Colloquium Neerlandicum 5 (1973)


auteur: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum


bron: Verslag van het vijfde colloquium van hoogleraren en lectoren in de nederlandistiek aan buitenlandse universiteiten. Internationale Vereniging voor Nederlandistiek, Den Haag / Gent 1976


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 101]

Vergadering IV
Dinsdag 28 augustus 1973
14 uur

Voorzitters: Prof. Dr. L.E. Schmitt (Marburg) en P.K. King, M.A. (Cambridge)
Onderwerp: Actuele vraagstukken
Sprekers: Mr. J. Fleerackers (Brussel) over:
‘Culturele aspiraties van de Vlaamse Beweging anno 1973’
  Prof. Dr. F. Haarsma (Nijmegen) over:
‘De ontwikkelingen van het geestelijk leven in Nederland, met name binnen de Rooms-Katholieke Kerk, in de laatste tien jaar’

[p. 102]

De historische kracht van de Vlaamse beweging in Belgie: de doelstellingen van gister, de verwezenlijkingen vandaag en de culturele aspiraties voor morgen door Mr. J. Fleerackers,
Kabinetschef van de Belgische Minister van Nederlandse Cultuur en Vlaamse Aangelegenheden

Ik zou mijn exposé willen aanvangen met een retorische vraag, nl. of een onderwerp als de toekomst van ‘de Vlaamse Beweging in België’ wel thuis hoort op een internationale en wetenschappelijke bijeenkomst, waar de positie van de Nederlandse taal- en cultuurstudie buiten de grenzen aan de orde is.

 

Mijn standpunt is dat de positie van de Nederlandse taal in het buitenland - zowel haar praktische als wetenschappelijke status - en het aanzien van de Nederlandse Cultuur extra muros een exponent zijn van het taal- en cultuurbewustzijn intra muros.

 

Het hoeft ons overigens niet te verwonderen dat grotere talen als het Engels, het Frans en ook nog het Duits hun taal-imago extra muros met alle kracht bevorderen. Hun buitenlandse culturele uitstraling steunt intern op een wel uiterst sterk cultuurbewustzijn en een doeltreffende uitbouw van de culturele aktiviteit binnenslands.

 

Wat voor grotere taal- en cultuurgemeenschappen geldt is a fortiori voor het Nederlands van kracht. De positie van de Nederlandse taal en cultuur in het buitenland is beslist geen opzichzelfstaande zaak. Haar uitstraling en draagkracht zijn en zullen blijvend gevestigd moeten zijn op de draagkracht en de vitaliteit van de Nederlandse taal en cultuur in de moederlanden, d.w.z. in Nederland en in België.

 

Dikwijls, zo niet meestal, is in kringen van taal- en cultuurbewuste Hollanders en Vlamingen de scheiding van de Nederlandse taal over twee politiek souvereine territoria als een beletsel voorgesteld voor het voeren van een krachtige buitenlandse cultuurpolitiek.

 

Men kan ook een realistisch standpunt innemen: twee staten maken

[p. 103]

in het internationaal verkeer twee krachten uit, die elk én op eigen wijze én in onderling overleg en samenwerking de positie van de gemeenschappelijke taal in het buitenland kunnen bevorderen.

 

Een treffend voorbeeld hiervan is de lotsverbetering die een paar jaar geleden de status van het Nederlands in het middelbaar onderwijs in Frankrijk heeft ondergaan. Wat België niet heeft vermogen te doen - wijlen Julien Kuypers had er zich als gevolmachtigd Minister jarenlang voor ingezet* - daarin is de Nederlandse regering in 1970 wel geslaagd en - het moge hier herinnerd worden - dank zij de persoonlijke démarches van de heer Luns, toenmalig Nederlands Minister van Buitenlandse Zaken, geïnspireerd door de onvolprezen culturele gezant in Parijs de heer Sadi de Gorter.

 

Deze nogal uitgebreide inleiding weze me ten goede gehouden. Ik achtte ze noodzakelijk om de belangrijkheid van mijn onderwerp scherpere contouren te geven.

 

Het buitenland identificeert nog te exclusief de Nederlandse taal en cultuur met Nederland. Daar is gelukkig de laatste jaren een gevoelige kentering in gekomen. Het ‘Vlaamse fenomeen’ heeft zich als het ware aan de buitenwereld opgedrongen, en ook aan Nederland en de Neerlandici.

 

Toch is men zich nog maar schoorvoetend bewust geworden van de enorme staatkundige evolutie die in België sinds 1971 is op gang gekomen.

 

Ik ben daarom het bestuur van de IVN en vooral het Congresbestuur uiterst dankbaar dat zij mij de gelegenheid gegund hebben over dit onderwerp op dit colloquium te kunnen uitweiden.

 

Ik zou mijn verder betoog in een drietal hoofdstukken willen onderverdelen:

1.Enkele notities over de Vlaamse Beweging in haar historische context en als natievormende kracht;
[p. 104]
2.De Belgishe grondwetsherziening van 1971, waar ik uitvoerig zal bij stilstaan;
3.Enkele kanttekeningen, standpunten en aspiraties van de Vlaamse Beweging anno 1973.

I. De Vlaamse Beweging in haar historische context

In een gezelschap als in het colloquium verzameld, mag ik aan het feitenmateriaal voorbijgaan.

 

Ik ben bovendien geen historicus; toch lijkt het mij van belang enkele historische kanttekeningen te maken die mij in het bijzonder relevant lijken ten opzichte van de zaak die uw colloquium bezig houdt en die de positie van onze cultuur buiten de grenzen aanbelangt.

 

Door alle tijden heen is het Nederlands element in de Zuidelijke Nederlanden steeds majoritair geweest. Op dit ogenblik bedraagt de Nederlandse bevolking in België 58%, of 5,5 miljoen van het totaal. De Vlamingen maken dus 1/3e uit van de totale Nederlands sprekende groep in Europa.

 

Hoe kon een zo onverklaarbare situatie ontstaan waarbij een meerderheidsgroep zich meer dan een eeuw minoritair zou voelen en het ook sociologisch was?

 

Deze inferieure status was het gevolg van een drietal historische evenementen:

1.De scheiding van de Nederlanden in de XVIe eeuw en de exodus van de intellectuele elite naar het Noorden.
2.De mondiale uitstraling van de Franse politiek, blijvend geschraagd door een expansieve cultuurpolitiek.
3.De culturele terugloop en stagnatie van de Noordelijke Nederlanden na de Gouden Eeuw zowel politiek, economisch als cultureel.

Bij de aanvang van de XIXe eeuw en na de aanhechting en verfransing van de Zuidelijke Nederlanden bij het Napoleontische Frankrijk, was de Nederlandssprekende gemeenschap in de Belgische Nederlanden in feite verschrompeld tot een achterlijke kolonie.

[p. 105]

Zonder overdrijving was de toestand van het Nederlands in België op dat ogenblik te vergelijken met de huidige positie van het Nederlands in Frans-Vlaanderen.

 

Het reveil van de Vlaamse Beweging kan men historisch gezien wel een ‘mirakel’ noemen.

 

Er zijn ook daarvoor een veelheid van verklaringen aanwezig, waarbij ik bijzonder de volgende factoren in herinnering moet brengen:

 

1. De belangrijkste factor is voor alles de kortstondige hereniging geweest van de Verenigde Nederlanden (1815-1830) en het belang dat Willem I aan het herstel van de taalkundige positie van het Nederlands in het Zuiden als natievormend element hechtte.

 

De uiterst kleine schare pioniers van de Vlaamse heropleving na 1830 (o.m. J.F. WILLEMS, Dr. SNELLAERT) waren in de Nederlandse tijd gevormd. Deze pioniers slaagden er ook in de Vlaamse taalparticularisten waartoe ook Guido GEZELLE passief behoorde de pas af te snijden. Er kwam geen ‘Vlaamse taal’ zoals er wel een Afrikaanse taal ontstond.

 

2. Een minder geciteerde factor is het langdurig uitblijven van de leerplicht in België, deze werd eerst ingevoerd in 1913.

 

Het basisonderwijs was vrij en was dus niet ondergeschikt aan Brusselse richtlijnen; het particulier onderwijs werd in de volkstaal gegeven.

 

Hierdoor werd de spoedige en integrale verfransing via het volksonderwijs en via dit onderwijs van het totale maatschappelijke leven verhinderd.

 

De Vlaamse Beweging was aanvankelijk een taalbeweging van enkele kunst- en letterminnenden. Een nationale volksbeweging was ze beslist niet. Een binding met de sociale beweging en ontvoogdingsstrijd van het einde van de 19e eeuw heeft zij wel in enkele afzonderlijke uitingen gekend, maar zelden als stuwende motor gehad.

 

Daarmee verloor ze het directe, revolutionaire en massale élan en diende ze haar doelstellingen via de indirecte, dus langzame weg van de politieke machtswerving te bereiken. Bovendien vertraagde Wereldoorlog I het normale proces van de geleidelijke vernederlandsing en taalsanering in Vlaams België.

[p. 106]

De Vlaamse Beweging behield tot voor Wereldoorlog I haar ‘reformistisch’ d.w.z. Belgisch karakter.

 

De Vlaamse Beweging voor Wereldoorlog I had geen uitgesproken partijpolitieke exponenten. Maar het taal- en sociaal onrecht waaronder de Vlaamse frontsoldaten tijdens de vierjarige oorlog in het toenmalige Belgische leger hadden moeten lijden, verscherpte na het einde van de oorlog de Vlaamse reflex; het legde de basis van de politisering van de Vlaamse strijd. Het maakte van de Vlaamse Beweging geleidelijk een volksbeweging, d.w.z. dat zij van toen af, wat men kan noemen, een ‘natievormend’ karakter kreeg. Zij stelde zich niet meer tevreden met enkele taalfaciliteiten; vanaf dat ogenblik streefde zij naar het verwerven van politieke macht in de eerste plaats om zelfstandig, ja soeverein, te beschikken en te beslissen over alle taal- en culturele aangelegenheden zonder inmenging van anderstaligen; naarmate de tijd vorderde strekten deze aspiraties zich steeds verder uit en gingen zij het gehele maatschappelijke leven van de Vlaamse gemeenschap tot haar werkterrein rekenen.

 

Deze tussen-oorlogse politieke evolutie ging gepaard met steeds scherpere anti-Belgische reflexen. Men had het niet alleen meer tegen het Franstalige overwicht en de Vlaamse discriminatie maar ook het staatsverband zelf werd op de korrel genomen.

 

Sommigen zochten het heil in een autonome Vlaamse staat, al dan niet in Groot-Nederlands verband.

 

Anderen droomden van de heroprichting van de ‘Bourgondische Nederlanden’, waarvan ook de Walen deel zouden uitmaken, een Benelux-model ‘avant la lettre’.

 

Al deze nieuwbakken politieke theorieën werden bovendien bëinvloed door de crisis waaraan de parlementaire democratie in Europa onderhevig was.

 

De Tweede Wereldoorlog heeft aan deze gevaarlijke denkbeelden een bruusk einde gemaakt. De ideologische uitspattingen van totalitaire regimes hadden veler ogen geopend. Maar vooral de schaalvergroting van wereldeconomie, techniek en internationale politiek had de 19e-eeuwse souvereiniteit van de staten zelf, zowel de grote als de kleine, twijfelachtig gemaakt. Het naoorlogse debâcle maakte de internationale samenwerking noodzakelijk. De Benelux-samenwerking, voor de oorlog haast politiek ondenkbaar, werd in enkele jaren een feit. In de vijftiger jaren kwamen de E.G.K.S., daarna de verruimde E.E.G. tot stand;

[p. 107]

de Marshall-hulp, de NAVO, de koude oorlog leidden tot de afbraak van het autarkisch nationalisme, dat in de hele 19e eeuw het staatkundig denken had gedomineerd.

 

Dit alles ging aan de Vlaamse Beweging niet voorbij. Ook haar denkwereld werd in de maalstroom opgenomen. Een deel van de actieve politieke en intellectuele generatie was door de naoorlogse repressie uitgeschakeld. Al lagen de politieke vergissingen daaraan ten grondslag, toch werd - zoals na Wereldoorlog I - door de Frans-Belgische reactie getracht van de fouten en intellectuele verwarring van enkelen gebruik te maken om de historische doelstelling van de Vlaamse Beweging - met name het herstel van de Nederlandse taal, cultuur en beschaving in het Nederlandssprekend deel van de Zuidelijke Nederlanden - definitief stop te zetten.

 

In 1947 verklaarde nog een Eerste Minister - Paul Henri SPAAK - dat het Vlaamse probleem volledig was opgelost en nu tot het verleden behoorde.

 

Maar de culturele en politieke bewustwording was toen in alle Vlaamse generaties te ver gevorderd. Er was ook een positieve zijde: de Vlaamse doctrine werd gezuiverd van een aantal avontuurlijke dagdromen en uitzichtloze politieke doctrines. Het ‘reformistisch element’ kreeg opnieuw de bovenhand, ook in de Vlaamse vleugels van de partij-politieke formaties. Zelfs in de sinds 1960 actieve nationalistische partij - de Vlaamse Volksunie - opteerden de leiders voor meer reële Vlaamse doelstellingen, te realiseren binnen het Belgische staatsverband.

II. De Belgische Grondwetsherziening van 1971

Ik had het zojuist over de schaalvergroting van onze wereldmaatschappij en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor het staatkundig denken en de maatschappijverhoudingen van vandaag.

 

De macht van souvereine staten werd door de internationale verbanden steeds meer uitgehold. Daartegenover blijken paradoxaal genoeg de culturele en taalkundige gemeenschappen binnen en boven de staatkundige eenheden hun levenskracht steeds meer te versterken.

 

De Vlaamse historicus Max LAMBERTY heeft deze paradox eens als volgt beschreven:

 

‘Naarmate de afstanden kleiner, de contacten gemakkelijker geworden zijn, ziet men de belangstelling voor de eigen levensgewoonten,

[p. 108]

de eigen traditie, de eigen cultuurwaarden, de eigen taal sterker worden’.

 

Inderdaad, het zogenaamde achterlijk ‘taal- en cultuur-particularisme’, wat het Jacobijnse 19e-eeuwse staatsmodel had willen negeren en uitroeien - denk aan de onderdrukking van de taalminderheden in Frankrijk - kreeg juist in de moderne tijden een buitengewone vitaliteit.

 

Het heeft deze dynamiek ook vandaag onverminderd behouden. Het leidde hetzij tot staatkundige emancipaties (zoals b.v. Noorwegen, Finland, Ierland, de Balkanstaten) hetzij tot ernstige binnenlandse spanningen (Joegoslavië, Italië [Zuid-Tirol], Spanje, zelfs het vredige Zwitserland), ofwel tot interne hervorming binnen het bestaande staatsverband. Dit laatste deed zich in België voor.

 

De Vlaamse Beweging kon vrij vroeg belangrijke successen boeken, zij het voorlopig slechts van theoretische betekenis. De wettelijke gelijkheid van het Nederlands en het Frans als officiële talen in België werd in 1898 veroverd.

 

In 1932 werd de eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië uitgevaardigd.

 

Maar het bleef bij principes. In de praktijk zou het nog een halve eeuw duren vooraleer de weerslag ervan in het maatschappelijk leven echt werkelijkheid zou worden.

 

Vanaf de dertiger jaren werd inderdaad door vooruitziende politieke leiders ingezien dat een hervorming van de Belgische staat op korte termijn een onafwendbare politieke noodzaak was.

 

In 1936 werd een studiecentrum voor de hervorming van de Staat opgericht.

 

In 1938 werd een eerste schuchtere stap gezet in de erkenning van de regionale eigenheid. De Regering richtte twee ‘Cultuurraden’ op die haar in onderwijs- en culturele aangelegenheden dienden te adviseren. Wereldoorlog II onderbrak opnieuw deze ontwikkeling.

 

Zelfs in de politieke verwarring van de naoorlogse periode hadden de belangrijkste politieke leiders - zo Frans- als Nederlandstaligen - opnieuw spoedig aandacht voor wat een constante in de politieke geschiedenis van België was geworden: het talenvraagstuk of wat in

[p. 109]

het Belgisch jargon steeds meer wordt genoemd: ‘de communautaire vraagstukken’.

 

Op voorstel van een jonge Waalse volksvertegenwoordiger Pierre HARMEL werd in 1946 een nieuw studiecentrum opgericht dat de hervorming van de Staat in alle stilte zou moeten voorbereiden.

 

In de vijftiger jaren kwamen andere politieke onweerswolken het proces van de regionalisering van de Belgische staatshuishouding afremmen: de Koningskwestie in 1950, de schoolstrijd in 1956, benevens de continue frustraties van de oorlogsjaren.

 

Maar vanaf 1961 was het Vlaamse offensief niet meer te stuiten. Nieuwe Vlaamse generaties waren aangetreden. Zij deden zich ook gelden in de verschillende politieke formaties.

 

De hervorming van de Belgische staat gebeurde in twee fasen.

 

Zij nam een definitieve aanvang tijdens de eerste naoorlogse ‘grote coalitie’ van Christen-Democraten en Socialisten (1961-1965) onder leiding van twee staatsmannen van formaat Théo LEFEVRE en P.H. SPAAK. Het was één van die zeldzame regeringen die, niet alleen in België maar ook elders, somtijds nodig zijn, omdat ze wist wat ze wilde.

Zij nam een aantal draconische maatregelen, die de sinds de wet van 1898 principiële gelijkheid van het Frans en het Nederlands als officiële talen in België ook in de praktijk zou toepassen.

 

Een tweede reeks belangrijke wetten voltooide het wetsbeginsel van 1932 op de officiële eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië.

 

Dezelfde regering kon in 1963 overgaan tot de wettelijke vastlegging van de taalgrens en het tweetalig statuut van de hoofdstedelijke agglomeratie uitvaardigen.

 

De rijksadministratie, het leger, de diplomatie, het gerecht werden nu op taalkundig gebied niet alleen wettelijk maar ook in de praktijk gesaneerd: de helft van de leidende functies zouden van dan af worden toegewezen aan Nederlandstaligen op basis van een Nederlandstalige onderwijsopleiding en diploma.

 

In de gemeentelijke administratie van Brussel-hoofdstad moeten de leidende ambtenaren voor de helft uit Franstaligen en Nederlandstaligen bestaan. De overgangstijd verstrijkt op 1 september 1973.

[p. 110]

In het bedrijfsleven moeten de officiële documenten en betrekkingen met de werknemers uitsluitend in de taal van de streek gebeuren.

 

In het onderwijs werd elke vorm van Franstalig onderwijs in Vlaanderen (de zgn. ‘transmutatieklassen’) opgeheven.

 

Later - na een nieuwe regeringscrisis (1967) - kreeg een laatste probleem een oplossing: de aanwezigheid van een Franstalige Universiteit in Vlaanderen, met name te Leuven. De Franstalige afdeling van de aloude Universiteit werd in 1967 in beginsel naar Wallonië overgeheveld (Louvain-la-Neuve te Ottignies).

 

De homogeniteit van de Nederlandse en de Franse culturele territoria was van af dat ogenblik een feit.

 

De tweede en meest grondige etappe was de grondwetsherziening van 1971.

 

Ik zal aan de lange en ingewikkelde geschiedenis van de parlementaire procedure voorbijgaan, want deze was inderdaad uiterst moeizaam. De Grondwet van 1830 had het wetgevend mechanisme voor een grondwetswijziging uiterst moeizaam gemaakt: o.m. vergde elke wijziging van een grondwettelijk artikel een parlementaire 2/3e meerderheid. Het werd een krachttoer om de uiteenlopende standpunten van regionalisten, federalisten en overblijvende unitaristen te verzoenen.

 

Premier EYSKENS en de Minister voor Gemeenschapsbetrekkingen Leo TINDEMANS konden, in een nieuwe coalitie van Christen Democraten en Socialisten een haalbaar compromis uitwerken, na daarvoor de steun van een van de oppositiepartijen te hebben verworven.

 

Uitvoeriger moet ik stilstaan bij het resultaat van deze grondwetsherziening.

 

Zij is inderdaad van fundamentele betekenis en zal niet alleen het staatkundige, maar ook het maatschappelijk en cultureel uitzicht van België in de komende decennia grondig veranderen. Zij is ook van grote invloed voor de samenwerking tussen België en Nederland en, uiteraard voor de toekomst van de Nederlandse cultuur intra en extra muros.

 

Deze grondwetsherziening was echter het resultaat van talloze com-

[p. 111]

promissen. De Regering verklaarde de centralistische en unitaristische staatsconceptie van 1830 officieel als voorbijgestreefd.

 

Wat werd in de plaats gesteld? Een Federale Bondstaat, een Statenbond, een geregionaliseerde of provinciale Staat? De Belgische oplossing was een hervorming sui generis. Benevens de klassieke indeling in gemeenten en 9 provincies, werd België bij de herziening van de grondwet onderverdeeld

-in 3 culturele gemeenschappen: de Nederlandstalige (± 58%), de Franstalige (41,4%), de Duitstalige (0,6%) gemeenschap. (Art. 3ter van de Grondwet).
-in 3 gewesten:
het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse gewest. (Art. 107 quater).
-in 4 taalgebieden:
het Nederlandse, het Franse, het Duitse (Oostkantons) en het tweetalig gebied van Brussel-Hoofdstad.

De centrale wetgevende macht (het Parlement) werd herverdeeld: alle zaken van onderwijs en cultuur (met uitzondering van die van nationaal belang - bv. de ideologische onderwijsvrede, de schoolplicht, het statuut van leerkrachten -) werden overgedragen aan twee nieuwe wetgevende lichamen: de Cultuurraden voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap en voor de Franse Cultuurgemeenschap (de zgn. cultuurparlementen).

 

De bevoegdheden van de Cultuurraad zijn wettelijk vastgelegd en behelzen alle culturele aangelegenheden, gaande van ‘de bescherming en de luister van de taal’ tot de monumentenzorg, het toerisme, en de internationale culturele samenwerking. Zij bepalen ook de taalwetgeving in het eigen taalgebied.

 

Voor aangelegenheden van nationaal cultureel belang en ook voor de culturele aangelegenheden in Brussel die voor de twee Culturele gemeenschappen van betekenis zijn, blijft het centrale parlement bevoegd.

 

Van belang is nog de culturele bevoegdheid die in Brussel werd overgedragen aan twee afzonderlijke ‘Culturele Commissies’ voor de 19 gemeenten van de Brusselse agglomeratie.

[p. 112]

De cultuurparlementen zijn samengesteld uit respectievelijk de Nederlandstalige en Franstalige leden van het Parlement, dus zowel de Eerste als Tweede Kamerleden. Zij zetelen afzonderlijk.

 

Voor de kleine Duitssprekende bevolking van ongeveer 60.000 zielen is een afzonderlijke Duitstalige cultuurraad voorzien met raadgevende bevoegdheid.

 

De beide cultuurraden krijgen van de Regering een financiële dotatie vastgesteld volgens ‘objectieve verdeelcriteria’ (nog een aanleiding tot veel politiek geharrewar).

 

De cultuurraden beschikken dus niet over eigen fiscale bevoegdheid, wat door velen als een ernstig tekort wordt aangevoeld.

 

Wat op het culturele vlak vrij eenvoudig af te bakenen was - ook voor het tweetalige Brussel - bleek heel wat ingewikkelder op het economisch gebied.

 

De grondwetgever is hier niet zover gegaan als op cultureel gebied. Wel werd principieel voorzien in de oprichting van afzonderlijke gewestelijke economische organen met reglementerende bevoegdheid in zaken van regionaal economisch belang (o.m. problemen van industrievestiging, ruimtelijke ordening, leefmilieu etc.). Deze organen zijn nog niet opgericht.

 

Eigenlijk zou ik het ook nog moeten hebben over bijkomende, maar belangrijke nevenaspecten van deze grondwetsherziening zoals bv. de wettelijke waarborgregels tot vermijden van ideologische en filosofische discriminatie, een heet hangijzer in de zuidelijke Nederlanden sinds de Spaanse overheersing.

 

Ik zou u ook moeten spreken over een afzonderlijke wet tot bescherming van de levensbeschouwelijke minderheden (de cultuurpactwet). De tijd laat mij dit niet toe.

 

Het illustreert alleen het uiterst ingewikkeld karakter van een biculturele en pluralistische staat, die eeuwenlang de tegengestelde invloeden heeft ondergaan van de twee grote basisculturen in Europa: de Germaanse en de Romaanse.

[p. 113]

III. Enkele kanttekeningen over de toekomst van de Vlaamse Beweging

1) Na 100 jaar verbeten strijd hebben de Vlamingen een situatie bereikt, die voordien nooit in de taal- en culturele geschiedenis van de Zuidelijke Nederlanden heeft bestaan:

-de officiële erkenning van de taalhomogeniteit van het Nederlandse cultuurgebied in België;
-de autonome wetgevende beschikking over taal-, culturele en (in wat mindere mate) onderwijsaangelegenheden.

Deze toestand zal Vlaanderen gelegenheid geven zijn culturele opgang - die nog op een aantal gebieden, zoals het verbeterd gebruik van een algemene Nederlandse omgangstaal, er op neer komt de drie eeuwen culturele achterstand in te halen - zelfstandig te bevorderen.

 

2) De grondwetsherziening is niet de enige spectaculaire wijziging die zich in de laatste decennia in België, meer speciaal in Vlaams-België heeft voltrokken.

 

Even spectaculair is de Vlaamse opgang op wetenschappelijk gebied, meer bepaald in het Hoger Onderwijs, en wat haar economische welvaart betreft.

 

a. Vier nieuwe universiteiten kwamen tot stand:

Leuven wordt integraal Nederlands (met een afdeling in Kortrijk); Brussel kreeg een nieuwe, zelfstandige Nederlandstalige Universiteit. In Antwerpen werd een nieuwe Universiteit opgericht en Limburg kreeg een eigen universitaire stichting (met als schaduwzijde de gemiste kans van één Belgisch-Nederlandse Universiteit).

 

Terwijl in 1950 nauwelijks 36% van de universitaire bevolking uit Vlamingen bestond (op een verhouding van 58% Nederlandstalige Belgen!), waren er in 1970 voor het eerst meer Nederlandstalige dan Franstalige studenten (van Belgische nationaliteit). In 1972 liep dit percentage op tot 52%.

 

b. Een andere spectaculaire wijziging in het traditionele Belgische beeld ligt in de explosie van de economische welvaart in Vlaanderen.

 

Tot rond de vijftiger jaren een uitgesproken landbouwgewest (met hoge structurele werkloosheid, pendelarbeid, lage inkomens), kent de

[p. 114]

Vlaamse regio vandaag een belangrijke economische expansie, die zij overigens deelt met het hele delta-gebied van Benelux.

 

De opgang van het Antwerpse havengebied is opmerkelijk en de nabijheid van de zee een belangrijke troef voor nieuwe industrievestiging.

 

In de eerstkomende 15 jaar zal het bruto-regionaal produkt in Vlaanderen met niet minder dan 6,2% per jaar toenemen. Indien dit werkelijk zo is, zal de Vlaamse economie 2,5 maal sneller stijgen dan de Waalse.*

 

Alle vooruitgang heeft zijn keerzijde: in één woord moet dan ook vermeld worden in welke mate het natuurlijk leefmilieu, het ecologisch evenwicht en de ruimtelijke ordening een probleem van prioritaire orde is geworden.

 

3) Is de Belgische staatkundige ontwikkeling nu voor een tijd tot stilstand gekomen? Mijn mening is dat in het eerstvolgend decennium nog gevoelige wijzigingen noodzakelijk zullen blijken.

 

Het Belgisch evenwicht is stevig, maar subtiel. De nieuwe staatkundige organen zijn het gevolg van veel compromissen, waarbij de administratieve overzichtelijkheid en de doeltreffende bestuurbaarheid zachtjes in het gedrang zijn gekomen.

 

Bovendien heeft Brussel als tweetalige hoofdstad de uiteindelijke taalvrede en harmonische culturele verhouding op verre na niet bereikt, alhoewel de wettelijke waarborgen de Vlaamse Brusselaar principieel en theoretisch voldoening kunnen geven. Brussel, deze oude Nederlandse stad, blijft voor Vlaanderen een ‘nachtmerrie’ en een ‘steen des aanstoots’.

 

4) Een laatste kanttekening betreft de samenwerking tussen ‘de twee loten van de Nederlandse stam’, België en Nederland.

 

De Vlaamse overwinningen en successen van de naoorlogse periode in de Belgische verhoudingen hebben één donkere schaduwzijde.

[p. 115]

Wat onmiddellijk na W.O. II een hoopvol vooruitzicht was - ik bedoel de oprichting van Benelux - is helaas vandaag ineengeschrompeld (ik nuanceer mijn woorden!) tot een weinig zeggende vorm van materieel goederen-verkeer.

 

De kans voor een hechtere uitdijende samenwerking van handel en economie tot de sfeer van de maatschappelijke, ja politieke cohesie (de woorden zijn van Minister van Buitenlandse Zaken R. Van Elslande) is waarschijnlijk voor lang verkeken.

 

De ontgoocheling van Benelux wordt niet gecompenseerd door het relatieve succes van de Europese samenwerking.

 

Benelux had een sterkere positie in Europa kunnen verwerven - op alle gebieden - indien de oorspronkelijke ontwikkeling was doorgezet.

 

Wie is daar schuldig aan? Onze Franstalige landgenoten hebben zich hardnekkig verzet tegen elke uitbreiding van Benelux buiten het strikt economische. Hun argument: het gevaar van een zgn. culturele overheersing van een minderheid van Franssprekenden door 18 miljoen Hollanders en Vlamingen.

 

Voor de minderheidspositie van de Nederlandse taal en cultuur in Europa - waartegen een sterkere Nederlands-Vlaamse culturele eenheid een rechtmatig tegenwicht mocht zijn - hebben zij geen gehoor.

 

Wat staat ons te doen? De ‘internationale culturele samenwerking’ ressorteert onder de bevoegdheid van de Nederlandse Cultuurraad in België.

 

Geen Belgisch parlement of Waalse oppositie kan beletten dat Vlamingen en Nederlanders een aantal culturele sectoren en aktiviteiten gemeenschappelijk op touw zetten.

 

Wij moeten in de leer gaan bij de E.E.G.-administratie. Zij is de constante motor van de Europese integratie. Welnu, ik meen dat naar analogie met het in Brussel aanwezige Benelux-ambtenaren-apparaat er een Nederlands-Vlaamse culturele administratie voor gemeenschappelijke culturele zaken zou moeten worden opgericht.

 

Waarom zou de zaak van de buitenlandse lectoren, de IVN, de vertaalpolitiek, het lexicologisch instituut, ja de spelling, - voor onze cul-

[p. 116]

tuur levensbelangrijke aangelegenheden, die nu zwalpen tussen de Brusselse en Haagse administratie - niet toevertrouwd kunnen worden aan een eigen supra-nationale culturele instelling?

 

Wij leven in het tijdperk waar de kreet van de ‘decentralisatie’ aan de orde van de dag is. Dat moge voor economie en politiek gelden, maar wat de Nederlandse cultuur betreft moeten wij de nadelen van drie eeuwen scheiding nu ombuigen in een zo sterk mogelijk gemeenschappelijk beleid.

 

Er is geen andere weg; willen wij in Europa en in de wereld de plaats blijven bekleden die wij op cultureel en artistiek vlak steeds hebben bekleed, dan is en blijft in een aantal gebieden culturele integratie noodzakelijk.

 

Bij de aanvang van mijn betoog stelde ik de vraag of de ontwikkeling van de Vlaamse Beweging in België voor de toekomst van de Nederlandse Cultuur extra muros enige betekenis had.

 

Ik hoop dat u met mij instemt dat de vraag slechts een retorisch belang had; maar het antwoord van levensbelang is voor de toekomst van de Nederlandse cultuur intra en extra muros.

Korte bibliografie van recente publicaties

Leo Tindemans, Een handvest voor woelig België, Van In, Lier, 1972.
Manu Ruys, De Vlamingen, Lannoo, Tielt, 1973.
(ook: Les flamands en The Flemings)
Robert Senelle, De grondwetsherziening 1967-1971. Uitgave Ministerie van Buitenlandse Zaken, Brussel, 1972.
M. Boey, J. Fleerackers, W. Sanders, Guide to Flanders, the Dutchspeaking part of Belgium / Guide pour la Flandre, la partie néerlandophone de la Belgique. Lannoo, Tielt, 1973.

Recente wetenschappelijke literatuur over de Vlaamse Beweging vormen de uitgebreide publicaties van Dr. A.W. Willemsen, Dr. H. Elias, Dr. M. Lamberty, Prof. M. Devroede, Prof. L. Wils.