terug  begin  verderprepost
[p. 95]

‘A Dutch puzzle’
Pronomina van de tweede persoon
door mw. dr. Jo Daan
(vh. Amsterdam)

De titel ‘A Dutch puzzle’ is me ingegeven door de bijna gelijke titel van een boek dat ik erg bewonder, ‘The Dutch puzzle’ van de Duke de Baena, die Spaans gezant in Nederland is geweest. Nadat hij jarenlang tussen ons had geleefd en voor de Nederlanders een grote sympathie had gekregen, hield hij met dat boek ons een spiegel voor, waarin we ons zelf konden herkennen. Ondanks het feit dat hij zelf meende de tegenstrijdigheden en onduidelijkheden die hij had opgemerkt, niet tot een afgerond geheel te kunnen combineren, heeft deze buitenstaander een verhelderend beeld van ons gegeven.

 

Ik hoop iets te kunnen doen van dezelfde aard. De laatste jaren is het probleem: hoe in het Nederlands de pronomina van de tweede persoon te gebruiken in mijn omgang met mijn mede-Nederlanders, voor mij steeds ondoorzichtiger geworden. Stelt u zich voor wat dat betekent voor iemand die bijna dagelijks nieuwe, hem onbekende mensen ontmoet, hoe frustrerend - dit modewoord is op deze plaats erg gemakkelijk - zo iets werkt op je taalhantering. En in mijn onmacht en soms zelfs wanhoop, heb ik meer dan eens gedacht: ‘Wat moeten en kunnen docenten in het buitenland hun studenten en leerlingen leren, om ze voor te bereiden op een bezoek aan Nederland en een meer dan oppervlakkig contact met Nederlanders?’.

 

Vóór, laat ik zeggen 1940, het begin van de Tweede Wereldoorlog, gaf het gebruik van de pronomina in de aanspraak ook wel eens moeilijkheden, maar er waren enkele vuistregels te geven die vergelijkbaar waren met de regels die Nederlandse kinderen op school leerden voor het gebruik van pronomina van de aanspraak in het Frans en het Duits. Daar kon je ver mee komen en het heeft heel lang geduurd voordat ik in mijn zekerheid over die regels voor het Frans en het Duits geschokt was. Ik wil U twee geschiedenissen vertellen, aan de ene kant om te laten zien hoe prettig-veilig die vuistregels kunnen zijn, aan de andere kant omdat ik me moeilijk kan verplaatsen in de situatie van een buitenlander die Nederlands leert en geen leukere heb kunnen ver-

[p. 96]

zinnen ter demonstratie van de vuistregels voor het Netherlands. Waarom zou ik ook, ‘la réalité dépasse la fiction’.

 

Voor het Frans hadden we op school de regels geleerd die in de Grammaire Larousse du XXe siècle, gedrukt in 1936, staan: tu wordt gebruikt tussen nauwe verwanten, goede vrienden, kinderen en jonge mensen (in de dertiger jaren werd je in dezelfde situaties gebruikt, al waren de grenzen wat ruimer). Maar toen ik in 1950 in een restaurant in Blois dineerde, zaten aan een tafel naast de mijne een vader en moeder met dochtertje van ongeveer 3 jaar. Uiterlijk, kleding en gedrag van de ouders wezen op een milieu van notabelen of adel. Tot mijn grote verbazing spraken zij hun dochtertje aan met vous, zoals zij hun. Ik had voor mezelf een verklaring die me zo vanzelfsprekend voorkwam dat ik nooit gezocht heb naar een bevestiging. Het leek me nl. vanzelfsprekend dat in bepaalde zeer gedistingeerde milieus het gebruik kon voorkomen dat men altijd vous zei.

 

Het tweede verhaal, dat het Duits betreft, is wat vreemder en het moment waarop ik in mijn zekerheid werd geschokt, was voor mij niet erg aangenaam. Voor het gebruik van het Duitse du hadden we ongeveer dezelfde regels geleerd als voor Frans tu. Voor mij was het er op neer gekomen, in de loop der jaren, dat ik alleen Sie gebruikte en nooit du. Ook het gebruik door Duitse kennissen en kollega's leek met de regels overeen te komen. Maar toen ... Ik was te gast bij een Duitse collega en zijn vrouw. Het gesprek kwam op het gebruik van du en Sie in het algemeen. Ik had het gesprek voorzichtig deze kant opgeleid, omdat ik meer dan eens had gehoord dat deze collega en een ons gemeenschappelijke Duitse vriendin elkaar dutzten, ik vroeg me af of ik hem kon voorstellen dat tegenover mij ook te doen. De gewoonte om elkaar te tutoyeren nam in Nederland hand over hand toe en onze relatie was volkomen vergelijkbaar met die tussen mij en meer dan één Nederlandse collega; en voor mij die veel meer gewend was aan de vertrouwelijke vorm, was het gebruiken van Sie tegen iemand die toch een goede vriend was, niet helemaal prettig. Zeer in het algemeen stelde ik het probleem, nl. of die regels voor het gebruik van du en Sie nu wel zo absoluut waren, want dat je toch wel eens hoorde ... enz. De echtgenote reageerde onmiddellijk met: ‘Wenn ein Mann und eine Frau einander dutzen, hat sich etwas passiert’. Daarop reageerde de man met: ‘Etwas passiert, etwas passiert’. op een toon of hij wilde zeggen: ‘dat gaat wat ver’. Ik zat met mijn mond vol tanden want ik kon hem niet vragen, waarom hij dan onze gemeenschappelijke vriendin wel tutoyeerde; mogelijk had ik met deze vraag een huwelijkstragedie ontketend. Ik heb het ook in dit geval moeten doen met een eigen verklaring, die ik niet kon verifiëren, nl. dat de collega en de vriendin waarschijnlijk samen gestudeerd hadden, misschien waren ze wel verliefd op elkaar geweest, misschien was er bijna iets gebeurd of mogelijk echt wel

[p. 97]

iets. Alle gevallen leken me voldoende verklaring voor het dutzen.

 

Als u uw leerlingen nú het gebruik van de aanspreekvormen in het Nederlands leert, kunt u ze geen vuistregel geven als die van vóór 1940, maar een andere is er ook niet. Misschien is het jammer dat die van vóór 1940 niet meer gelden. Maar daardoor zullen uw studenten ook niet geschokt worden tot in hun morele grondvesten, zoals ik in het tweede geval geschokt kon worden.

 

Het Duits en het Engels, het eerste met twee aanspreekvormen waarvan het gebruik min of meer voorspelbaar is, het andere met altijd you hebben het beide gemakkelijker dan het Nederlands. Zowel het Duitse als het Engelse gebruik is praktisch, het Nederlandse gebruik, zeker nú, is erg onpraktisch. Wat het stadium van de ontwikkeling betreft zou je kunnen zeggen dat het Nederlands een middenpositie inneemt tussen Duits en Engels, wat de doelmatigheid betreft kun je het onpraktische Nederlands tegenover de beide andere talen zetten. Maar als ik een keuze moet maken tussen de beide doelmatige vormen van het gebruik van de aanspraakvormen, zou ik kiezen voor de Engelse, en ik zou de tegenwoordige chaotische toestand in Nederland verkiezen boven het praktische gebruik in het Duits.

 

Als je zo bezig bent met Germaanse talen tegen elkaar af te wegen, gaan je gedachten natuurlijk uit naar die alleraardigste lezing van Van Haeringen uit 1956: Nederlands tussen Duits en Engels. Ik lees u het gedeelte voor dat hij, die toen ruim 60 jaar was, twintig jaar geleden dus, wijdde aan de aanspreekvormen. De toestand die hij schildert is nú zeker verouderd, maar zijn standpunt is ook kenmerkend voor zijn leeftijd en waarschijnlijk ook voor zijn milieu. Hij zegt daar het volgende:

 

‘Er is nog niet gesproken over de bijzondere complicaties met het pronomen gij, dat in het noorden een stijve boekenvorm is, maar daar toch ook in geschrifte, en ook in meer verzorgde taal van voordracht en betoog, niet helemaal gemist kan worden, terwijl in het zuiden gij zo levend en hartelijk is als maar denkbaar. Hartelijk en daarom niet tevens te gemeenzaam, zodat het met het Engelse you zou kunnen worden vergeleken. Het is te begrijpen dat sommigen onder onze Vlaamse taalgenoten niet zonder tegenzin afstand doen van gij ter wille van de eenheid in beschaafde spreektaal, en zich het U aanwennen, dat ze op zijn beurt dwingt een modus vivendi te vinden met je en jij en jou, waarvan het gebruik ook voor degenen die erin zijn opgegroeid, al delicaat genoeg is.

 

Met dat U raken we een bijzonderheid die het Nederlands en het Duits gemeen hebben, en die het Engels mist, beter gezegd: waarvan het Engels vrij is, namelijk de onderscheiding tussen een

[p. 98]

gemeenzame en een beleefde of distanciërende aanspreekvorm. De grens tussen Sie en du is in het Duits scherper getrokken dan die tussen het Nederlandse U en de vele gradaties van tutoyering, als daar zijn: je wel aan te durven, maar jij nog net niet, en jou nog helemaal niet; en de vrij grote stap die er ligt tussen het mondeling aanvaarde tutoyement en de toepassing daarvan ook in brieven: als die stap te groot is, moet soms gij of het net even gemeenzame ge in de brief te baat genomen worden. Het Engels is er inderdaad het beste aan toe met zijn universele you. Het geringe gemis aan hartelijke intimiteit die er aan het Duitse du is, wordt door het grote gerief van de algemene aanspreekvorm ruim opgewogen. En in vergelijking met het Nederlandse jij, jou kunnen we ternauwernood van enig gemis spreken; de Nederlandse gemeenzame aanspreekvorm immers mist de zuivere intimiteit, omdat het ook “uit de hoogte” door de meerdere tegen de mindere wordt gebruikt.’ Einde van het citaat.

 

Typisch ‘ouderwets’ in deze opvatting (ik zeg niet verouderd) zijn de volgende punten:

1.het gebruik van gij, ge in verzorgde taal en in geschrifte;
2.het verschil dat wordt gemaakt tussen mondeling en schriftelijk taalgebruik;
3.het gebruik van je, jij door een meerdere tegenover een mindere. Als u uw leerlingen regels wilt geven, kunt u ze leren dat ze deze drie regels nú in geen geval moeten toepassen.

Ik wil u het slot van deze passage niet onthouden, omdat Van Haeringen daarin wijst op het grote belang van een goed gebruik van de aanspreekvormen:

 

‘Voor de waardering van de taal als instrument van verkeer hebben vooral de aanspreekvormen belang, omdat ze in de dagelijkse omgang steeds nodig zijn; ze zijn de scharnieren van elk gesprek, en weinig minder gewichtig in het schriftelijk verkeer. Op dit punt nu spant het Engels de kroon. Het Duits staat uit een oogpunt van praktijk en economie tussenin, maar duidelijk op de betere helft. Het Nederlands vertoont in dit stuk van zijn taaltuin geen wildernis, maar wel een te weinig door schoffel en hark en snoeimes geordende en ingeperkte weligheid’. Einde van het citaat. Ik heb geen idee hoe Van Haeringen, als hij nu dit stuk zou herschrijven, een en ander zou formuleren. Wel weet ik zeker dat ikzelf, die ongeveer 20 jaar jonger ben dan hij, zijn regels nooit heb toegepast, want gij en ge heb ik nooit gebruikt, noch in mondeling, noch in schriftelijk verkeer, ik heb nooit verschil gemaakt in aanspreekvorm tussen mondeling en schriftelijk gebruik, en ik heb nooit je en jij gebruikt tegen wat hij een ‘mindere’ noemt, wel tegen jongeren. De enige uitwijkmogelijkheid, waarvan ik wel eens in bijzondere verhoudingen gebruik gemaakt heb, was deze: als aanspreekvorm u in

[p. 99]

combinatie met de achternaam. Ik kan me twee gevallen herinneren, beide bedienden van de Akademie van Wetenschappen, waarvoor ik zoveel sympathie had, dat ‘meneer’ gevolgd door de achternaam storend werkte. Mijn respect voor beiden verbood me over te gaan op eenzijdig tutoyeren. Ik geloof dat hiermee wel de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van vroeger zijn aangegeven. Die veranderingen waren al lang gaande toen Van Haeringen dit schreef, maar hadden eerder plaats gevonden in jongere generaties en andere sociale milieus.

 

Voordat ik probeer niet te schoffelen en te snoeien, maar na te gaan of hier sprake is van ‘weligheid’ zoals Van Haeringen het noemt en van gerichte ontwikkeling, en samen met u te onderzoeken, meer synchroon en concreet, of er een vuistregel te geven is voor het gebruik van de aanspreekvormen, wil ik eerst wat teruggaan in de taalhistorie en uitzwermen over het taalgebied om u te laten beseffen dat de weligheid er al lang was en, naar mijn gevoelen althans, sterk afhankelijk was van de sociale verhouding. Over de historie kan en moet ik kort zijn, niet alleen omdat er veel over geschreven is, maar vooral omdat we van het gebruik in mondelinge communicatie in vroeger tijd maar bedroefd weinig weten.

 

Taalgeleerden hebben zich met de herkomst en ontwikkeling van het beleefdheidspronomen u in vroeger eeuwen beziggehouden. Een samenvatting van hun beschouwingen is door Van Haeringen opgenomen in zijn Netherlandic Language Research (2e druk 1959). Heel kort samengevat dit: men neemt aan dat gij/ge in het noorden, met name in Holland, werd tot jij/je als gevolg van een meer algemene klankwijziging en dat zich omstreeks 1600 een nieuw beleefdheidspronomen ontwikkelde, U, dat in de geschreven taal eerst verschijnt als UE en naast gij in de schrijftaal in gebruik komt. In de middeleeuwen was het pronomen voor het enkelvoud du, dat aan het einde van de 16e eeuw verouderd lijkt te zijn. In plaats van du voor het enkelvoud en gij/ge voor het meervoud en de beleefdere aanspraak, komt dan dus jij/je voor enkelvoud vertrouwelijk, en gij/U voor meervoud en beleefd. Ik leg er, waarschijnlijk ten overvloede, de nadruk op dat gij de werkwoordsvorm van de 2e persoon meervoud bij zich heeft, maar dat UE altijd die van de derde persoon enkelvoud heeft. Nu nog is dit merkbaar uit het feit dat u gebruikt kan worden met het werkwoord in de vorm van de tweede persoon meervoud (vorm die ook gij bij zich heeft, waarmee u op een lijn wordt gesteld) én van de derde persoon enkelvoud die bij UE, dat is Uwe Edelheid hoorde. De ene Nederlander vindt U hebt beschaafd en U heeft van minder allure, de ander net omgekeerd. (Het zou nit onaardig zijn eens een onderzoek te doen naar het gebruik. Van een enquête verwacht ik hiervoor heel weinig. Dan zegt men meestal wat men geleerd heeft op school of in zijn milieu).

[p. 100]

Maar wat werd er in de gesproken taal gebruikt? Het is moeilijk dit op te maken uit de geschreven taal, omdat spellingen met g en j naast elkaar voorkomen zonder dat we kunnen uitmaken of achter deze spellingen ook verschillende uitspraak waarschijnlijk is. Verdenius heeft, in zijn artikel over de ontwikkelingsgang van je en jij, dat eerst in het Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde verscheen en dat later werd opgenomen in de bundel Studies over zeventiende-eeuws (1946), een poging gedaan de spellingen met g en gh in verband te brengen met de stijl en de situatie van de teksten van Bredero, waarin ze voorkomen. Hij veronderstelde dat de g-spelling j aanduidde en gh g. Zijn poging om langs statistische weg enige orde in de chaos, die mogelijk slechts schijnbaar was, te brengen is mijns inziens te weinig bekend. Op deze manier zou men waarschijnlijk meer te weten kunnen komen.

 

In de achttiende eeuw was er zeker verschil tussen twee vormen van het pronomen van de tweede persoon; en toen kende men ook, wat nu nog in vele streektalen voorkomt, een derde manier van aanspreken die als de meest beleefde werd en ook nu nog wordt beschouwd. Ik heb me vaag uitgedrukt en niet man en paard genoemd. Uit het volgende citaat zal het duidelijk worden.

Lambert ten Kate schreef in zijn Aenleiding tot de Kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche Sprake (1923), in dl. 1 op blz. 473 het volgende: ‘N. wanneer een Minder zijnen Meerder, of Lieden van Aenzien en Opvoeding elkander aenspreken, is men thans, volgens de beleeftheid, gewoon, den aengesprokenen in de 3. Persoon te bejegenen; als, HEEFT MYN HEER DAT VERRIGT? dog plomper klinkt het, MYN HEER HEBT GY DAT VERRIGT?

L. 't Is waer, het laetste zou een groote Gemeenzaemheid veronderstellen; en daerom komt ons JE en WE in stêe van GY en WY gevoeglijkst in Gemeenzamen stijl, wanneer men tegen Zijns-gelijke spreekt, als JE HEBT, WE HEBBEN, voornamelijk wanneer ze 't Verbum volgen, als HEB JE, HEBBEN WE: in welk laeste geval, de T die agter 't Verbum bij de tweede persoon behoort, om de vloeijendheid word agtergelaten, want men zegt nog schrijft nimmer Hebt je. Dit JE voor GY is zo gemeenzaem in de Praet-tael, dat ‘er GY ten eenemael gemaekt klinkt; en word’ er ook zelf dit JE in de Verbogene Casus gebruikt, als VAN JE en AAN JE; dog dit, als te laeg, te plat, en al te gemeenzaem, is tot nog toe buiten alle Schrijftael gehouden.

N. Is het derhalven niet jammerlijk en aenstootelijk, dat men zo menigvuldig op den Predikstoel in de Gebeden, met dit platte en allergemeenzaemste JE, 't geen elk Leeraer, eerbiedshalven zig schamen zou tegen eenig mensch van Rang en Aenzien te gebruiken, het Goddelijke Wezen zo oneigen toe-spreekt?

L. Onze Welsprekende Professor Francius heeft wel eer dat gebrek gants leelik afgeschildert, en nogtans kan ik niet bemerken dat het mindert; gelden zulker Mannen Lessen niet, zouden de onze dan wel gelden? Men vervalt ook te mets in een gewoonte, eer

[p. 101]

men 't vermerkt; en dan volgt 'er wel op, dat Gewoonte boven Leer Gaet’.

 

In deze samenspraak tussen N. en L. vallen enkele verschijnselen op. Naast wij staat we, naast gij niet ge, alleen je. Op grond van de fonetische spelling die Ten Kate geeft, is niet waarschijnlijk dat g een spelling is voor j. Ook in de verbuiging komt dit paar je/gy voor, alleen in het gedeelte dat volgt op het geciteerde staat éénmaal dat je een verzachting of verkorting is van gij of hij. Het andere opvallende is, wat ik al noemde, de hoogste graad van beleefdheid, zoals we die nog wel kennen; en ten slotte blijkt uit dit stuk dat het gebruik van je ook toen bij sociale ongelijkheid als gewoon werd beschouwd. Verdenius o.a. heeft geconstateerd dat de jij-spelling zeldzaam is in de zeventiende eeuw. Het lijkt ook twijfelachtig dat men jij heeft gezegd, ook al heb ik dat gedaan bij het voorlezen van het citaat. Uitgaande van Ten Kates spelling zal die uitspraak eerder de klinker van Nederlands bed zijn geweest; en dan is de formulering van N.: verzachting of verkorting beter te aanvaarden.

 

Er is door Neerlandici nog wel eens afgegeven op Ten Kate en er is hem verweten dat hij beschrijft wat er volgens hem gezegd zou moeten worden. Ik ben daarvan niet zo overtuigd en een passage als de aangehaalde lijkt een reeële toestand weer te geven. Ten Kate schreef dit in een tijd dat de sociale kloof tussen de standen hoe langer hoe wijder werd en toen de schrijftaal steeds meer van de gesproken taal ging verschillen. Maar ook als we aannemen dat hij de feitelijke toestand weergeeft, over het gebruik van de pronomina vóór zijn tijd, ook in de voorgaande, zeventiende eeuw, weten we vrijwel niets. Dat is jammer, want zoals Ten Kate het beschrijft was het twee eeuwen later ongeveer nog.

 

Met de summiere gegevens die tot onze beschikking staan, lijkt het erop dat het Nederlands begon, in de oudnederlandse periode of in de vroegste middeleeuwen, met een pronomen du voor het enkelvoud, en een ander gi voor het meervoud, en dat zich in de achttiende eeuw een systeem had ontwikkeld waarin drie graden beleefdheid te onderkennen waren; in de beide hogere graden is, naar het schijnt, het uitdrukken van het getal, van enkel- of meervoud, van ondergeschikt belang. In de communicatie is dat laatste ook niet van gewicht, omdat het bekend is. Maar wel belangrijk is te laten merken dat je je plaats op de sociale ladder kent, zeker in een tijd dat veel mensen van weinig anderen afhankelijk waren, anderen die geld en daarmee macht hadden. Dit is zo algemeen menselijk dat de vraag opkomt of de situatie die ik voor de vroege middeleeuwen veronderstelde, praktisch wel mogelijk is. Waarom eigenlijk niet? Het Engels met één pronomen voor enkel- en meervoud is nog verder gegaan; en er zijn ook

[p. 102]

wel aanwijzingen uit de streektalen dat beleefdheid en onderdanigheid niet de enige bepalende factoren zijn bij het gebruik van pronomina.

 

Na deze sprongen door de historie wil ik u nu meevoeren door het Nederlands taalgebied om na te gaan hoe enkele streektalen zich ten aanzien van de pronomina gedragen. Ik blijf binnen de grenzen van Nederland, omdat anderen over het gebruik in Vlaams- België hebben geschreven. Geerts o.a. heeft in het Album Van Es een artikel gepubliceerd, getiteld ‘Van gij naar jij en U’ (1974). Samen met K. Deprez gaf hij een preprint, getiteld Lexikale en pronominale standaardizatie met de ondertitel: Een onderzoek van de ontwikkeling van het Algemeen Nederlands in West-Vlaanderen (1975), waarin een hoofdstuk aan het gebruik van je, ge en u is gewijd (N.B. je, niet jij). Ik ben erg blij dat ik u hiernaar kan verwijzen en daarmee ontslagen ben van een behandeling. Dit artikel demonstreert duidelijk, wat we ook in de streektalen in Nederland constateren, dat de overgang naar het Nederlandse gebruik van de pronomina zo moeilijk is door de sociale implicaties; de ‘scharnieren’ zoals Van Haeringen ze noemde, zijn niet alleen anders, maar ze zitten op een andere plaats en soms draaien ze een andere kant op. En dan kun je flink je kop stoten.

 

De streektalen buiten het ge-, gij-gebied dat ten zuiden van de grote rivieren ligt, m.a.w. ook nog en voor een groot deel binnen de landsgrenzen van Nederland, kennen meer dan één pronomen van de tweede persoon enkelvoud.

 

Fokkema, in zijn Beknopte Friese Spraakkunst (2e dr. 1967) vermeldt dat dat dou of du de gemeenzame vorm voor het enkelvoud je en jo de beleefdheidsvorm voor het enkelvoud is; dit laatste wordt met de meervoudsvorm van het werkwoord gebruikt. De meervoudsvorm is jimme. Hij voegt eraan toe dat de gebruikskring van jo/je ruimer is dan van het Nederlands u, oudere echtgenoten b.v. gebruiken het tegenover elkaar. Meer beleefd is de aanspraak in de derde persoon, maar dit wordt ook tegenover kinderen gedaan. Het lijkt me dat de grootste moeilijkheid voor de Fries zit in de klankovereenkomst van de verzwakte vorm van jo met het Nederlandse je, terwijl de gebruikssfeer heel anders is.

 

Evenals Friezen gebruiken ‘Nedersaksers’ het pronomen u als ze Nederlands spreken onjuist, d.w.z. te veel en wel in situaties waar het niet op zijn plaats is. Afgaande op het artikel van Kloeke uit 1920, eerst afgedrukt in dl. 39 van het Tijdschrift voor Nederlandse taal- en letterkunde, in 1952 in de Verzamelde Opstellen, liggen voor de bewoners van de noord-oostelijke provincies de moeilijkheden anders tengevolge van de andere principes. Op blz. 19 van de Verzamelde Opstellen zegt Kloeke dat hij had geconstateerd en dat hem was meegedeeld, dat de aanspreek-

[p. 103]

vormen in Roden in Drente geslachtelijk gedifferentiëerd waren, zodat jongens en mannen, zelfs een grote hond, met aai werden aangesproken, vrouwen en meisjes met doe. Dat kwam hem vreemd voor, omdat even noordelijker, in de provincie Groningen, het eerste de beleefde, het tweede de vertrouwelijke vorm was. Later leerde hij beter onderscheiden en merkte dat de aanspraak met doe beleefd en vriendelijk is. En dat gaf hem begrip voor het aangesproken worden met doe. Een belangrijke opmerking in dit verband, omdat dit wijst op moeilijkheden in de communicatie tussen sprekers van verschillende dialecten, is deze: ‘Nu schoot mij te binnen, dat in de stad Groningen de boeren uit Peize (in Drente) als zeer lomp worden beschouwd, omdat ze op de markt iedereen maar met dow aanspreken. Hun goede bedoelingen worden dus wel zeer miskend’. Tot zover Kloeke. Het misverstand ontstaat dus doordat dow voor de Groninger het vertrouwelijke pronomen is, dat ook bij verachting en boosheid wordt gebruikt, maar voor de Drent juist het beleefde en vriendelijke pronomen. Als je zo iets leest vraag je je af hoe het mogelijk is dat de Groningers dat niet wisten van het dialect van Peize dat toch niet zo ver van Groningen ligt. Ik vermoed dat de emotionele factoren met name in het gebruik van het pronomen van de tweede persoon zo sterk meespelen, dat er voor een objectieve constatering van verschil geen plaats meer is.

 

Door meer dan één dialectoloog, autochtoon in het door Kloeke bestudeerde gebied, is kritiek geoefend op deze visie van hem. Naarding deed het voor Drente, Bezoen voor Twente. Maar het is vooral Nuijtens geweest die in zijn dissertatie De Tweetalige Mens (1962) het gebruik voor Borne in Twente grondig heeft onderzocht, en daarbij de sociale implicaties veel meer dan zijn voorgangers onder ogen heeft gezien; voor dit dorp, waar hij geboren was, kon hij het ook met meer kennis van zaken doen. In zijn boek staat bovendien een bespreking van de opinies van Naarding, Bezoen en eveneens van Vossen, die de aanspreekvormen in Nederweert besprak (in Taal en Tongval 10, 131-147). Nuijtens brengt tot begrip van het gebruik van de aanspreekvormen een nieuw element in, nl. het validiteitsbeginsel. Wie de vereiste validiteit mist wordt niet met i-j, maar met doe aangesproken. En validiteit wil dan zeggen van betekenis voor de werkgemeenschap die het boerengezin vormt. Buiten de werksfeer, dus in huis b.v. kan de boer zijn vrouw wel aanspreken met doe, maar tijdens het gemeenschappelijke werk op het land zal hij steeds i-j zeggen. Zodra het belang van de werkgemeenschap van het gezin afneemt, wat het geval is bij fabrieksarbeiders, lijkt het gebruik van i-j en doe meer geslachtelijk gedifferentieerd, maar dat is meer schijn dan werkelijkheid, zegt Nuijtens. Hij heeft bovendien geconstateerd dat de arbeiders in het dialect in hoofdzaak i-j gebruiken.

 

Het is niet mogelijk een samenvatting van het hele betoog van

[p. 104]

Nuijtens te geven. Ik wil alleen wijzen op enkele belangrijke elementen erin. Hij legt nadruk op het feit dat het gebruik van de aanspreekvormen een exponent is van een sociale, en wel een mikrostructuur, en dat het gebruik meer wordt bepaald door de aangesprokene dan door de spreker. Met het veranderen van de sociale structuur verandert ook het gebruik van de pronomina; dit gebruik is dan ook anders bij de industriearbeiders dan bij de boeren. Bovendien proberen de arbeiders om hoger op de sociale ladder te komen, waarvoor kennis en beheersing van de cultuurtaal belangrijk zijn. Dan vervolgt Nuijtens: ‘Ofschoon de aanspreekvormen in de cultuurtaal ook een sterk genuanceerd gebruik toelaten, is het basisprincipe fundamenteel anders dan in het dialect van Borne. Het gebruik van u -jij (je) berust op een meerderheidsprinciep. De tweetalige komt, afgezien van de fonologische moeilijkheden, met de aanspreekvormen in een moeilijk parket, omdat het pronominaal gebruik in het dialect een heel andere sociale structuur veronderstelt dan dat in de cultuurtaal. In het tweeërlei gebruik van de aanspreekvormen is geen sprake van een ontmoeting van twee talen op de eerste plaats, maar vooral van twee werelden. Het pronomen i-j of ie biedt zowel fonologisch door zijn grote correspondentie met jij als psychosociologisch de minste moeilijkheden. Over het algemeen kan men i-j vervangen door jij zonder voor zijn eigen gevoel linguaal of sociaal over de schreef te gaan. De verschillen tussen jij en je ontgaan de tweetalige vaak, zodat zijn jij- gebruik een buitenstaander toch wel vreemd kan aandoen’. Tot zover Nuijtens. (Op deze laatste opmerking van hem kom ik nog terug) . In het vervolg wijst hij erop dat het gebruik van het substantief, de indirecte aanspraak, een vaak aangegrepen uitwijkmogelijkheid is, zoals ook bij Friezen het geval is.

 

Tenslotte nog een enkel woord over Holland, Noord- en Zuid-Holland. Ik heb vaak de indruk gekregen dat ook verstedelijkte Hollanders, dus bewoners van Noord- en Zuid-Holland, zich niet realiseren dat men op het platteland maar één pronomen kent, nl. je voor het enkelvoud en jullie voor het meervoud. Ikzelf heb dit pas gemerkt toen ik geregeld op Wieringen kwam; het gaf me een schok te horen dat kleine kinderen van 3, 4 jaar oude mensen niet alleen met de voornaam, maar ook met je aanspraken. Na deze eerste ervaring was ik wakker geworden en hoorde het telkens weer, van een wegwerker aan wie ik de weg vroeg, van een veerman van een overzetpontje, van een oude boer, waar ik een dialectopname kwam maken, enz. enz. Ik vrees dat menige randstedeling de Hollandse plattelander hierom maar lomp vindt, zoals de Stad-Groninger de boeren uit Peize beoordeelde. (Voor je in Holland verwijs ik naar G.S. Overdiep, De volkstaal van Katwijk aan Zee (1940), en Daan, ‘Een tegenstelling tussen oost en west’, Driemaandelijkse Bladen 15 (1963)).

[p. 105]

De conclusie uit dit vluchtige overzicht van de systemen van de aanspreekvormen is dat geen enkele streektaal in zijn systeem, noch wat de vorm, noch wat de sociale functie betreft, overeenkomt met dat van het Nederlands. Bijna alle streektaalsprekers zijn tegenwoordig tweetalig of diglossisch; ze zullen daarom allemaal problemen hebben met het hanteren van het Nederlandse systeem, zowel de ge/gij- en je-sprekers als de anderen die minstens twee varianten kennen. Ik ben hierop ingegaan omdat het erg waarschijnlijk is dat hierin een van de oorzaken gezocht moet worden van de crisis waarin het pronominale systeem van het Nederlands tegenwoordig verkeert; a Dutch puzzle.

 

Welke regels geven nu spraakkunsten voor buitenlanders? Bloomfield in zijn Spoken Dutch (1944) geeft als instructie voor het gebruik van de pronomina de toestand van de dertiger jaren wel ongeveer juist aan, nl. jij tussen verwanten en goede vrienden en tegen kinderen tot ongeveer 16 jaar, anders u. De grammatica's voor buitenlanders die ik erop heb nagekeken, geven vrijwel alle dit ongenuanceerde beeld. Shetter Introduction to Dutch (2e 1964) doet dit ook, maar uit zijn formulering krijg ik de indruk dat hij wel beter wist. Hij zegt nl.:‘Generally speaking it is advisable to translate English you by U, unless there is a specific reason for using jij or jullie’. Dat klinkt als: ik weet het wel, maar ik kan het niet zeggen.

 

De variatie in het gebruik van je en u is per persoon en per groep verschillend. Ik heb eens aan deze en gene gevraagd, o.a. aan iemand die vaak vergaderingen bijwoont van leraren. Volgens zijn ervaring werd op de ene door ieder je, op de andere door alle leraren u gezegd. uit mijn eigen ervaring weet ik dat soms de tegenstand van één aanwezige voldoende is om u in de hele groep op dat moment te handhaven.

 

Naar mijn herinnering was omstreeks 1960 het gebruik van je sterk toegenomen in vergelijking met de dertiger jaren. Toen, voor 1940, was het gebruik ervan al veel algemener dan van het Franse tu of het Duitse du, maar in de laatste 10 of 15 jaar gaan vooral jonge mensen er veel gauwer toe over elkaar te tutoyeren, veel ouderen daarentegen hebben de ontwikkeling vertraagd door niet mee te doen of hun afkeuring openlijk uit te spreken.

 

Voor deze ontwikkeling zal meer dan één oorzaak verantwoordelijk zijn.

1.Hiervoor heb ik genoemd de moeilijkheid die de streektaalsprekers hebben bij hun overgang op het Nederlands aan de ene kant en het feit dat grote groepen maar één pronomen hebben. Daarbij komt nog dat in de meeste streektalen een pronomen voorkomt dat veel of enige klankovereenkomst met je heeft,
[p. 106]
terwijl dat juist het pronomen in die streektalen is met de meest algemene bruikbaarheid. Ik noemde het Friese jo/je, het Twentse i-j; daarnaast kunnen we het Hollandse je zetten. Het Nederlandse u, in oorsprong een indirecte aanspraak en eigenlijk een misgeboorte, is het pronomen van de afstand, het demonstreert al bijna drie eeuwen of nog langer, de onderdanigheid, en de oppervlakkige koele relatie. Het lijkt me niet vreemd dat in dit conflict je betere kansen heeft dan u, vooral in de tegenwoordige sociale verhoudingen.
2.De democratisering van de maatschappelijke verhoudingen zou een tweede oorzaak kunnen zijn; ik ben overtuigd dat dit het geval is. Je kan wel eens te gemeenzaam aandoen, maar dat bezwaar is minder erg dan de koele afstandelijkheid van u. In sommige situaties ben ik blij u nog te kunnen gebruiken, maar na een periode van een tiental jaren misschien, waarin ik me onzeker voelde, ben ik de laatste jaren de ruimere mogelijkheden van je erg gaan waarderen. Als je een wat vertrouwelijker sfeer wilt scheppen, kún je nu overgaan op je in situaties waar het vroeger onmogelijk was. Ik voel me vaak bevrijd van de u-last. En ik verwacht dat het Nederlands op den duur - maar ik heb geen idee hoe lang het kan duren - slechts één pronomen zal hebben, nl. je voor het enkelvoud. Maar zover is het nog niet en u kunt uw leerlingen onmogelijk als vuistregel meegeven: zeg maar tegen iedereen je. Het is beter ze aan te raden tegen volwassenen altijd te beginnen met u, maar heel goed te letten op hun aanspraakgedrag in hun eigen omgeving, hun gezin of hun collega's en ook op de sfeer in de communicatie. Als die niet stijf-officiëel is, kan men geleidelijk aan proberen het je binnen te smokkelen. In veel gevallen zal het initiatief wel van de Nederlander uitgaan.
3.Het is ook best mogelijk dat de bekendheid met het Engels het gebruik van you bevordert.

Een belangrijk iets heb ik in veel grammatica's - een enkele uitzondering daargelaten - gemist, nl. de juiste verhouding van je en jij. De meeste zeggen dat het pronomen is: jij. Dat is fout, want het is je. Het parallellisme wij/we, zij/zes, mij/me voert gemakkelijk tot jij/je. Maar in de sociale verhoudingen fungeert jij anders dan wij of zij. Zonder bijzondere nadruk worden de vormen met e gebruikt; in zo'n geval wij en zij gebruiken is niet meer dan onjuist, vreemd, opvallend, maar jij is onbeleefd. De ij-vormen worden gebruikt met nadruk bij tegenstellingen, b.v. niet wíj, maar zíj, niet híj, maar jíj, maar alleen jíj wordt gebruikt in verwensingen en bij verontwaardiging: jíj rotzak, of jíj ondeugende jongen.

 

Wanneer een vreemdeling jij gebruikt, denkt een Nederlander

[p. 107]

met zijn verstand, net als bij wij en zij: onjuist, vreemd, maar zijn gevoel zal toch tegen dat jij in opstand komen, omdat hier de persoonlijke relatie in het geding is en grofheid of brutaliteit wordt gesuggereerd. Voor Borne heeft Nuijtens ook geconstateerd dat men de enclitische, dus zwakkere vorm veel gemakkelijker hanteert. Hij formuleert het zó: ‘De enclitische vormen geven niet zo gauw aanleiding tot overtreding van de sociale spelregels die juist wat de aanspreekvormen betreft nogal streng zijn. Het zijn handige taaltrucjes, waardoor de taalgebruiker ongemerkt en het zelf niet merkend zich aan de taalnormen onttrekt’. Tot zover Nuijtens.

 

Ongeveer hetzelfde kun je zeggen van je, vooral in inversie, maar ook als het voor het werkwoord staat. Dat je kan zo onverstaanbaar gezegd worden dat de aangesprokene twijfelt of hij goed gehoord heeft. Meer dan eens is het me gelukt een u-relatie te wijzigen in een je-verhouding zonder dat soms zo hinderlijke: Zullen we elkaar niet tutoyeren?, een vraag waarvoor je het goede moment meer dan eens ongebruikt voorbij ziet gaan.

 

Als regel dus nog steeds u tegen volwassenen, je tegen kinderen.

 

Als praktisch voorschrift: als je gesprekspartner ongeveer van je leeftijd is of als je je in het algemeen met hem op één lijn voelt, kun je het altijd eens proberen met dat bijna ingeslikte je.

 

Van Haeringen vond in 1956 nog de taaltuin van het Nederlandse pronomen van de tweede persoon geen wildernis. Ik heb de indruk dat dit nu wel het geval is, en ik verwacht, dat, als in een oerwoud, de sterkste het van de swakste zal winnen. Ik voorzie de overwinning van je als noordelijke nuance, en ik hoop op het behoud van ge/gij als zuidelijke variant. Misschien is het nog niet te laat.

 

Hiermee is A Dutch puzzle niet opgelost. Dat kan alleen de tijd.

prepostterug  begin  verder