Als ik het programma zie dat U tijdens uw verblijf in Amsterdam moet afwerken, dan geloof ik dat U zes dagen lang met uw neus in de wetenschappelijke boter valt. Een niet geringe gebeurtenis dus, die als zevende colloquium neerlandicum uw vakgerichte belangstelling gaande zal houden.
Ik denk dan ook dat deze openingsdag door het bestuur van uw vereniging eigenlijk bedoeld is om wat warm te lopen op een uw vak aanpalend gebied, om uiteindelijk pas morgen definitief de wetenschappelijke stellingen te betrekken.
Ik zeg U dit niet zonder een zeker eigenbelang. Want een doorwrocht wetenschappelijk betoog zal ik U vanmiddag niet bieden en dat zou trouwens, in de betrekkelijk korte tijd die tot mijn beschikking staat, niet mogelijk zijn. In woord en tenslotte ook in beeld wil ik U iets laten proeven van de vergane en de nieuwe glorie van deze veelbesproken en niet minder bezongen stad. Een dwarsdoorsnee van Amsterdam op het eerste gezicht.
Nederland wordt door Busken Huet het Land van Rembrandt genoemd. In Amsterdam werkte Rembrandt, zodat stad en schilder een onafscheidelijke twee-eenheid zijn gaan vormen in de vaderlandse geschiedenis.
Zelfs wie Amsterdam slechts vluchtig kent zal het opgevallen zijn hoe deze stad de roem van Rembrandt uitdraagt tot in de verste hoeken van het maatschappelijk leven. Een inventarisatie, misschien niet eens volledig: twee standbeelden van Rembrandt, een Rembrandtsplein, een Rembrandtbioscoop, een Rembrandtweg, een Rembrandtgebouw, een Rembrandthuis, Rembrandtsigaretten en talloze café's die de naam van de kunstenaar gebruiken (of moet ik zeggen misbruiken).
Sommige figuren werden vereeuwigd omdat ze beroemd waren, andere werden beroemd omdat ze vereeuwigd zijn. Een voorbeeld van het eerste: de Anatomische les van dr. Tulp van Rembrandt, een voorbeeld van het tweede: Armand Roulin, de postbode van Vincent Van Gogh.
Wie over Rembrandt schrijft oogst meer ontzag dan degeen die een studie publiceert over b.v. het stilleven in de 16e eeuw. De stapels studies over Rembrandts bekendste schilderij de Nachtwacht
hebben meestal elkaar tot onderwerp, zelden het schilderij zelf. De roem van de Nachtwacht overschaduwt die van Rembrandt zelf of liever gezegd: er treedt een vereenzelviging op van de kunstenaar met zijn werk.
Uit de honderden schilders die Amsterdam wereldvermaardheid gaven, heb ik er een Rembrandt even uitgelicht, als voorbeeld van roem die zich verder uitstrekt dan de kunstenaar zelf. Maar zo zijn er ook andere, minder bekende kunstenaars waar Amsterdam veel aan te danken heeft. Hun namen kregen een plaats in de kunsthistorische handboeken of zijn slechts aan insiders bekend.
Feit is dat op Amsterdamse grond kunstprestaties tot stand kwamen die Amsterdam tot een van de belangrijkste Europese kunststeden stempelt.
Wij zijn gewend aan Amsterdam te denken als een 17e eeuwse stad, waarvan het ontstaan rond 1600 moet hebben gelegen. De schilder Rembrandt met zijn Nachtwacht en de bouwmeester Van Campen met het Raadhuis hebben deze opvatting sterk beï;nvloed. Maar er was een belangrijk voorspel dat wel als gotisch wordt aangeduid en is terug te vinden in twee oude kerken, een aan de Oude Zijds, daterend uit het begin van de 14e eeuw en een aan de Nieuwe Zijds, daterend uit het begin van de 15e eeuw. Beide kerken groeiden in de loop der eeuwen tot gedaanten welke wij nu kennen.
Wel staat vast dat het stedebouwkundig meesterwerk Amsterdam 17e-eeuws is met als meest markante facetten de torens van Hendrick de Keyser. Letterkunde en muziek ontwikkelden zich snel. De nalatenschap van kunstenaars, schrijvers, dichters en componisten is in zijn totaliteit niet toegankelijk en slechts zelden zichtbaar of hoorbaar. Verspreid over de hele wereld in openbaar kunstbezit of in particuliere verzamelingen vonden zij in de loop der eeuwen hun weg. Een voorbeeld is de verzameling Rembrandts in het Hermitagemuseum van Leningrad.
Alleen het stadsbeeld bleef als permanente uitdrukking van een typisch Amsterdamse cultuur. En dan doel ik in de eerste plaats op de grachtengordels en de torens.
Topografisch zou ik het gebeeldhouwde decor van Amsterdam willen situeren op drie plaatsen; rond de Oude Kerk waar schilderkunst, beeldhouwkunst, de muziek van Sweelinck en de letterkunde van Bredero bloeiden; rond de Zuiderkerk met in de buurt de Jodenbreestraat, werkterrein van Pieter Lastman en Rembrandt en tenslotte rond de Dam die een belangrijke rol speelde in het werk van Van Campen, De Keyser, Quellinus, Jan van der Heyden en Ruysdael. Het is slechts een vluchtige aanduiding waarin onvolledigheid helaas onontkoombaar is.
Wie zich wil verdiepen in de boeiende geschiedenis van Amsterdam en daar de rust en de tijd voor kan vinden, moge ik adviseren een bezoek te brengen aan het Amsterdams Historisch Museum, waar
op het ogenblik een geschiedkundige tentoonstelling over de hoofdstad wordt gehouden.
Hoogtepunten en inzinkingen, beide zijn kenmerkend voor deze stad, beide hangen nauw samen met het sociaal-economisch klimaat. Van een voornamelijk in agrarische produkten handel drijvende stad ging Amsterdam zich in het begin van de 17e eeuw concentreren op de handel in produkten van overzee. Vennootschappen en compagnieën rezen als paddestoelen uit de grond. Amsterdam werd koopmansstad bij uitstek. Het was dan ook geen toeval dat de oratie van Barlaeus, de eerste hoogleraar van het in 1632 gestichte Athenaeum Illustre, handelde over ‘mercator sapiens’. De 18e eeuw staat in het teken van de verlichting, in het teken van openheid op veel gebieden. De stichting van het genootschap Felix Meritis is daarvan een sprekend bewijs.
Maar de glorie van de stad, ook nu nog, ligt niet in het heden noch in het begin van de 19e eeuw, maar in de 17e eeuw, later schitterend weergegeven in de schilderijen van Springer.
Het nieuwe leven dat Amsterdam tot wereldstad maakte, moet worden gezocht tegen het einde van de 19e eeuw. Op het gebied van de schilderkunst, architectuur maar ook op het terrein van de letterkunde. Ik herinner daarbij aan de groep tachtigers die in Amsterdam een centrum vormden voor vernieuwing en taalvorming in personen als Kloos, Van Deyssel en Verwey.
In de architectuur brak deze nieuwe levenskracht door in het (reeds lang afgebrande) Paleis voor Volksvlijt, ontworpen naar het voorbeeld van het Londense Crystal Palace. Een volgende stap op het gebied van de nieuwe architectuur was de bouw van het Rijksmuseum (1870-1885) onder leiding van de bouwmeester Cuypers. De van huis uit katholieke Cuypers gebruikte bij de bouw van het Rijksmuseum vormen die aan middeleeuwse kathedralen doen denken, maar ook aan stadhuizen en koophallen van de Nederlandse renaissance.
Saamhorigheid in cultuur, daarvan wil het Rijksmuseum nog altijd getuigen. Anders dan de Beurs van Berlage die een zuiver maatschappelijke functie belichaamt. Geen groots verleden of historische herinneringen zijn terug te vinden in de schepping van Berlage, wel een eigen stijl, eerlijk en helder. Naast het Paleis voor Volksvlijt, het Rijksmuseum en de Beurs van Berlage is er een vierde gebouw kenmerkend voor de architectuur in Amsterdam. En dan bedoel ik het Scheepvaarthuis aan de Prins Hendrikkade. Geen soberheid maar een uitbundigheid in rood baksteen, een typische voorloper van wat later in de bouwkunde de Amsterdamse School zal gaan heten.
Een van de kunstenaars die in de tweede helft van de 19e eeuw dit gevoel van nieuw leven tot uitdrukking bracht is Breitner, oorspronkelijk Rotterdammer, maar beroemd en lokaal onsterfelijk vanwege zijn vele treffende stadsbeelden van een hernieuwde Amsterdamse samenleving.
Min of meer gelijktijdig ontstond een gemeenschapskunst die zijn hoogtepunten vond in kunstenaars als Derkinderen, Toorop en vooral Roland Holst. In die jaren zouden wij kunnen spreken van een nieuwe stimulans in schilderkunst en architectuur.
Einde 19e eeuw, begin 20e eeuw is er sprake van een kentering. De geslotenheid van Berlage maakte plaats voor kleur en zonlicht, voor subjectieve emoties. En dan komen vanzelf de namen in herinnering van Leo Gestel, Piet Mondriaan en Jan Sluyters en natuurlijk van Vincent van Gogh. Verwant aan de Franse nieuwlichters die onder de naam Fauves wereldgeschiedenis maakten als Matisse, Cézanne, Picasso, Braque.
Ook op het gebied van de muziek nam Amsterdam in deze tijd een vooraanstaande plaats in. Het Amsterdamse Concertgebouworkest onder leiding van Willem Mengelberg vergaarde internationale faam. De veel uitgevoerde muziek van Gustav Mahler sloot aan bij de wereld van de luministen, van subjectieve interpretatie, van klankeffecten boven structuur.
De lijn doortrekkend naar de architectuur kunnen wij stellen dat de stijl van het Scheepvaarthuis volkomen in de tijd paste. Opmerkelijk is dat tegenover dit subjectivisme de wetenschapsbeoefening een andere weg insloeg. Objectiviteit, nauwgezetheid en warsheid van elke overdrijving kenmerken de onderzoekingen van Hugo de Vries op het gebied van de erfelijkheidsleer, alsmede de denkbeelden van geleerden als van 't Hoff, Zeeman en Van der Waals.
Met zevenmijlslaarzen moet ik mij een weg banen door de culturele wordingsgeschiedenis van Amsterdam. Helaas het kan niet anders. Ik hoop dan ook dat U de titel van deze voordracht, Amsterdam op het eerste gezicht, wilt opvatten als een verkenning van de culturele achtergronden met af en toe een klein uitstapje naar een ander gebied. Zo kan ik U niet meer bieden dan een ruwe lay out van gedachten die U naar ik hoop naderhand visueel zult kunnen invullen.
De jaren van de eerste wereldoorlog en ook vlak daarna kenmerken zich voor wat de stedebouwkundige structuur van Amsterdam betreft door forse uitbreidingen. Voor een niet onbelangrijk deel werden deze uitbreidingsplannen mogelijk gemaakt door de toen van de grond gekomen coöperatieve woningbouwverenigingen. Gemeenschapsidealen en sociale beginselen vormden de uitgangspunten. De naam van Berlage is nauw met de uitbreidingsplannen verbonden, evenals een groep bouwmeesters die zich onder de naam Amsterdamse School veel bekendheid verwierven: De Klerk en Kramer en natuurlijk de nu ruim 90-jarige Th. Wijdeveld die met zijn toenmalig tijdschrift Wendingen grote invloed heeft gehad op de jonge generatie.
Doel van deze Amsterdamse School was verlevendiging van het straatbeeld en in het bijzonder verlevendiging van de gemeen-
schappelijke woonruimten. Voorbeelden zijn op vele plaatsen in Amsterdam te zien: de Zaanstraat, de Spaarndammerbuurt en ook het Roelof Hartplein.
Verwant aan deze bouwrichting is de beeldhouwer Hildo Krop. Zijn expressionistisch werk siert veel gebouwen uit de Amsterdamse School. Ook de beeldhouwer John Raedecker moeten wij betrekken in de groep die zich concentreert op een richting in de beeldende kunst waarin de gemeenschap centraal staat. U zult tijdens uw verblijf in Amsterdam zeker in de gelegenheid zijn het nationale Monument op de Dam te bezoeken, een schepping van Raedecker die in het verleden vele pennen in beweging heeft gebracht.
Centrumfiguur van het expressionisme in de schilderkunst van Amsterdam is Jan Sluyters, in wiens zeer persoonlijke stijl Frans kubisme en Duits expressionisme samenvloeien.
De uitbundigheid van het expressionisme in die dagen vond ook/zijn weerklank in muziek en literatuur.
Een duidelijk symbool uit de jaren '20 in Amsterdam is het theater Tuschinski, een bioscoop van pracht en welstand, voorloper van wat later Art Deco zou heten.
Laat in de 30er jaren zien wij een door de Stijlgroep geï;nspireerde bouwvorm ontstaan die de naam van nieuwe zakelijkheid kreeg toebedeeld. Helaas heeft die nieuwe zakelijkheid in Amsterdam weinig kansen gekregen. Enkele voorbeelden wil ik noemen: Duikers Open Luchtschool in Amsterdam-Zuid, de Cineac aan de Reguliersbreestraat en de huizen aan de Anthonie van Dyckstraat.
In de schilderkunst wordt in die jaren de nieuwe zakelijkheid verbeeld door o.a. een man als Dick Ket, wiens (later) magisch realisme evenals dat van Willink, Hynckes en Schumacher de tand des tijds ruimschoots heeft doorstaan.
Contacten met internationale kunststromingen hebben in de naoorlogse beginjaren Amsterdam wakker geschud uit een wat ingeslapen situatie. Op het gebied van beeldende kunst vond de nieuwe openheid een begin in het Stedelijk Museum, dat zich ontwikkelde tot een van de belangrijkste kunstverzamelingen op het gebied van eigentijdse kunst in Europa. Exposities van de naoorlogse generaties waarbij opstand en verzet tegen de gevestigde maatschappelijke orde een doorslaggevende rol speelden, liggen velen nog vers in het geheugen. De Cobra (Copenhagen-Brussel-Amsterdam) -tentoonstellingen uit '48 met schilders als Karel Appel, Corneille, Wolvencamp, Rooskens, Brandts en hun litteraire evenknieën als de dichters Elburg, Kouwenaar, Lucebert en Schierbeek, deden de emoties hoog oplaaien. Bij het grote publiek bracht deze felle vorm van artistiek beleven een duidelijke schok teweeg en soms zelfs een afgrijzen bij het horen van Karel Appel's uitspraak ‘ik rotzooi maar wat aan’.
Ook op andere gebieden dan de schilderkunst, en dan denk ik aan de architectuur, de litteratuur en de muziek, heeft het informele en de spontaniteit een enorme weerklank gevonden. Zo b.v. in de Opstandingskerk van Duintjers en in het uitbreidingsplan
West van Van Eesteren.
Museaal heeft Amsterdam de laatste jaren voorop gelopen in het organiseren van tentoonstellingen die tot ver over de grenzen belangstelling en bezoekers trokken. Voorop stonden de geruchtmakende tentoonstellingen in het Stedelijk over Cobra, over de Cobra, over de Stijl, de Family of man, in de beginjaren '60 Op losse schroeven en zeer recent de expositie door beeldhouwers gemaakt. Het Rijksmuseum scoorde hoog met de Triomf van het Maniërisme en het Vaderlands Gevoel, een tentoonstelling van historieschilderijen uit het midden van de 19e eeuw; het nieuwe Van Gogh Museum met een permanente expositie van het werk van Van Gogh en het Historisch Museum o.a. met Arm in de Gouden Eeuw en dan niet te vergeten talloze kleinere musea als Fodor en Willet-Holthuysen.
Het streven naar democratisering heeft Amsterdam zeker niet onberoerd gelaten. Dit streven trad niet alleen naar buiten in de beeldende kunst, in de litteratuur of in de muziek. Het had ook maatschappelijke consequenties, als de bezetting van het Maagdenhuis als protest tegen te autoritaire bestuursvormen op de universiteit, demonstraties tegen plannen voor aanleg van de metro, sanering van wijken in de binnenstad.
Amsterdam is een stuk eigenwijzer uit de oorlog te voorschijn gekomen. Maar misschien ook een stuk volwassener. Provo's, Dolle Mina's, Kabouters en feministische groeperingen zijn er het gevolg van. Zij allen hebben bijgedragen tot het imago van de hoofdstad.
Artistiek bloeit Amsterdam als nooit te voren. Bijna alles kan, weinig kan niet door de beugel en men is tevreden. De grote vrijheid die de Amsterdamse kunstenaar op het ogenblik heeft, werkt positief. De musea stromen vol, galeries rijzen als paddestoelen uit de grond.
Amsterdam is er in geslaagd een groots verleden voort te zetten. En als U de gelegenheid heeft U wandelend door Amsterdam te begeven, dan zult U zien dat de tijd heeft samengevoegd wat in de tijd een veelheid leek.
Ik hoop U vanmiddag te hebben duidelijk gemaakt dat er in Amsterdam en Nederland wel het een en ander te beleven is op het gebied van cultuur. Dat mogen wij dacht ik zonder zelfverheffing wel zo stellen.
In hoeverre de buitenlandse bezoeker komt om zijn culturele passie uit te leven, onttrekt zich aan mijn waarneming. Maar hij komt zeker niet met de gedachte om een deviezenhongerig landje bij te staan in zijn economische noden. Uiteindelijk vertrekken wij zelf in de vakantie toch ook naar andere oorden met het voornemen al datgene te doen wat we anders niet doen. passief zijn of driftig bewegen, kijken of dromen, lezen of luisteren of domweg ademhalen, dat is ieders persoonlijke vrijheid. Nu biedt Amsterdam en breder gezien Nederland voor de buiten-
landse toerist een voldoende brede scala van mogelijkheden om uiteenlopende behoeften te bevredigen.
De stranden liggen vol, maar ook in de musea moet je soms tussen de bezoekers door waden alsof je in een ondiep zwembad loopt. Toch ben ik van mening dat in de scala van mogelijkheden die Nederland de toerist te bieden heeft het culturele pakket steeds belangrijker wordt. En wel omdat cultureel gezien Nederland en speciaal Amsterdam een absoluut eigen gezicht, een volkomen eigen inzet hebben, uniek in Europa. Dat in het buitenland naar voren te brengen en daar geld aan te spenderen heeft meer zin dan miljoenen uit te geven aan kunstmatig in het leven te roepen toeristische attracties.
Over enkele dagen gaat U terug naar huis. Ik hoop dat de buitenlanders onder U dan in hun herinnering een beeld van Amsterdam zullen meenemen dat meer inhoud heeft dan haring eten, fietsen op de grachten, draaiende molens of een handvol mensen die terwille van de toerist nog bereid is af en toe op klompen te lopen.
De film die ik U nu zal laten zien moge deze woorden illustreren. Het is een film over Amsterdam, speciaal de fysionomie van deze stad en haar bewoners, gemaakt door de cineast Herman van der Horst.
Eigentijdse taferelen zullen corresponderen met schilderijen uit het verleden.
Aan mij nu de taak U te danken voor uw aandacht. En naar ik hoop ... tot ziens.