ik deze
later nog met een ondertitel zou kunnen aanvullen. Zonder ondertitel is de
woordgroep die thans in het programma voor of achter mijn naam staat, ál te
weinig zeggend. Kompromissen worden op ieder terrein gesloten en dat ze soms
onontkoombaar zijn, heeft ieder wel eens ervaren, zeker iedereen die onderwijs
geeft en met nog meer zekerheid iemand die onderwijs geeft in het ndl. aan
buitenlanders. Ik wil daarom beginnen met het terrein waarop het woord kompromis
hier betrekking heeft, te begrenzen tot dat van de nederlandse taalkunde en, nog
nauwer afgebakend, tot dat van de spelling.
Het was mij bekend, dat het bestuur van de IVN onder zijn leden een enquête had
gehouden over de verschillende voorstellen en ideeën over spellingwijziging,
maar toen ik, mede daarom, mijn keuze op dit onderwerp bepaalde, wist ik nog
niet, dat van de 260 docenten slechts 40 antwoorden waren binnengekomen,
ongeveer 15%. Dit wijst niet op een grote aktieve belangstelling voor
spellingvraagstukken en de wens, in een van de antwoorden uitgesproken: ‘Graag
een spellingdag op het 5de Colloquium’ biedt maar weinig tegenwicht, zolang het
de wens van een enkeling is. Misschien had ik het bestuur moeten berichten, dat
ik onder deze omstandigheden maar van het woord zou afzien of had ik een ander
onderwerp moeten kiezen, maar het bleek me uit sommige reakties op de enquête,
dat ook in uw kring op meer dan één punt verduidelijking van de problematiek van
nut kan zijn. Ik verwacht die, eerder dan van mijn voordracht zelf, van de
diskussie, die naar ik hoop, daarop zal volgen. Punten waarop wij met elkaar van
mening kunnen verschillen, zijn er te over.
Ook buiten uw kring is de aandacht voor de spelling minder manifest. | | | | Nu het gevaar dat de Belgische en Nederlandse regering een voorstel tot
spellingwijziging zouden indienen - in België moet daarvoor de Vlaamse
Kultuurraad worden ingeschakeld, in Nederland het parlement - niet meer akuut
is, is de polemiek in kranten en periodieken vrijwel verstomd. Een enkel
ingezonden stuk trok onlangs in de NRC nog mijn aandacht, omdat de schrijfster,
een Belgische, zich maar nauwelijks kon voorstellen, dat de voorstanders van de
spelling kultuur daarvoor andere dan nazistische motieven
hebben en juist zaterdag jl. bond een voorstander van spellingherziening nog
eens de strijd aan met de journalist K.L. Poll, een geduchte tegenstander ervan.
Maar dit zijn thans uitzonderingen, terwijl enige jaren geleden de knipselkrant
van het ministerie van O. en W. met spellingstukken volstond. De Aksiegroep
Spellingvereenvaudiging 1972, opgericht met het doel in een jaar tijds het
minimumprogramma1 van de ANOF, de VON,
de VWS en de sektie Nederlands van Levende Talen dicht bij de verwezenlijking te
brengen, heeft zich aan de gestelde termijn gehouden en zich in het begin van
dit jaar opgeheven zonder het gestelde doel bereikt te hebben.
De laatste grote ondernemingen waren het spellingnummer van De
Gids in het voorjaar van 1972, de verzamelingen brieven en uitspraken
over de spelling die door Craeybeckx gepubliceerd is,
een artikel van Drs. J.H.L. Mols, een artikel van
W. Couvreur en een boekje van Cohen en Kraak. Over elk hiervan een
enkel woord.
De redaktie van De Gids laat voor- en tegenstanders aan het woord. Het nummer
opent met een historisch opgezet artikel kontra van Stuiveling, dat besloten wordt met 10 deels provocerend
geformuleerde stellingen. Stutterheim, zoals altijd
gedistantieerd en zakelijk over de spellingkwesties oordelend, heeft
Beschouwingen over orthografie en orthografitis
bijgedragen. Gerlach Royen had de ziekte
ontdekt en een naam gegeven. Stutterheim beschrijft de symptomen als volgt: ‘De
orthografitis is een ziekte, die op den duur epidemische vormen aanneemt; die
godsdienstige, politieke en andere groeperingen en ook min of meer loslopende
individuen aantast en hen dwingt, met behulp van een boek, een brochure, een
artikel of een ingezonden stuk over de spelling, agressieve driften uit te leven
en domheid, kwade trouw, haat en blinde bezetenheid tot uitdrukking te brengen.
Soms openbaren de symptomen zich plotseling middenin een overigens rustig en
redelijk betoog. Dan begint de patiënt tussen taal en spelling wild heen en weer
te springen of vertrapt alles tot een onaangename brij. Dan heeft het beginsel
van de toereikende grond geen enkele macht meer over zijn | | | | geest en
is hij vergeten dat men alvorens zijn mening aan het papier toe te vertrouwen
iets onderzocht en over iets nagedacht moet hebben’2. Het artikel dat
W.F. Hermans aan dit nummer heeft bijgedragen,
doet duidelijk blijken dat ook de zeer intelligenten niet immuun zijn voor de
bacillen die Royen en Stutterheim hebben ontdekt. Met de vermelding van een
helder geschreven beschouwing van Annie
Romein-Verschoor, die een aantal argumenten tegen herziening aan een
rustige kritiek onderwerpt, en twee informatieve artikelen over de spelling van
het engels en het duits moet ik volstaan. Ik heb u misschien toch al te lang
bezig gehouden met een publikatie die althans velen van u wel gelezen zullen
hebben.
In 1972 ook mengde de Antwerpse burgemeester Lode Craeybeckx zich plotseling in
de spellingstrijd. Op het terrein van taal en spelling is hij, voor zover ik kan
nagaan, volslagen onkundig, maar het gezag van zijn leeftijd en zijn lange
politieke loopbaan én zijn energie en organisatievermogen maken hem blijkbaar
óók in spellingzaken tot een graag gevolgde leider. Hij slaagde erin
getuigenissen te verkrijgen, tezamen een 150 bladzijden druks, van tegenstanders
van de spellingherziening, die voor het merendeel hun ondeskundigheid op gênante
wijze aan het licht brengen3. Een
enkele bijdrage die een genuanceerd standpunt tot uiting brengt of een redelijke
argumentatie bevat, staat er wat verdwaald tussen. Voor het overgrote deel zijn
het emotionele uitingen, die een uitgebreide scala te zien geven van de
symptomen van de orthografitis. Marc Galle heeft voor
het boekje, dat getiteld is Sluipmoord op de
spelling, een Ten geleide geschreven, dat hij
besluit met de zin: ‘Dat Lode Craeybeckx erin is geslaagd een grote meerderheid
voor zijn actie te winnen, strekt hem tot eer’4. Ik laat deze zin, gezien het gehalte van de meeste bijdragen, voor
wat hij is, maar ik kan niet nalaten op te merken dat het Craeybeckx allerminst
tot eer strekt, dat hij de overleden taalkundige J.A.
Meijers, vroeger medewerker aan De Groene, door het
citeren van enkele uitlatingen over het verschil in woordgebruik tussen Noord-
en Zuid-Nederland ook onder zijn bondgenoten rangschikt5. Wie maar iets van de publikaties van Meijers over de
spelling heeft gelezen - ik noem alleen zijn boek
Het spellingdrama
6
- weet dat hij voor de Sluipmoord van Craeybeckx geen goed
woord over zou hebben.
Ik acht mij ontslagen van de taak uitvoeriger op deze publikatie in te gaan,
omdat Prof. W. Couvreur uit Gent dit al heeft gedaan
in een zeer grondig artikel in
Wetenschappelijke Tijdingen
7. Dit
artikel is meer dan een recensie: Couvreur geeft een gedegen gedokumenteerd | | | | overzicht over de werkzaamheden op het terrein van de spelling,
hoofdzakelijk sinds de instelling van de Nederlands-Belgische Commissie voor de
spelling van de bastaardwoorden8 in 1963. Hij stelt daarin
ook een aantal niet, of slechts aan zeer weinigen, bekende feiten vast met
betrekking tot de adviezen die in België door de beide Vlaamse akademies over
het werk van de BWC zijn uitgebracht. Het is vooral daardoor een publikatie
geworden die niemand die zich in de spellingzaken goed wil oriënteren, kan
overslaan.
Dit laatste geldt trouwens ook voor het artikel van Drs. J.H.L. Mols,
De samenwerking tussen Nederland en België op het gebied van de
spelling
9. De
auteur, de thans overleden sekretaris van de BWC, had toegang tot alle officiële
stukken en beschikkingen en heeft daarvan gebruik gemaakt om de politieke
geschiedenis van de spelling te beschrijven van het eind van de 18e eeuw af. Op
de problematiek van de spelling gaat dit artikel echter niet in.
Dat is anders met de brochure die A. Cohen en A. Kraak onder de repeterende titel
Spellen is spellen is spellen
10 in het licht hebben
gegeven. Zij pleiten voor wetenschappelijk onderzoek van de relaties tussen
gesproken en geschreven taal en tussen de spellingmoeilijkheden en de
spellingdidaktiek. Eerst als in voldoende mate onderzoeksresultaten beschikbaar
zijn, kan een verantwoorde beslissing over de spelling tot stand komen, menen
zij. In het vervolg van mijn voordracht zal ik nog meermalen naar deze
publikatie verwijzen.
In 1973 heeft er rust geheerst op het terrein van de spelling, een rust die het
nog steeds verschijnende blaadje van de VWS niet kan verstoren. De
onderwijsorganisaties hebben blijkbaar andere zaken aan het hoofd gehad en
trouwens, tijdens perioden van ministerwisseling en kabinetsformaties heeft het
geen zin de kwestie van de spellingherziening naar voren te brengen. Bovendien
vragen tal van andere moeilijkheden de aandacht van de betrokken ministers, als
ze eenmaal op hun post zitten en zolang ze daar zitten. In dit opzicht is het nu
een gunstig ogenblik om in alle rust de zaken nog eens te overwegen. Van de
veelheid van aspekten die daarbij in beschouwing genomen kunnen worden, zal ik
er in het volgende slechts enkele onder uw aandacht kunnen brengen. Daarbij zal
ik u geen verslag kunnen uitbrengen van recent wetenschappelijk onderzoek, omdat
mij daarvan niets bekend is. Het wordt een bespreking van een aantal
kontroversiële punten, zoals die zich voordoen aan iemand die zich in de
praktische mogelijkheden van | | | | spellingvereenvoudiging verdiept. Het
zijn, als ik het zo zeggen mag, mededelingen uit het veldwerk op het terrein van
de spelling. U zult mij daarbij ten goede willen houden, dat ik mijn verleden
als lid van de BWC - een onafgesloten verleden trouwens - niet kan vergeten. Dit
wil echter niet zeggen, dat u een pleidooi voor of tegen te wachten staat.
Liever dan een bepaalde mening te verkondigen wil ik de problematiek
uiteenzetten. Daarbij zal ik graag ingaan op een aantal antwoorden en reakties
op de enquête van uw bestuur. De meningsvorming laat ik daarna aan u zelf over.
Een van de eerste vragen die men zich stellen moet, is of het wel wenselijk is
tot spellingverandering over te gaan, want hoe men het ook beziet:
spellingwijziging is altijd een ernstige ingreep. Uit het verleden is genoegzaam
bekend, welk een stortvloed van emotionele reakties er los komt. Bovendien
brengt een enigszins ingrijpende spellingwijziging voor de gemeenschap als
geheel grote kosten met zich mee. Men zal zich daarom altijd moeten afvragen, of
de voordelen tegen de nadelen opwegen.
Zoals gewoonlijk is de drang tot spellingherziening uitgegaan van het onderwijs
en wel zeer spoedig na het verschijnen van de Woordenlijst 1954 (het ‘groene
boekje’)11. Het ging hierbij toen nog uitsluitend om
wijzigingen in de spellingregeling van de bastaardwoorden en om de schrijfwijze
van de tussen-n en-s in samenstellingen. De
regeling van de Woordenlijst bleek voor het onderwijs en met name voor het lager
onderwijs, te veel moeilijkheden met zich te brengen. Dat deze regeling weinigen
bevredigt, kan ook thans nog worden vastgesteld. Van de 40 leden van uw
vereniging, die op de enquête hebben geantwoord, geven er 33 een negatief
antwoord op de vraag, of zij de thans geldende spelling, die van het groene
boekje, gehandhaafd willen zien. Stuiveling, die bepaald niet van sympathie voor
spellingwijziging verdacht kan worden, noemt in De Gids de spelling van de
bastaardwoorden, zoals die in de Woordenlijst 1954 voorkomt ‘een arbitrair
systeem dat wetenschappelijk onhoudbaar en maatschappelijk onbruikbaar is, een
indeling in vier groepen: woorden met alleen vernederlandste spelling; woorden
met bij voorkeur vernederlandste spelling maar desgewenst de oorspronkelijke;
woorden met bij voorkeur de oorspronkelijke spelling maar desgewenst de
vernederlandste; woorden met alleen de oorspronkelijke spelling. En dit alles
niet als een richtlijn voor de goegemeente, maar als een verplichting voor
ambtenaren en docenten. Wie het goed wil doen, althans in functie, moet om de
haverklap het groene boekje | | | | te hulp roepen’12. Het is overigens een daad van eenvoudige
rechtvaardigheid, hier vast te stellen dat de Woordenlijstcommissie niet
schuldig staat aan de verplichting tot het gebruik van de voorkeurspelling; die
is ingesteld door de ministers van onderwijs. Zelfs Craeybeckx moet erkennen:
‘Het enige wat uit alle debatten die plaatshadden als een positief gegeven naar
voren schijnt te komen is het unanieme verlangen dat de spellingvormen die het
“groene boekje” aan de vrije keus heeft overgelaten, zullen worden vervangen
door een terdege verantwoorde eenheidspelling’13. Terloops zij opgemerkt dat hij dit laatste woord met
één s schrijft, wat bepaald niet terdege verantwoord is.
In ons land waren zeer velen al veel eerder deze mening toegedaan. Het besef dat
de Woordenlijst met de daaraan gekoppelde verplichting tot het gebruik van de
voorkeurspelling voor het onderwijs geen zegen was, werd zeer snel levendig. Het
was voor kritisch denkende leerlingen niet aanvaardbaar, dat spellingen die zij
in hun woordenboek konden vinden en in boeken of kranten - daarin op de
advertentiepagina's, want de redakties sloten zich bij de voorkeurspelling aan -
lezen konden, op een examen fout gerekend konden worden. Er is op gewezen dat er
ook vóór 1954 keuzevormen voorkwamen, philanthroop naast filantroop, rhythme naast ritme, maar dit
betrof slechts enkele grafemen in een gering aantal woorden.
Gevolg gevende aan de aandrang van de zijde van de onderwijzersorganisaties
zetten de Nederlandse en de Belgische regering in 1956 de eerste
bastaardwoordenkommissie aan het werk, voor België onder voorzitterschap van De
Vos, voor Nederland onder het mijne. De kommissie kreeg een beperkte opdracht:
zij moest nagaan ‘welke bastaardwoorden in aanmerking komen om op de scholen,
zowel in België als in Nederland, uitsluitend in de progressieve spelling te
worden geschreven’. De Woordenlijst was echter sacrosanct; er mochten geen
veranderingen in aangebracht worden, geen keuzevormen geschrapt geen nieuwe
vormen opgenomen. Het gezag ervan was nog vrijwel onaangetast en het was in die
tijd nog ondenkbaar dat een nieuw reisbureau een lichtreklame op z'n gevel zou
plaatsen met het woord reisburo, zoals ik kort geleden zag, om
daarmee twee dure letters en kostbare ruimte te sparen. Ieder kan dit toevallige
voorbeeldje trouwens met talrijke aanvullen en niet alleen uit de geschriften
van maatschappijkritische groeperingen.
De kommissie Damsteegt-De Vos diende na een jaar een
rapport in, waarover ik straks nog een enkele opmerking zal maken, dat niet de
| | | | goedkeuring van de vaste kommissie van advies kon verkrijgen.
Het probleem werd terug verwezen naar de Woordenlijstcommissie.
Daar heeft men toen nagegaan of het niet mogelijk was de zaak te redden met een
simpele ingreep in de Woordenlijst. Het is een denkbeeld dat later ook nog is
geopperd door sommigen die meenden dat de situatie zoals die nu nog bestaat,
onhoudbaar is, maar die tegenstander zijn van een ver gaande herziening van de
spelling van de bastaardwoorden. Men denkt dan aan hetzij het mechanisch
schrappen van alle keuzevormen, zodat alleen de zg. voorkeurspellingen zouden
overblijven, onverschillig of deze nu konservatief dan wel progressief zijn,
hetzij aan het konsekwent voorschrijven voor onderwijs en ambtelijk gebruik van
de thans in de Woordenlijst voorkomende progressieve vormen. Beide mogelijkheden
zijn onderzocht door de Woordenlijstcommissie en beide zijn ze als onuitvoerbaar
verworpen.
De oorzaak daarvan ligt in de Woordenlijst zelf en in het bijzonder in de
omstandigheid dat de voorkeursvormen zijn aangewezen op grond van kriteria die
onvermijdelijk tot een onberekenbare grilligheid moesten leiden. Het is eveneens
volslagen onberekenbaar, waarom bij het ene woord wel een vernederlandste vorm
is opgenomen en bij het andere niet. Ik wil dit met enkele voorbeelden
toelichten.
Het eenvoudig schrappen van de keuzevormen zou leiden tot tegenstellingen als de
volgende:
| classicisme naast klassiek, klassikaal |
| cartotheek naast karteren |
| demarcatie naast demarkeren |
| quantum naast kwantiteit |
| catalogus, catastrofe naast katalysator,
katalyse |
| direct, directie, reductie naast produkt,
produktie |
| compleet naast komplot |
| coloratuur naast koloriet en
kolorist. |
Bovendien zou dit procédé elke voortgezette vernieuwing verhinderen en talrijke
in de laatste jaren geaccepteerde spellingen van het type direktie,
reklame, reduktie, kultuur enz. onmogelijk maken.
Schrapping van alle konservatieve spellingen leidt eveneens tot onaanvaardbare
diskrepanties. Kanneleren zou naast cannelure komen te staan, klementie naast clematis. Konrektor zou met k's moeten, maar doctor met een c. Het zou koepon zijn naast couperen; kureren zou | | | | met een k moeten, maar curator niet; kuratele daarentegen weer wel.
Zo zou ook naast kanonizeren met een k canon
met een c blijven staan. Samenstellingen met contra (contrabas, contrapunt) zouden een c krijgen,
maar de verborgen samenstelling kontrole een k, evenals trouwens kontrariëren en de samenstellingen
met kon-. Op de laatste zouden de via het Frans ontleende
woorden concubine, conclave en enkele andere weer een
uitzondering vormen, evenals trouwens conform en conformist. Queue (‘rij’) zou gehandhaafd blijven naast (biljart) keu; quitte zou echter plaats maken ten gunste van kiet, hoewel acquit niet als ‘akkiet’
geschreven zou mogen worden. De spelling kado zou weer
verdwijnen.
Als we even van de c/k-woorden afstappen, zien we dat koeplet
en koepon met oe geschreven zouden worden,
maar retour en het subst. retourtje met ou. Parkoers en vermoet zouden een oe krijgen, route en routine echter ou houden.
Mysterie zou met y geschreven moeten worden,
maar ritme en sillabe met i; dynamo en gymnastiek met y, maar giroskoop met i;
timpaan zou een i krijgen, maar xylofoon blijft met y.
Al deze betrekkelijk willekeurig gekozen voorbeelden maken wel begrijpelijk, dat
de genoemde kommissies voor een normalisatie of ‘omkering’ van de Woordenlijst
terugdeinsden.
Er is natuurlijk nog een ander alternatief: dat van de volkomen vrijheid van
spelling van de bastaardwoorden. Dit wordt echter door slechts weinigen als
ideaal gezien. Het zou tot verwarring leiden als iedere ambtenaar zijn eigen
keuze zou doen uit de hem ten dienste staande mogelijkheden en vooral als iedere
school of misschien ook een individuele leraar of onderwijzer zijn eigen
modifikaties zou gaan onderwijzen. Een terugkeer tot spellingeenheid kan alleen
worden bereikt door een herziening van de Woordenlijst 1954 en of deze kan
wachten tot na jaren en jaren wetenschappelijk onderzoek enige resultaten heeft
opgeleverd, is een vraag van onderwijsbeleid en - niet te vergeten - helaas ook
van politiek beleid.
Sommigen uwer hebben in hun beantwoording van de enquête spellingwijziging
afgewezen, omdat die het internationale prestige van het ndl. zou schaden. Dit
geldt dan in het bijzonder het prestige dat onze taal geniet bij franstaligen.
Ik citeer een van de opmerkingen: ‘Men maakt | | | | zich voor veel
buitenlanders, met name Fransen, belachelijk door telkenmale spellingwijzigingen
door te voeren. Dat vereenvoudigingen de beheersing van de spelling hebben
verbeterd is nooit aangetoond. Men late zich niet indoctrineren en manipuleren
door anti-autoritaire tendensen’. De woordkeus van de laatste zin lijkt mij een
fraai voorbeeld van manipulerend taalgebruik, maar daar ga ik maar niet op in.
Wat de tweede bewering betreft, nl. dat het niet aangetoond is dat
vereenvoudigingen de beheersing van de spelling hebben verbeterd, zou ik de
schrijver toch wel willen vragen zich eens in te denken in de situatie van voor
1936, toen de spelling De Vries en Te Winkel nog in volle vigeur was, behoudens de buiging
van een, mijn enz. Hij zal dan toch moeten toegeven, dat het
aantal mogelijkheden om fouten te maken, aanmerkelijk groter was. En waar fouten
gemaakt kúnnen worden, wórden ze ook gemaakt. Niet alleen door schoolkinderen.
Ter staving van deze bewering mag ik wel verwijzen naar Gerlach Royens
Romantiek in het spellingtournooi
(Nijmegen 1949), die herhaaldelijk fouten van vurige voorstanders van
De Vries en Te Winkel signaleert14. Maar
voor het overige kan ik op de stelling van het prestigeverlies slechts
vragenderwijs antwoorden. Zou het prestige van het ndl. bij franstaligen wel
zoveel groter zijn, als we nog steeds integraal De Vries en Te Winkel schreven,
inklusief de buigings-n dus? Is de spellingwijziging niet een stok om de hond te
slaan? Voor objektieve beoordelaars zal het prestige van een taal afhankelijk
zijn van zaken van wezenlijk belang: van de literatuur die in en door die taal
gestalte heeft gekregen, van de kultuur die erdoor verbreid is. Mij dunkt dat
men zich onderwerpt aan doktrinaire en autoritaire tendenzen die aan het moderne
Frankrijk helaas in andere zaken niet vreemd zijn, als men een spellingwijziging
niet op haar eigen verdiensten beoordeelt, maar deze afwijst op grond van
reakties van het buitenland, reakties die in het algemeen even irrationeel zijn
en ondeskundig als vele in het eigen land.
Na het rapport van de kommissie Damsteegt-De Vos en de daarop volgende rapporten
van de vaste kommissie van advies en de Woordenlijstcommissie - we zijn dan in
1957 - was het wel duidelijk, dat de praktische moeilijkheden die de kombinatie
Woordenlijst plus het voorschrift om de voorkeurspelling te gebruiken opleverde,
alleen konden worden opgelost, als men de Woordenlijst zelf zou durven
aantasten. Ook aan het departement van O., K. en W. rijpte dit inzicht, zoals
bleek uit de opdracht die in 1963 aan de nieuwe bastaardwoordencommissie werd
gegeven. Ik mag die opdracht wel bekend veronderstellen, maar wil de kern ervan
toch nog citeren. De kommissie kreeg de taak ‘te adviseren, op welke wijze, in
afwijking van de woordenlijst, een spelling | | | | van bastaardwoorden
zonder keuzemogelijkheid kan worden bereikt, waarbij een zo consequent mogelijke
opzet in fonologische zin en een zo ver mogelijk gaande vernederlandsing wordt
nagestreefd’15.
Op drie punten vestig ik uw aandacht: 1. de opdracht had uitsluitend betrekking
op de bastaardwoorden; de andere zaken, de /ei/-spelling, de /ou/-spelling en de
werkwoordspelling zijn er later aan toegevoegd; 2. prealabel was dat de
keuzemogelijkheid moest worden weggenomen; 3. prealabel was ook de eis van
fonologisering en, wat vrijwel op hetzelfde neerkomt, vernederlandsing. Door met
deze opdracht aan het werk te gaan, aksepteerde de kommissie deze prealabelen.
Het verwijt dat ze zich daarmede aan een vooraf bepaalde uitkomst bond, nog
voordat ze enig onderzoek had verricht, is ongegrond. De woorden ‘zo consequent mogelijk’ en ‘zo ver
mogelijk’ gaven ons alle vrijheid de grenzen van het
mogelijke daar te trekken, waar wij dat nodig vonden.
Men heeft later de nadruk gelegd op de noodzaak van voorafgaand wetenschappelijk
onderzoek. Sommigen, zoals Cohen en Kraak, uit volstrekt zuivere motieven, anderen echter
ongetwijfeld ook omdat het een eervol excuus voor uitstel van beslissingen is.
Cohen en Kraak, wier standpunten althans ten dele zijn voortgekomen uit
besprekingen binnen een werkgroep van de Nederlandse Stichting voor Psychonomie,
denken daarbij aan diepgaande onderzoekingen van psychologische, didaktische en
psycholinguistische aard. Vooral aan een onderzoek van de konsekwenties van de
spellingwijziging op de leesbaarheid hechten zij veel waarde. Terecht dunkt mij.
Dat resultaten van dergelijke onderzoekingen, gesteld dat die ondernomen zouden
worden, eerst na jaren te verwachten zijn, staat wel vast. Voor mij staat het
niet geheel vast, dat al het gewenste onderzoek mogelijk is. Het meten en
vergelijken van leesbaarheid bijv. kan ik mij moeilijk voorstellen zonder
groepen van proefpersonen die een even grote gewenning met de te onderzoeken
spelling hebben als de kontrolegroepen met de vigerende. Hoe dit te
verwezenlijken is, is mij niet duidelijk.
Ook in de besprekingen van de BWC is meermalen het gemis aan wetenschappelijk
vooronderzoek betreurd. Zo konden wij alleen maar gissen naar het effekt van de
toeneming van het aantal homografen op het begrip van de gelezen tekst. In het
bijzonder kwam dit punt aan de orde bij de kwesties van de spelling van de
tweeklanken en de werkwoordsvormen. Maar de tijd drong en wij hebben getracht
door | | | | andersoortig, maar uitvoerbaar onderzoek in de leemten
enigszins te voorzien.
Zoals we weten was een van de grootste bezwaren tegen de Woordenlijst de
onvoorspelbaarheid van de voorkeurspelling. Daarom had de kommissie Damsteegt-De
Vos in 1956 al gestreefd naar het opstellen van regels die voor gehele
kategorieën van bastaardwoorden zouden gelden en ook voor bepaalde, formeel
gekenmerkte kategorieën niet. De kriteria daarvoor moesten door de gemiddelde
taalgebruiker waargenomen kunnen worden; de kommissie zocht die toen in de
woordeinden. De nieuwe kommissie (Pée-Wesselings) nam de regelgedachte over,
maar trachtte de bedoelde kriteria op ruimer terrein te vinden. Er werden zoveel
mogelijk volledige lijsten opgesteld, op basis van Koenen, van woorden met
bepaalde spellingkernmerken, zoals ch, uitgesproken als sj;
g uitgesproken als zj; ill als j; gn als nj enz. Op deze wijze kon worden onderzocht, of een
mogelijke fonologisering van de spelling die voor de hand scheen te liggen voor
enkele frekwente woorden, verantwoord was voor de gehele kategorie. De
aanvaardbaarheid werd getoetst aan drie kriteria: Verbetert de leerbaarheid door de verandering van spelling? Een vraag die werd
beantwoord op grond van de onderwijservaring waarover de kommissie in haar
totaliteit beschikte. Heeft de wijziging ongunstige invloed op de leesbaarheid? Een vraag die in eerste instantie min of meer intuïtief
werd beantwoord, maar later ook door het maken van enige proefteksten. En ten
derde: is de breuk met de traditie en de inbreuk op het gevestigde woordbeeld
niet te groot?
Voorop stond natuurlijk het fonologische principe en daarover dient nog wel
gesproken te worden. Allereerst moet dan worden vastgesteld, dat men thans onder
een fonologische spelling iets anders kan verstaan dan er in 1963 onder werd
begrepen. Ik kom hierop straks nog terug, maar stel nu vast dat de voorstellen
tot spellingwijziging, die vóór 1969 tot stand zijn gekomen, gebaseerd zijn op
de strukturele fonologie.
Nu is ook de spelling van oorspronkelijk ndl. woorden maar in beperkte mate
fonologisch. Weliswaar tendeerde de eerste grondregel van De Vries en Te Winkel,
de zg. ‘Regel der beschaafde Uitspraak’, naar een fonologische spelling, maar
andere regels verhinderden, dat De Vries en Te Winkel - gesteld dat ze dat al
gewild zouden hebben - een volledig fonologische spelling avant la lettre tot
stand brachten. Het lijkt mij niet nodig, dat ik in een gezelschap van
neerlandici hierop uitvoerig inga - Stutterheim heeft dit trouwens reeds eerder
gedaan, | | | | o.m. in zijn Gids-artikel16 -, maar toch wil ik enkele punten aanstippen. Het eenvoudige
feit dat 34 of 35 fonemen moeten worden voorgesteld met 26 lettertekens, waarvan
er enkele, de c, de x en de y, klankwaarden bezitten die door andere tekens al vertegenwoordigd
worden, maakt een zuiver fonologische spelling al onmogelijk. Dit vereist immers
en één-op-één-verhouding van foneem en teken. Daarom hebben we onze toevlucht
genomen tot dubbele tekens en worden anderzijds aan verschillende tekens meer
dan één klankwaarde toegekend. Daarbij komt dan nog dat eenzelfde foneem soms
door meer dan één teken wordt aangeduid, zoals het geval is met de /ei/ en de
/ou/. Verder noem ik nog de spelling van de j en de w na vokaal. Op de j na vokaal rust een
taboe dat de volkomen verantwoorde spellingen mooj, moje, iets
moojs wel voor altijd een mooie droom zal doen blijven. De u in nieuw en eeuw suggereert de
bilabiale w, die echter in woest en wolk niet van de labiodentale in weet en wist wordt onderscheiden. Bovendien blijft de u staan, als de uitspraak van de w in verbogen vormen en
afleidingen als nieuws en eeuwig
labiodentaal wordt. Verder zijn er nog de regels van de analogie en de
gelijkvormigheid, waarop ik zoëven doelde, die de vastheid van het woordbeeld
moeten verzekeren en ook de morfologische struktuur ten dele zichtbaar maken;
ook zij introduceren onfonologische elementen. Zij kodificeren een beginsel dat
in oudere spellingfazen eerst geleidelijk was gaan werken, maar dat al in de 18e
eeuw door talrijke schrijvers gerespekteerd was.
Dat een fonologische of zoveel mogelijk fonologische spelling voor een taal
zonder schrijftraditie de beste zou zijn, was of is een axioma, dat voor zover
mij bekend is, niet door nader onderzoek bewezen is. Voor het nederlands heeft
niemand ooit aan volledige fonologisering van de spelling
gedacht. Niet alleen achten velen - overigens ook axiomatisch - de vormvastheid
van de lexikale eenheden van zeer groot belang, maar bovendien kan men niet een
schrijftraditie van 7 eeuwen en een sinds 90 jaar vigerend, in principe weinig
veranderd spellingsysteem opzij schuiven.
Vanuit het gezichtspunt van de recente inzichten in de fonologie, die van de
t.g.g., heeft men naar voren gebracht, dat een fonologische spelling in de
strukturele zin van dat woord, de onderliggende klankstruktuur veelal
verduistert en daarom niet als de beste spelling mag gelden. Een spelling die de
diepere struktuur laat zien zou ‘over lange tijdsperioden en voor uiteenlopende
dialekten beter bruikbaar zijn’, lezen we bij Cohen en Kraak17. Deze konstatering
geldt daar met name voor de | | | | spelling van het engels. Voorshands is
dit even onbewezen als het axioma van de voortreffelijkheid van een
struktureel-fonologische spelling. Vooral t.a.v. de leerbaarheid is er
ruimschoots reden tot twijfel. Het pleit voor de zeer voorzichtige benadering
van Cohen en Kraak, dat zij erop wijzen dat er nog te weinig modern fonologisch
onderzoek voor het ndl. is verricht om konklusies te kunnen trekken. Wel zeggen
zij: ‘Het moet niet uitgesloten worden geacht dat de resultaten van zulk
onderzoek allerlei spellingen die grillige, inkonsekwente uitzonderingen werden
geacht, doorzichtig en zinvol maken. (Dit slaat natuurlijk niet op de
voorkeurspellingen van de Wdl. - D.) Daarmee zou dan natuurlijk niet gezegd zijn
dat die spellingen gehandhaafd moeten blijven, maar wel dat ze niet langer als
onwetenschappelijk kunnen worden gebrandmerkt, ten gunste van ‘fonologische’
spellingen’18. Dit laatste geschiedt
bij mijn weten overigens alleen in de kringen van de VWS.
Hoe dit zij, met betrekking tot de bastaardwoorden was het duidelijk dat de
gevraagde ‘zo consequent mogelijke opzet in fonologische zin’ zou moeten plaats
vinden binnen het onfonologische kader van de ndl. spelling als geheel.
Dit is op zichzelf een kompromis dat aan de basis van het gehele komplex van
herzieningsvoorstellen ligt, niet alleen van de BWC trouwens, maar ook van de
VWS, zij het daar in iets mindere mate.
En ook binnen dit kompromis en bij aanvaarding van het regelbeginsel moest en
moet vrijwel elke beslissing over een bepaalde herziening als een kompromis van
uiteenlopende mogelijkheden tot stand komen. Ik zal trachten dit te laten zien
aan de hand van een aantal voorstellen van de BWC.
In de eerste plaats richt ik dan uw aandacht op de vaststelling van het bereik
van de regels, een belangrijk punt van diskussie. Het ging er daarbij om,
kenmerken te vinden, waarmee ‘vreemde woorden’ van bastaardwoorden onderscheiden
zouden kunnen worden. Op grond van fonologische kenmerken is dat niet altijd
mogelijk. De latijnse leenwoorden bijv. bevatten in de gebruikelijke uitspraak
geen fonemen die niet in het ndl. voorkomen. Toch moest omspelling daarvan
voorkomen worden, omdat een groot aantal van deze woorden de status van
bastaardwoorden niet heeft bereikt. Anderzijds zijn woorden als technicus, elektronicus, musicus door hun algemene bekendheid deel
gaan uitmaken van de ndl. woordenschat, zodat spelling met een k aanvaardbaar | | | | schijnt. Zoekt men echter het kriterium van
vreemdheid in onnederlandse morfologische eigenschappen, dan is een spelling van
de uitgang -cus met een k niet te
verdedigen. Niettemin was in 1963 een spelling kriterium en
zelfs kriteria niet vreemd meer. Het is duidelijk, dat iedere
beslissing bepaalde wenselijkheden onverwerkelijkt laat.
Duidelijke trekken van het kompromis vertoont ook de behandeling van leenwoorden
uit het engels. De grote moeilijkheid was dat hierbij de aanpassing aan het
fonologische systeem van het ndl. veel minder ver is gegaan dan met de
ontleningen uit het frans, die over het geheel genomen ouder zijn. Een woord als
airedale is, voor zover het de eerste lettergreep betreft,
niet in een ndl. spellingssysteem weer te geven. Hetzelfde geldt voor trawler, bridge, bungalow, board, bar enz. Anderzijds is een
aantal huiselijke engelse woorden volkomen aangepast aan de ndl. vokaal- en
konsonantuitspraak: bebie, keek, flet, trem, zjem, zjiep. In
een dergelijke impasse was er maar een uitweg, die eigenlijk een tweesprong was:
de kommissie koos tussen een minimalistische en een maximalistische oplossing.
De onmogelijkheid enerzijds om een aantal woorden op bevredigende wijze in een
ndl. spellingkorset te dwingen, de gedachte anderzijds dat de kennis van het
engels ook bij jonge kinderen zo verspreid is, dat men met omspelling slechts
weinigen een dienst bewijst, óók de gedachte dat het gezien de toeneming van het
aantal leenwoorden uit het engels niet ongewenst is, deze in hun spelling als
engels te kenmerken, leidden hier tot een minimalistische taktiek. Slechts
enkele woorden waarvan ook zonder nader onderzoek zichtbaar was, dat ze in zeer
ruime kring gangbaar zijn, en enkele woorden die deel hebben aan de ndl.
morfologie, zoals trenen - treende - getreend, mochten voor
omspelling in aanmerking komen, voorzover althans een of meer van de
samenstellende fonemen dat niet belette, zoals bijv. met flirten het geval is.
Een minimalistische oplossing is ook gekozen bij de omspelling van de ch, uitgesproken als sj. De herhaalde lezing
van de lijst van ch- woorden leidde telkens weer tot de
konklusie dat een aantal van deze woorden moest worden uitgesloten van mogelijke
vernederlandsing, omdat zij in de standaarduitspraak niet met de nederlandse
foneemgroep sj worden uitgesproken, maar met het geronde
franse foneem. Daartegenover staat dat sommige ch-woorden
behoren tot de basiswoordenschat van zeer jonge kinderen; het zijn o.a. de
beruchte woorden chocolade en chauffeur. Het
is niet goed in te zien, waarom deze twee woorden tot in lengte van dagen op z'n
frans gespeld moeten | | | | blijven. Vandaar dat de eerste voorstellen voor
deze woorden een uitzondering maakten. Zwichtend voor het algemene verzet heeft
de kommissie deze uitzondering in de Eindvoorstellen geschrapt
en is de ch over de hele linie minimalistisch behandeld.
Alleen werd voor het woord sjiek, dat ook in de Woordenlijst
al als keuzevorm sjiek naast zich had, uitsluitend de
vernederlandste spelling voorgesteld.
Misschien spreekt het kompromiskarakter van de voorgestelde herzieningen het
duidelijkst bij de spelling van het foneem /ie/.
Voor de spelling van dit foneem ligt een radikale oplossing voor het grijpen: het
enkele klinkerteken in open lettergreep, ie in gesloten
lettergreep. Dat is niet zuiver fonologisch, maar past wel in het ndl. systeem.
Het is de oplossing die indertijd is verdedigd door Dr. J. Verschueren S.J. en
die wordt voorgestaan door de VWS en de onderwijsorganisaties. Toch is ook deze
regeling niet zonder koncessies aan de traditie. Volkomen gelijktrekking van de
spelling van de /ie/ met die van de andere vokalen zou inhouden het enkele
klinkerteken in open, het dubbele klinkerteken in gesloten lettergreep: zike met één i, ziik met twee i's. Het gebruik van ie in plaats van dubbele i, bij mijn weten nergens expliciet gemotiveerd, is een
koncessie aan de traditie, evenals het schrijven van ie aan
het woordeinde in plaats van enkele i. Deze laatste
uitzondering sloot aan bij de behandeling van de /ee/ aan het woordeinde. Nu is
deze te verdedigen met een beroep op de noodzaak om jee en je, mee en me, wee en we,
zee en ze, puree en pure, toffee en toffe van elkaar te onderscheiden. Het lijkt niet eens zo'n
sterk argument, want zelfs met behulp van Nieuwborg19 waren
niet meer dan deze zes minimale paren te ontdekken, maar de regeling voorkomt in
elk geval kombinaties die de lezer even in verwarring zouden kunnen brengen.
Zinnen als ‘Ga je met me mee’? en ‘Daarop dreef de zee ze uiteen’ zijn ten slotte reële mogelijkheden.
Bij spellingen als di, wi dri, kni zijn dergelijke aanleidingen
tot aarzeling bij het lezen niet mogelijk. Toch geloof ik, dat het behoud van de
traditionele ie aan het eind van deze woorden aanbeveling
verdient. Breuken met de traditie die niet beslist noodzakelijk zijn, dienen
vermeden te worden. Het bezwaar is echter dat die, wie enz.
ook de bastaardwoorden anti, demi, januari enz. meeslepen,
omdat een regel die het nodig zou maken, dat de taalgebruiker onderscheid maakt
tussen ndl. woorden en bastaardwoorden, aan de gemiddelde taalgebruiker een te
hoge eis stelt.
De kommissie Pée-Wesselings heeft de traditie nog
hoger gewaardeerd | | | | en wilde de ie in Pieter, gieter, bedienen enz. niet prijsgeven, evenmin als de ie in de verbogen vormen van de woorden op ie + konsonant: iek, ies, iet, iem enz.: antieke, logiese,
naieve enz. Een en ander leidde tot een ingewikkelde regeling, waarmee de
kommissie zelf niet gelukkig was en die duidelijker dan welke andere regel een
kompromiskarakter vertoont. Dit was niet onontkoombaar, zal men zeggen en
terecht, maar ik meen te hebben aangetoond, dat zelfs de radikale regeling van
Verschueren niet voor 100% kompromisloos is.
Nog een laatste woord over de /ie/. Op de enquêtevraag of men voor of tegen de
omspelling van -isch in -ies was - een vraag
die door 24 deelnemers met ja is beantwoord - reageerde één inzender met de
mededeling: ‘Nee, dan tenminste krieties’. Wil dit zeggen, dat
deze inzender overal ie zou willen schrijven, zonder enig
voorbehoud? Heeft hij de konsekwenties zich daarvan in letterlijke zin voor de
ogen gesteld? En acht hij die konsekwenties aanvaardbaar? Heeft hij andere
mogelijkheden overwogen en zijn die alle verwerpelijk? Het zijn vragen waarop
elk antwoord ontbreekt, en u zult dan ook begrijpen dat zo'n spontane reaktie
weinig bijdraagt tot verheldering van de problematiek, om van een oplossing niet
te spreken.
Ik stap nu van de bastaardwoorden af en vraag ten slotte nog uw aandacht voor
twee hete hangijzers in ons spellingsysteem: de spelling van de tweeklanken /ei/
en /ou/ en de werkwoordsspelling.
Van het standpunt van de strukturele fonologie kan er geen twijfel aan bestaan,
dat elk van beide tweeklanken door één teken zou moeten worden voorgesteld. De
moeilijkheden die het onderwijzen van de huidige spelling biedt, zijn genoegzaam
bekend. Waarschijnlijk zijn ze voor de /ei/ groter dan voor de /ou/. Zelfs
Kruyskamp, de geharnaste tegenstander van elke wijziging in de spelling, heeft
dit - laat ons zeggen in een ogenblik van zwakte - toegegeven. Hij schreef in
Levende Talen dat het onderscheid van de spelling met ei of
ij ‘een reële moeilijkheid’ is; de opheffing daarvan zou
slechts in het verlengde liggen van de opheffing van het onderscheid e/ee,
o/oo...’20.
Hij zou echter de oplossing willen vinden in een nieuw grafeem, niet in de
afschaffing van hetzij de ei, hetzij de ij.
Hij schreef dit in 1968. In 1972, in een bijdrage aan het boekje van Craeybeckx
echter, blijkt zijn standpunt weer verhard te zijn. Hij bepleit daar de spelling
uitweiden, omdat ‘alleen de etymologisch juiste
schrijfwijze met ei tot het besef van de eigenlijke betekenis
en dus het juiste gebruik kan voeren’21. | | | | Mijn ervaring heeft mij anders geleerd. Er zijn
talloze leerlingen bij het m.o. en ook talloze ouderen die het woord uitweiden perfekt kennen, het in de juiste betekenis hanteren,
maar het fout schrijven. Pas als ze de etymologie kennen, begrijpen ze waarom
dit woord met ei geschreven moet worden. De spelling voert ze
niet tot de etymologie, ze hebben de etymologie nodig om het woord te kunnen
spellen en die etymologie is voor het juiste begrip en gebruik van het woord uitweiden evenmin nodig als voor welk ander woord dan ook.
Kruyskamp voorziet trouwens nog ernstiger
gevolgen. ‘Als men straks volgens hun systeem zou moeten schrijven ‘Hij lijt een
kommervol bestaan’, dan vinden zij (d.z. de ‘spellingsaneerders’ - D.) het
helemaal niet erg dat dan 8 van de 10 kinderen dit zullen associëren met het
werkwoord dat nu als lijden, in onderscheiding van leiden, gespeld wordt’22. Nu doen 8 van de 10 kinderen dat op het ogenbik ook al en daarom
schrijven ze: ‘Hij lijdt een ongelukkig leven’ nu ook al met een ij en staan ze verwonderd als de dikteezin luidt: ‘Hij 1-dt een gelukkig
leven’, want lijden en gelukkig horen niet
bij elkaar. De onderwijzer, spellingsaneerder of niet, haalt er dan de verleden
tijd bij en bereikt daarmee, dat misschien 6 van de 10 kinderen in het vervolg
en zolang het nog moet, een ei schrijven. Die verleden tijd
moet er ook bij vervanging van de ei door een ij bijgehaald worden, maar niet met de bedoeling om daarmee een spelling
te verklaren, maar uitsluitend om een taalfeit te demonstreren. Maar genoeg
hierover; het ontzenuwen van slecht doordachte bezwaren tegen spellingherziening
is een weinig aantrekkelijk tijdverdrijf.
Het zal u bekend zijn, dat de bastaardwoordencommissie afwijzend heeft
geadviseerd; zij achtte de sanering van de /ei/-spelling een te ernstige inbreuk op de schrijftraditie. Wel heeft zij geadviseerd om,
áls men tot wijziging zou overgaan, de keuze te laten vallen op de ij. Dit heeft hier en daar verwondering gewekt en ook onder u hebben 7
inzenders van antwoorden op de enquête de omgekeerde wijziging voorgesteld. Een
veel gehoord argument is, dat de ei de uitspraak beter zou
weergeven. Ik geloof niet, dat dat enig gewicht in de schaal kan leggen. Geen
enkel letterteken geeft op enigerlei wijze de klank weer die het voorstelt. Het
verband tussen teken en klank is volslagen willekeurig en komt alleen tot stand
door de voortdurende associatie. Voor de kommissie Pée-Wesselings heeft
gegolden, dat de ij een aanmerkelijk frequenter teken is dan
de ei. Het door haar ingestelde onderzoekje werd bevestigd
door een op ruimer schaal verricht onderzoek van H. Brandt Corstius, die in een
statistisch betrouwbaar aantal woorden in krantetaal 2,4 % woorden met ei en 6,8 % met ij vond23. Het spellingbeeld | | | | in zijn totaliteit zou dus sterker
worden aangetast bij afschaffing van de ij dan bij afschaffing
van de ei. Een tweede belangrijk argument staat wat verborgen
in een enkele zinsnede van het rapport: ‘Visueel heeft de keuze van ij in plaats van ei het voordeel dat het letterteken
markanter is en daardoor het snel overzien van de tekst vergemakkelijkt24. Het is
namelijk een van de zes tekens die onder het regelkorpus uitsteken en van die 6
zijn er nog twee, de q en de y, met geringe
frekwentie. De ij biedt dus bij het overzien van de tekst een
steunpunt voor het snel lezende oog. Later hebben Cohen en Kraak op het belang
van dit punt eveneens gewezen, door te schrijven: ‘Het kan daarom van belang
zijn als een spellingwijziging op het punt van de woordkontour ingrijpt in het
woordbeeld, zoals bij vervanging van ij door ei’25.
Ook hier blijven op een gegeven moment de argumenten naast elkaar staan en zullen
de partijen tot een akkoord moeten komen. Dan zal een van beide met water in
zijn wijn of in zein wein genoegen moeten nemen.
Bij een eventuele herziening van de spelling van het foneem /ou/ moet een
gelijksoortige keuze gemaakt worden. De BWC heeft ook hier een wijziging
afgeraden, maar wel geadviseerd de au te verkiezen in geval
men toch tot een wijziging zal besluiten. In de antwoorden op uw enquête
verdedigen 8 inzenders de ou op grond van argumenten die ik
niet alle begrijp. Een van die argumenten begrijp ik in elk geval wel; het is
een kwantitatief argument: ‘er zijn nu veel meer woorden met ou’. Dit is inderdaad juist; volgens de telling van Brandt Corstius is de verhouding van de woordtekens met ou tot die met au ongeveer als 4: 126. Dit is ongetwijfeld een
signifikant verschil en er zou alle reden zijn om de keuze op de ou te bepalen, tenminste als beide tekens kwalitatief even goed zouden
voldoen. Immers, als een van de twee tekens ongeschikt is voor de funktie die
het moet vervullen, of aanmerkelijk minder geschikt dan het andere, zal de
keuze, ongeacht de kwantitieve argumenten, toch op het meest geschikte teken
moeten vallen. De moeilijkheid is nu, dat de au in een vrij
groot aantal woorden thans een dubbele klankwaarde heeft: die van /oo/ en die
van /ou/. Het zijn woorden als oto naast outo; odiëntie en oditeren naast ouditeren en ouditie; otomaat naast outomaat; oteur naast
outeur; restoratie naast restouratie enz. De ou is door zijn hechte binding
aan de klankwaarden /ou/ en voor bastaardwoorden /oe/ ongeschikt om de funktie
van /oo/-teken op zich te nemen. De enige uitweg zouden | | | | dubbelvormen
moeten zijn: outo en oto, al naar men het
woord uitspreekt. De een zal dit ernstiger vinden dan de ander, maar van degenen
die herziening van de /ou/-spelling wensen, zal één partij genoegen moeten nemen
met het kompromis: wél herziening, maar níet het geprefereerde teken.
De tegenstelling tussen de strukturele en de t.g. fonologie komt met betrekking
tot de spelling van het ndl. het sterkst naar voren bij de schrijfwijze van de
werkwoordsvormen. Het is buiten kijf dat hier een leerbaarheidsprobleem van de
eerste orde mee verbonden is. Kollewijn had een
merkwaardig optimistische kijk op deze zaak. ‘Dat men schrijft: ik red met een d, hij redt met dt, schoon wij in beide gevallen uitspreken ret, wij hebben er niets tegen: de moeite om te onthouden dat de derde
persoon van de onvoltooid tegenwoordige tijd een t achter de
stam krijgt en de eerste niet, is zo gering, dat wijziging van de algemeen
gebruikelijke spelling hier overbodig is’27.
Later heeft I. van der Velde in zijn dissertatie
De tragedie der werkwoordsvormen
(1956) wel een andere visie op de zaak gegeven. In dit boek schoof hij
de gedachte aan een spellingswijziging nog op de achtergrond; in eerste
instantie pleitte hij voor een betere didaktiek, met name voor een later begin
met het onderwijs in de werkwoordsvormen. Ook Cohen
en Kraak denken in deze richting.
Het komt mij echter voor, dat men zich, voordat men iemand iets wil gaan leren,
moet afvragen of het zin heeft om het hem te onderwijzen. Ook bij een veranderde
didaktiek zal het onderwijzen van de bestaande ww. spelling tijd kosten. Is dat
nuttig bestede tijd? Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van het gekozen
uitgangspunt. Baseert men zich op de strukturele fonologie, dan zal het niet
moeilijk vallen aan te tonen of althans aannemelijk te maken, dat de informatie
die de lezer krijgt van dt en dd vrijwel
altijd overbodig is. Was dat niet het geval, dan zouden we trouwens nogal
moeilijk zitten met de werkwoorden die een infinitief hebben met een t of een d voor de uitgang. De BWC heeft dan
ook, redenerend vanuit dit standpunt, een herziening van de ww. spelling
geadviseerd.
De meest principiële kritiek hierop is gekomen van Van den
Berg in zijn artikel
Grammaticaregels en spellingregels
. Ik acht deze kritiek het meest principieel, omdat Van den Berg een
andere wetenschappelijke konceptie als basis neemt, nl. die van de t.g.g. Het
voordeel van de | | | | huidige spelvormen van de ww. is volgens hem, dat
‘deze bijna geheel overeenstemmen met de onderliggende vormen waarvan, blijkens
de voorgaande bladzijden, een generatief model moet uitgaan’28. Men kan het eens zijn met zijn
opmerking dat deze spelling een produktief proces in de ndl. taal zichtbaar
maakt. Men kan het ook met hem eens zijn, dat daarmee ‘aan het kijkend oog een
praktische informatie (wordt geboden) voor de interpretatie van de
werkwoordsvormen’, maar hij laat onbewezen dat deze informatie onmisbaar zou
zijn of op nuttige wijze redundant.
Voor hen die op dezelfde gronden als Van den Berg of om minder duidelijke redenen
de ww. spelling willen houden zoals die is en het probleem voorshands aan de
onderwijskundigen toeschuiven, is de zaak hiermee afgedaan, en afgedaan zónder
kompromis.
Zo is het niet voor hen die het aanleren van de bestaande ww. spelling een
nutteloze bezigheid achten en deze spelling daarom willen vereenvoudigen. Zij
staan voor de keuze of ze ik antwoort met een d of een t willen schrijven en die keuze hangt uiteraard
samen met de regel van de gelijkvormigheid. Op dit punt vindt de kommissie
Pée-Wesselings de organisaties die elkaar destijds in de Aksiegroep hebben
gevonden, tegenover zich. De BWC koos voor handhaving van de gelijkvormigheid,
over de hele linie. De Aksiegroep koos voor een fonologische spelling van de
eind-t, eveneens over de hele linie. Ze was echter niet zo
radikaal, dat ze ook voor de eind-b en -g de
gelijkvormigheid wilde opheffen; deze letters mochten b en g blijven. Alweer een oplossing met een kompromis.
Dames en heren,
het was mijn bedoeling u een aantal facetten van de problematiek van
spellingherziening te laten zien om daarmee de ingewikkeldheid van verschillende
vraagstukken duidelijk te maken. Het is mijn overtuiging dat een ingreep in de
Woordenlijst 1954 noodzakelijk is, wanneer we een redelijke mate van
spellingeenheid willen behouden. Het is ook mijn overtuiging, dat zeer
vooruitstrevenden en gematigden op een aantal punten met elkaar tot
overeenstemming moeten komen en bereid moeten zijn elkaar in kompromissen te
vinden. Maar ook wie tegen spellingwijziging is, zal moeten begrijpen dat de
autoriteit van de Woordenlijst danig verzwakt is. Het opgeven van de
voorkeurspellingen en het aan- | | | | vaarden van een aantal vormen waarvan
de Woordenlijst zelfs nog niet heeft gedroomd, lijkt wel het minste wat zal
moeten gebeuren. Dat is het kompromis waarmee hij eventueel genoegen zal moeten
nemen.
|
1Dit minimumprogramma konformeert zich
wat de bastaardwoorden betreft met de Eindvoorstellen van
de BWC (zie aant. 15), met uitzondering van de spelling van de /ie/,
waarvoor de Aksiegroep de later besproken regeling-Verschueren wenst. Verder
wilde de Aksiegroep een t schrijven waar men een t hoort,
de ei vervangen door ij en de ou door au.
2De
Gids, jrg. 135 (1972), afl. 3 (p. 169-264), p. 181.
3Lode Craeybeckx, Sluipmoord op de spelling, Amsterdam-Brussel 1972.
6J.A. Meijers, Het spellingdrama, Een
poging tot relativering, Amsterdam 1967 (met bibliografie).
7W. Couvreur, ‘Sluipmoord op de spelling’ in Wetenschappelijke tijdingen 31 (1972), nr. 5.
8Deze kommissie wordt in het
vervolg aangeduid met de afkorting BWC of als ‘de kommissie Pée-Wesselings’,
zoals zij in de pers veelal wordt genoemd.
9Verschenen in Vijfentwintig jaar
Cultureel Verdrag, een speciaal nummer van Uitleg,
Weekblad van het Departement van Onderwijs en Wetenschappen, p.
14-26. Dit nummer, dat in 1971 verschenen is, is niet gedateerd.
11Woordenlijst van de Nederlandse
taal, samengesteld in opdracht van de Nederlandse en de Belgische
regering, Den Haag 1954.
13Craeybeckx,
a.w., p. 45.
14O.a. in het artikel Spaart de windmolens..., a.w. p. 190 vlg.
15Eindvoorstellen van de
Nederlands-Belgische commissie voor de spelling van de
bastaardwoorden, 's-Gravenhage 1969, p. 7.
19E.R. Nieuwborg, Retrogade woordenboek van de
Nederlandse taal. Antwerpen, 1969. - Ik merk hierbij nog op dat een
tweede argument voor de eind- ee is, dat de klankwaarde van
een enkele eind- e zeer vaak de sjwa is (- te en - de- suffixen) en dat ook dit de eind- e minder geschikt maakt als teken voor /ee/.
20Geciteerd naar Couvreur, a.w., p. 4.
21Craeybeckx, a.w. p.
79.
23H. Brandt Corstius, Het effect van de voorstellen van de commissie
voor de spelling van de bastaardwoorden op de woordtekens in de krantentaal,
NTg. 60 (1967), p. 217-233 en Eindvoorstellen, p.
25.
24Eindvoorstellen, p. 26.
25Spellen is spellen, p. 26.
- In de diskussie heb ik er nog op gewezen, dat ook de grote frekwentie van
het teken e een bezwaar vormt. Het komt niet alleen op
zichzelf met drieërlei klankwaarde voor, maar funktioneert, de ei buiten
beschouwing gelaten, ook nog in 4 digrafen: ee, ie, eu, oe.
26In zijn artikel in de NTg. (zie noot 23) is opgegeven, dat de
woordtekens met ou en au resp. 0,4% en
1,5% vormen van een ndl. tekst, maar in het Leids Dagblad van 24-2-1972
heeft H. Drion op gezag van Brandt Corstius meegedeeld dat deze cijfers door
een ongelukkige vergissing verwisseld zijn.
27R.A. Kollewijn,
Onze lastige spelling, in Opstellen over spelling en
verbuiging, Amsterdam 1903, p. 11.
|
|