|
|
|
| |
| | | | | |
Taalvarianten en normbewustzijn prof. dr. R. Willemyns
De begrippen variatie en norm hebben
uiteraard iets met elkaar te maken, maar toch is het niet zo, dat variatie
een functie is van norm, d.w.z. taal is weliswaar variatie, maar die
variatie behoeft niet noodzakelijk uitgedrukt of beschreven te worden in
functie van een eventuele norm, hoewel dat is wat meestal gebeurt. Vele
taalbeschrijvers gaan er namelijk van uit, dat er zoiets bestaat als een
vrij rigide norm en definiëren variatie dan als datgene wat niet met die
norm overeenstemt. Een andere mogelijkheid is de norm zèlf als min of meer
flexibel te interpreteren, dus binnen de norm een zekere variabiliteit te
aanvaarden. In beide gevallen echter is de variatie het enige wat min of
meer duidelijk beschreven wordt, terwijl de norm zelf wordt geacht bekend te
zijn en er meestal volstaan wordt met een impliciete of expliciete
verwijzing naar datgene wat in de klassieke spraakkunsten en woordenboeken
wordt beschreven, c.q. opgenomen. In het geval van het Nederlands is die
norm datgene wat meestal aangeduid wordt als A.B.N., A.N., cultuurtaal,
standaardtaal of een andere equivalente term.
Ik hoop dat het u in de loop van mijn uiteenzetting duidelijk zal worden
waarom ik het, t.a.v. de taalsituatie in Vlaanderen, niet aangewezen acht
uit te gaan van een traditioneel normbegrip, ten aanzien waarvan dan de
variatie in of buiten die norm zou worden beschreven. Ik zal integendeel
proberen u allereerst een overzicht, een beschrijving te geven van de
linguïstische situatie en dan zien we daarna wel of het begrip norm daar een rol in moet spelen en zo ja, welke.
Variabiliteit is in de mainstream van de huidige linguïstiek een kernbegrip.
Het is u bekend dat dit niet altijd zo geweest is, dat ongeveer een halve
eeuw lang de linguïstiek zich bezig heeft gehouden met onderzoek van langue, resp. competence en dat
variatie, voor zover dat al ter sprake kwam, naar de parole, resp. performance werd verwezen, d.w.z.
nauwelijks au sérieux werd genomen. Sinds zowat anderhalf decennium is er
echter een duidelijke | | | | kentering en is de variantenstudie
bovendien erg ‘in’. Hoewel ik van mening ben, dat dit een gelukkige
ontwikkeling is, stel ik toch voor dat we ons niet al te zeer door
linguïstische modeverschijnselen laten beïnvloeden en proberen te doen wat
m.i. altijd al de beste aanpak is geweest, nl. uitgaan van een empirische
beschrijving van de situatie en dan beslissen welk theoretisch kader het
meest geschikt is voor de interpretatie van de gegevens i.p.v., wat helaas
al te vaak voorkomt, het omgekeerde te doen.
De linguïst, die zich voorneemt het taalgebruik van een volk te beschrijven,
komt al gauw tot de vaststelling, dat er een enorme diversiteit bestaat, dat
hij geconfronteerd wordt met wat Ammon heeft genoemd ‘a gradual transition
from the pure dialect on the one side to the pure national language on the
other, with no clear varieties that could be isolated in between’ (Ammon
1977: 63). Van de linguïst mag en moet worden verwacht dat hij, in zijn
beschrijving van de taalsituatie, probeert daar toch enige klaarheid in te
brengen, dat hij zijn toehoorders niet confronteert met vijf miljoen
particuliere systeempjes, maar integendeel met een zinvolle ordening van al
die systeempjes in een overzichtelijke matrix van codes, waarvan hij zich
voorneemt de rol, de functie, de begrenzing, de gebruiks- en
communicatiemogelijkheden en de sociale aanvaardbaarheid te beschrijven. Ik
hoef u er nauwelijks voor te waarschuwen, dat een dergelijke onderneming
hoogst arbitrair en persoonlijk is. Inderdaad, ‘there are no clear varieties
that could be isolated in between’ maar als taalbeschrijver kun je met een
dergelijke, hoezeer ook correcte, constatering geen vrede nemen en moet je
dus het onmogelijke proberen. Dat het resultaat daarvan arbitrair is stoort
mij nauwelijks omdat ik me gesterkt weet door de overtuiging, dat elke
wetenschappelijke interpretatie dat is en ik hoop maar dat de meesten onder
u die overtuiging met mij delen.
Uit de hand-out kunt u opmaken, dat ik van plan ben de vele in Vlaanderen
gesproken variëteiten in te delen - arbitrair dus - in vijf groepen, die ik
genoemd heb:
| A. | Dialect |
| B. | Getranslitereerd dialect |
| C. | Regionale omgangstaal |
| D. | Belgisch beschaafd |
| E. | Algemeen Nederlands |
Ik meen goede redenen te hebben om het bij die vijf te houden, maar ik geef
graag toe, dat het er desnoods ook meer zouden kunnen zijn. Ik zou echter
wel scrupules hebben om dat aantal te beperken. Het systeem zoals Meeus,
1974 het voorstelt en waarbij hij het taalgebruik van de verschillende
sociale klassen beschrijft als een interactie tussen slechts twee systemen -
dialect en standaardtaal - naargelang van de formaliteit van de situatie,
lijkt mij onvoldoende om de zeer gediversifieerde Vlaamse realiteit te | | | | vatten. Hetzelfde geldt voor het systeem dat Deprez-Geerts 1977
in het spoor van Meeus hebben ontworpen. Weliswaar diversifiëren zij naar
sociale groepen en domeinen, maar toch blijven zij met het onvoldoende
aantal van slechts twee codes werken.
In een zgn. feature matrix probeer ik u eerst een overzicht
te geven van de correspondenties tussen mijn vijf systemen:
| |
A |
B |
C |
D |
E |
| dialectinterferentie |
+ |
+ |
+ |
+ |
- |
| bovenregionaal |
- |
- |
+ |
+ |
+ |
| schrijftaal |
- |
- |
- |
+ |
+ |
| begrijpelijk voor iedereen |
- |
± |
+ |
+ |
+ |
klassegebonden - Middle Class |
- |
- |
+ |
+ |
+ |
| - Lower Class |
+ |
+ |
± |
- |
- |
| gecodificeerd |
- |
- |
- |
± |
+ |
| gebruikt op radio en TV |
- |
- |
- |
- |
+ |
Ik leg er nogmaals de nadruk op, dat in een dergelijk schema
duidelijkheidshalve grenzen worden getrokken tussen systemen, die eigenlijk
meestal in elkaar overvloeien en elkaar gedeeltelijk overlappen. Het zijn
slechts punten om het continuum enigszins in te delen en niet uit het leven
gegrepen realiteiten, die men in het dagelijkse taalgebruik moeiteloos zou
kunnen aanwijzen.
Ik probeer thans van die verschillende systemen een meer gedetailleerde
beschrijving te geven.
| |
A. Dialect
Dialect is in Vlaanderen niet (of nog niet) een taal, die alleen in informele
omstandigheden met intimi wordt gesproken. Het is integendeel een
alomtegenwoordige code, die het linguïstische leven nog heel sterk beheerst.
In vroegere publicaties heb ik al aangetoond, dat misschien de twee
belangrijkste punten zijn (en heel | | | | zeker de belangrijkste verschilpunten met de Nederlandse situatie) dat
| 1) | zowat iedereen dialect kent |
| 2) | zogoed als iedereen, in om het even welke sociale klasse, dat dialect
gebruikt, ook van ‘af en toe’ tot ‘bijna uitsluitend’ Vanzelfsprekend is
de situatie van het dialect niet in alle gebieden dezelfde, maar op deze
regionale verschillen kan hier niet worden ingegaan. Ze veranderen
trouwens niets aan het algemene beeld. |
Dialect is dus de ene pool van het spanningsveld dialect - standaardtaal en
wel één met een bijzonder grote aantrekkingskracht. Dat zal alle
tussenliggende varianten zeer sterk beinvloeden, zowel formeel als wat de
gebruiksaspecten betreft.
| |
B. Getranslitereerd dialect
Met getranslitereerd dialect bedoel ik een zeer klassegebonden variant; t.w.
een bijna uitsluitend door leden van de Lower Class gebruikt systeem, waarin
bepaalde klanken of fonemen en af en toe eens een enkel woord in de richting
van de standaardtaal worden aangepast, maar waarbij verder het morfologische
en syntactische systeem van het dialect zo goed als integraal bewaard
blijft. De mij best bekende, nl. Westvlaamse variant ervan blijft in vele
gevallen beperkt tot het veranderen van een aantal ie's en
uu's in ei en ui
(diek > dijk; buuk > buik) en het wegwerken van enkele
duidelijke palataliseringsgevallen (zuele > zool; vul > vol),
maar voor de rest verandert er nauwelijks iets.
Deze variant wordt dan ook haast uitsluitend gehanteerd door mensen, die in
een situatie verkeren, waarvan ze begrijpen dat de gesprekspartner het
plaatselijk dialect allicht niet begrijpt, maar over geen enkele andere
variant beschikken om zich uit te drukken. Het betreft dus uiteraard steeds
mensen met een bijzonder lage opleidingsgraad en meestal ouderen. Hoewel
deze variant uiteraard uitsluitend voor interregionaal contact is bedoeld,
kan ze die functie, door de uitzonderlijk hoge dialectgebondenheid,
eigenlijk maar nauwelijks vervullen.
| |
C. Regionale omgangstaal
Het onderscheid tussen C en B is vooral kwantitatief, d.w.z. dat er een
grotere stap wordt gezet naar de algemene taal toe, maar wat het systeem
zelf betreft is er maar weinig verschil. Ook hier vormt het plaatselijke
dialect het stramien, de structuur van deze variant en het resultaat is een
soort mengelmoes, dat van het getranslitereerde dialect vooral t.a.v. de
gebruikswaarde afwijkt.
Interregionale contacten zijn hier namelijk wel mogelijk: het lijkt me weinig
waarschijnlijk dat het gebruik van een regionale omgangstaal binnen de
Vlaamse contekst noemenswaardige communicatieproblemen zou opleveren.
Ook het klassekarakter is dit keer minder duidelijk. Het is nl. in het geheel
niet ongebruikelijk, dat ook niet-lower class spre- | | | | kers zich in
een informele contekst van deze taalvorm bedienen. Toch kan het gebruik van
deze regionale omgangstaal desondanks een aanduiding zijn voor de sociale
status van de spreker, enerzijds omdat de mensen waar ik het in B over had
er niet bij kunnen, het een voor hen onbereikbare code is, anderzijds omdat
bv. intellectuelen ze zeker zullen vermijden in omstandigheden waarin het
gebruik ervan hen niet geschikt lijkt. Dit vergt echter een linguïstische
competentie, die buiten het bereik ligt van heel wat leden van de lagere en
middenklassen, voor wie deze regionale omgangstaal de hoogst bereikbare vorm
van standaardizering betekent.
| |
D. Belgisch Beschaafd
De karakterisering van dit Belgisch Beschaafd (de term is
van Goossens, 1970) is niet zo'n makkelijke opdracht en het problematische
van die taak heeft zowel te maken met de nogal specifieke taalgeschiedenis
in Vlaanderen als met een nogal eigen traditie binnen de taalbeschrijving
aldaar. Volgens die traditie werd nl. - althans tot voor kort - als
‘algemene taal’ beschouwd ‘elk min of meer ernstig streven tot distantiëring
van het dialect in de richting van de algemene taal’ (Van Coetsem, 1957:
23). Volgens deze, op zichzelf echter niet onaanvechtbare maatstaf, moet het
Belgisch Beschaafd zonder twijfel binnen het kamp van de standaardtaal
worden gerekend en kan het worden beschouwd als de Vlaamse variant van de
Nederlandse cultuurtaal.
Vanuit historisch oogpunt is dit Belgisch Beschaafd de voortzetting van de
taal die in de 19de en het begin van de 20ste eeuw door diegenen gesproken
werd, die geen Frans wilden spreken, maar die ook te weinig contact met het
noorden hadden om met de daar bestaande evolutie van het Nederlands bekend
te zijn. We hebben hier dus te maken met een taal, die uit de boeken werd
geleerd en dit karakter van gesproken schrijftaal is het
Belgisch Beschaafd nooit kwijtgeraakt: het is een ietwat oubollige
taalvariant, alleen bruikbaar in vrij formele contacten. Het probleem is
echter dat sommigen de bruikbaarheid ervan nogal eens verkeerd interpreteren
of, wat frekwenter voorkomt, over geen meer aangepaste code beschikken.
Hoewel daar uiteraard geen cijfers over bestaan, ben ik ervan overtuigd dat
de meerderheid van de Vlamingen op dit moment, ook als ze dat zouden willen,
niet boven dit niveau uitraakt. Op het formele vlak zijn belangrijke
eigenschappen van dit Belgisch Beschaafd o.m.:
| - | een dialectinterferentie die groter is dan wat men normaal voor een
cultuurtaal aanvaardbaar acht. Naast de interferentie - die met ieders
eigen dialectafkomst overeenstemt- is volgens Goossens over het algemeen
een Brabantse invloed merkbaar, wat dus zou wijzen op een soort
binnenlandse mini-standaardizering onder invloed van het Brabants of
m.a.w. het heropnemen van een 16de-eeuwse draad, wat door, vooralsnog
alleen niet-Brabantse Neerlandici het ‘Spaanse
Brabander’-effect wordt genoemd. |
| - | een tweede kenmerk kan onder de noemer ‘Belgicismen’ worden ge- |
| | | |
| bracht, d.w.z. gallicismen, verouderde boekentaal met een
ietwat hoogdravende ambtenarenstijl, archaïsmen en dgl. |
Dit Belgisch Beschaafd is, zoals ik al zei, vooral een schrijftaal, maar de
kans is reëel dat de standaardizering in Vlaanderen in de meeste gevallen
via dit Belgisch Beschaafd verloopt wat, zoals ik straks hoop aan te tonen,
een bron van onnodige ergernis kan zijn, of zelfs in vele gevallen het
eindpunt van de standaardizering is.
Het gebruik van Belgisch Beschaafd kan ook door psychologische factoren
worden bepaald. Bij contacten met sprekers van de codes A tot en met D kan
een standaardtaalspreker zich met convergerende bedoelingen van het Belgisch
Beschaafd bedienen, bv. om te vermijden dat zijn taalgebruik als te
‘geaffecteerd’ dat wil dan zeggen ‘pedanterig’ zou worden gedoodverfd.
‘Geaffecteerd’ is een kwalificering die overigens heel vaak t.a.v. enigszins
noordelijk of ‘Hollands’ getint taalgebruik wordt gehanteerd.
| |
E. Algemeen Nederlands
Hiermee komen we aan de andere pool van het taalcontinuum in Vlaanderen. Een
bruikbare naam voor deze taalvariant is misschien BRT-Nederlands, waarmee ik bedoel het in Vlaanderen gesproken
Nederlands met de minste dialectinterferentie, met het geringste aantal
Belgicismen en zo meer.
Er kan geen twijfel over bestaan, dat het de bedoeling is van de sprekers van
deze variant zo ‘correct’ mogelijk te spreken en dat impliceert meestal dat
het noordelijke Nederlands hier model staat, zonder dat het nochtans de
bedoeling is dat te imiteren. Wel worden dezelfde maatstaven gebruikt,
d.w.z. Van Dale, het groene boekje, de bekende spraakkunsten enz., zonder te
vergeten wat ik straks nog ter sprake zal brengen, t.w. het opvolgen van de
adviezen van de zgn. taaltuiniers, die zonder uitzondering
hun inspiratie in het Noorden zoeken. Dit Nederlands is de officiële
voertaal van het land, d.w.z. dat het voor het onderwijs, het bestuur, de
culturele aangelegenheden enz. aangeprezen wordt, uiteraard hoofdzakelijk in
formele situaties. Wanneer iemand die tot dit establishment behoort deze
variant desondanks in de aangewezen situaties niet gebruikt, dan is dat
bijna nooit een bewuste beslissing, maar het gevolg van een onvoldoende
communicatieve competentie. Het sociale kader is daarmee duidelijk geschetst
en zo de term Algemeen Beschaafd Nederlands ergens op zijn
plaats is, dan is het wel hier.
Desondanks, en dit lijkt me het gepaste moment om dit probleem ter sprake te
brengen, blijft er tussen de cultuurtaal zoals die in Noord en Zuid wordt
gerealiseerd een zodanig onderscheid bestaan, dat iedereen in staat moet
zijn na slechts één zin te hebben gehoord, uit te maken of de spreker een
Nederlander of een Vlaming is, ook wanneer beiden naar hun eigen aard
‘correct’ spreken. Dit lijkt me een bijzonder aardig moment om terug te
keren naar ons uitgangspunt ‘norm en variatie’.
| | | |
Wat stellen we inderdaad vast? De zeer beperkte speechsample die volstaat om
het voorgenoemde oordeel over noordelijke of zuidelijke origine vast te
stellen bewijst m.i. overduidelijk dat er hier niet in eerste instantie
sprake kan zijn van syntactische, morfologische of zelfs lexicale
verschillen. Blijft dus het fonetisch-fonologische niveau en zelfs daar
kunnen we geen beroep doen op hardnekkige sjibbolets als het al of niet
diftongeren van ee, eu en oo of het
realiseren van stemhebbende of stemloze anlautsspiranten, meer bepaald de
beruchte harde of zachte g. Inderdaad, vele Nederlandse
staatsburgers uit het Zuiden staan wat dat betreft op hetzelfde standpunt
als de Vlamingen en toch is ook in dat geval dat ene zinnetje voldoende om
de doopceel van de spreker te lichten. De verklaring hiervoor ligt m.i. in
wat meestal als fonetische randverschijnselen wordt beschouwd, t.w.
intonatie en ritme. Ik probeer een voorbeeld te geven. Een zinnetje als:
(1) hij heeft de hele week in zijn grote boek geschreven
zal in schriftelijk Belgisch Beschaafd vermoedelijk luiden:
(2) hij heeft gans de week geschreven in zijn groot boek
met als meest opmerkelijke varianten:
| - | een syntactisch verschil: VN/NV |
| - | een lexicaal verschil: gans/heel |
| - | een morfologisch verschil: groot/grote |
Wanneer we echter van variant E uitgaan (algemeen Nederlands), dan blijft dat
zinnetje in beide gevallen gelijk. Wat de uitspraak betreft, kunnen er zich
tussen randstedelijk algemeen Nederlands en zuidelijk algemeen Nederlands
volgende verschillen of variaties voordoen:
HIJ HEEFT DE HELE WEEK IN ZIJN GROTE BOEK GESCHREVEN
| A |
B |
| - heift |
he.ft |
| - heilə |
he.lə |
| - ʋeik |
we.k |
| - sən |
zən |
| - XRoutə |
γro.tə |
| - Xəsreivə |
γəsXre.və (n) |
d.w.z.
| - | diftongering van /e/ in heeft, hele, week, geschreven |
| - | diftongering van /o/ in grote |
| - | labiodentale [ʋ] bilabiale [w] |
| - | Verhärtung van de anlautende spiranten in zijn, grote en geschreven |
| - | huig [R] tongpunt [r] |
| - | deletie van [X] in de cluster [sXr
] vóór [r] |
| | | |
Het spreekt vanzelf, dat al deze verschillen (al zijn er hier nu wat veel
opgestapeld in dat ene zinnetje) een rol spelen in de beoordeling van het
soort Nederlands waar men mee te maken heeft. In ‘beneden-de-Moerdijks
Nederlands uit Nederland’ zullen de meeste bovengenoemde verschilpunten
wegvallen en toch zal iemand uit Eindhoven dat zinnetje nog anders
realiseren dan iemand uit Turnhout. Dit kan m.i. enkel aan de al genoemde
(en te weinig onderzochte) factoren intonatie en ritme toe te schrijven zijn
en alhoewel deze factoren over het algemeen nauwelijks aan bod komen wanneer
men het over norm heeft, kunnen ze vooral psychologisch
een belangrijke rol spelen.
Vanzelfsprekend zijn dergelijke nuances vooral belangrijk in ‘taalgebruik op
het hoogste niveau’ als ik dat zo noemen mag, d.w.z. in zeer formele
omstandigheden en bij taalgebruikers van het hoogste opleidingsniveau. Zodra
deze voorwaarden wegvallen zullen de aangehaalde en nog bijkomende
verschillen veel meer de kop opsteken. In dat geval hebben we dan echter te
maken met regionale verschillen, die ook aan weerszijden van de rijksgrens
onderling bestaan.
Ik wil deze behandeling van de verschillende codes binnen het zgn.
Zuidnederlands afsluiten met nog enkele algemene opmerkingen.
Een indeling in hetzij vijf, hetzij meer of minder codes is een theoretische
aangelegenheid. Vaststellen welke taal een bepaalde taalgebruiker op een
bepaald moment spreekt moet gebeuren op een soort glijdende schaal, die het
continuum van dialect tot standaardtaal representeert en de vijf genoemde
codes zijn dan niet meer dan punten op die schaal, te vergelijken met het
systeem dat in de psycholinguïstiek wordt gebruikt om op zo een glijdende
schaal attitudes vast te leggen. Daaruit mag echter geenszins worden
afgeleid dat een dergelijke indeling overbodig zou zijn. Zij is m.i.
noodzakelijk om over taalgebruik meer dan slechts veralgemenende uitspraken
te kunnen doen en bovendien bijzonder nuttig om iets zinnigs te kunnen
zeggen over de afstand tot de hypothetische norm, een probleem dat ik nu
meteen in het volgende kapittel ter sprake wil brengen.
Norm is in Vlaanderen een, denk ik, nogal dubbelzinnig
begrip. Heel lang al worden, soms zeer passionele discussies gehouden over
wat, misschien soms ten onrechte, de norm van het
Nederlands in Vlaanderen wordt genoemd. Ik denk o.m. aan de periode van het
particularisme en alle daaropvolgende en soortgelijke polemieken, waarbij
het meestal ging/gaat over de vraag of in Vlaanderen al dan niet, in
meerdere of in mindere mate, een zelfstandige ontwikkeling wenselijk was,
dan wel of een zo nauw mogelijke aanleuning bij het Noorden de aangewezen
weg was (zie o.m. voor de geschiedenis hiervan Suffeleers, 1979). Heel vaak
ging het hier vooral om lexicologische problemen. In om het even welke
discussie over de norm zal het, ook vandaag, ook hier en
nu, onmogelijk | | | | blijken te zijn aan dit probleem voorbij te gaan:
dat zien we straks wel!
Een tweede klassiek thema i.v.m. de normproblematiek is de
gallicismenkwestie. De contacten met het Frans zijn in Vlaanderen altijd zo
intens geweest, dat een voortdurende en belangrijke beinvloeding
onvermijdelijk was. Nu heeft het Frans op het Nederlands in het algemeen een
grote invloed uitgeoefend, maar uiteraard het meest en het ingrijpendst in
Vlaanderen. Zowel t.a.v. de leen- en bastaardwoorden als t.a.v. de zgn.
gallicismen is daar ook altijd een, soms hevige, reactie op gekomen, niet
zelden overigens beïnvloed door politieke of pseudo-politieke overwegingen.
Dat het norm-begrip in dergelijke discussies een grote rol
speelde en speelt ligt voor de hand.
De meer algemene aanpak van de normaliseringsproblematiek, d.w.z. de vraag
welk soort variatie in de taal aanvaardbaar is en wat als niet conform dient
te worden verworpen is in Vlaanderen vrij jong en ook nu nog vaak
overwoekerd door de vorige twee thema 's. Anders gezegd, vooraleer men bij
ons kan bepalen of een gegeven realisering van taalvariatie binnen of buiten
de norm valt, is het noodzakelijk aan te duiden waar men die norm gaat
zoeken. Dit is nergens een eenvoudige zaak, maar in Vlaanderen liggen de
zaken vaak nog ingewikkelder, precies omdat daar nog bijkomt de vraag of men
een eigen, zuidelijke norm verwerpelijk, aanvaardbaar of aangewezen acht. Ik
heb al vermeld dat er in Vlaanderen een vrij sterke behoefte aan rigide
normering aanwijsbaar is. Dat is terug te voeren op historische processen,
waarvan ik mag aannemen dat ze u bekend zijn, zodat ik er niet expliciet op
in hoef te gaan. De lotgevallen van het Nederlands in de zuidelijke
Nederlanden hebben gezorgd voor een grote mate van taalonzekerheid. Het
klassieke model van standaardizering, waarbij niet enkel een bepaalde
regionale taalvorm, maar vooral ook het taalgebruik van een bepaalde sociale
groep model staat bij de geleidelijke standaardizering van de taal, is in
Vlaanderen niet van toepassing. De verfransing van de sociale bovenlaag,
vooral sinds de zeventiende eeuw was er de oorzaak van dat de ‘normale’
evolutie hier geen doorgang vond. Schematizerend kan men zeggen dat de
Nederlandstalige Belg al eeuwenlang krampachtig zoekt naar een leermeester,
die hem in zijn taalevolutie kan begeleiden. Die noodzaak moet vooral
tijdens de laatste decennia heel duidelijk gebleken zijn, te oordelen
althans naar de velen die zich geroepen achtten, ik bedoel de vele taaltuiniers, die vooral sinds de jaren zestig elk op hun
manier probeerden het onkruid in de Vlaamse taaltuin te wieden. Het betreft
hier een belangrijk sociaal verschijnsel, dat verdient sociologisch
onderzocht te worden. Feit is dat plotseling de ‘media’: kranten,
tijdschriften, radio en TV het noodzakelijk achtten iets aan de taalcultuur
van hun publiek te gaan doen en allemaal een meer of minder bevoegde of
bekwame taaltuinier in dienst namen. De invloed van deze
mensen kan nauwelijks worden overschat: hoewel zij, zoals wellicht iedereen
in de dienstverle- | | | | nende sector zowel aan behoeften zullen zijn
tegemoet gekomen als zelf behoeften zullen hebben gecreëerd, kan niet worden
ontkend, dat zij een hoogst belangrijke rol hebben gespeeld.
Heel wat factoren hebben hier allicht samengewerkt, maar niet het minst zal
beslissend zijn geweest, dat nu de indruk werd gewekt, dat er eindelijk een
soort instantie bestond, die in staat was om uitsluitsel te geven in
taalvragen, dat de norm als het ware werd gepersonifieerd.
Dat dergelijke taalombudsdiensten succes hadden wordt niet alleen bewezen
door hun alomtegenwoordigheid in de media, maar ook door de stapels brieven
die zij elk ontvingen en waarin hulpbehoevende taalgebruikers om hun
bijstand vroegen. Dit succes was voor vadertje staat aanleiding zich met de
zaken te gaan bemoeien en dat resulteerde in de oprichting van de overigens
nog altijd bestaande ‘Raad voor Taaladvies’ van het Ministerie van Cultuur,
die tot taak heeft radeloze Vlamingen op het goede taalpad te plaatsen. De
adviezen worden hen portvrij en op officieel briefpapier toegestuurd, zodat
ze wel de indruk zullen wekken een soort officiële decreten te zijn, op
gezag van 's konings minister den volke kond gedaan. Het zal u dus duidelijk
zijn dat het gezag van deze en andere taaladviseurs groot was (of nog is?)
en hoewel de rage de laatste jaren iets lijkt te zijn geluwd kan er geen
twijfel over bestaan dat dit alles uitgemond is in een onmiskenbare
verandering in het taalgedrag van de burger. Belangrijk voor de evaluatie
van die invloed is te weten, dat deze taaltuiniers zich
altijd al op het officiële, integrationistische standpunt hebben geplaatst,
dus de algemeen-Nederlandse norm hebben verdedigd. Dit
heeft ongetwijfeld veel bijgedragen tot de verspreiding, in brede lagen van
de bevolking, van de beweging naar het noorden toe. Twee
frappante voorbeelden daarvan zijn het pronominagegebruik en de
purismenvraag. Wat dit laatste betreft tonen studies naar lexicale
standaardizering aan dat, o.m. op grond van politiek-psychologische
motieven, de afkeer van Franse leenwoorden in de algemene taal in Vlaanderen
steeds duidelijk aanwijsbaar is geweest. Dit is o.m. ook toe te schrijven
aan de invloed van taaltuiniers avant-la-lettre van de
vorige generaties. De jongste lichting heeft echter, niet zonder succes,
gepoogd die schrik weg te nemen, met verwijzing naar het
algemeen-Nederlandse taalgebruik. Uit de voorgenoemde studies blijkt dus dat
woorden als paraplu, portemonnee, punaise en dgl., die
altijd al in de dialecten hebben bestaan, nu weer de puristische Belgicismen
regenscherm, geldbeugel en duimspijker aan het verdringen zijn (cfr. o.m. Deprez-Geerts 1977,
Deprez-Geerts-Delahaye 1978, Luystermans 1981, Van Nuffel 1981).
Misschien nog duidelijker is die invloed wat de aanspreekvormen betreft. De
vele discussies en polemieken uit de jaren vijftig en zestig tussen
aanhangers van het Brabantse gij-systeem en van het
algemeen Nederlandse jij-u-systeem lijken compleet
achterhaald te zijn: de gij-propagandisten hebben aan het
kortste eind getrokken | | | | indien niet steeds wat het gebruik, dan
zeker wat de intenties betreft. Het resultaat van deze evolutie in de
geesten is vooralsnog een complete pronominale chaos. De vervanging van een
systeem met eenheidspronomen door een zeer gediversifieerd systeem met je, jij, jullie en u is uiteraard veel
ingewikkelder dan het vervangen van duimspijker door punaise. Dat heeft dan ook geleid tot een merkwaardig
allegaartje, dat weliswaar de meest gekke dingen op kan leveren maar dat
anderzijds toch duidelijk een stap is weg van een traditioneel bekend
systeem.
Het is uiteraard niet mijn bedoeling het werk van de taaladviseurs op grond
van de twee bovengenoemde voorbeelden te beoordelen. Ik heb alleen willen
aantonen hoe diepgaand hun invloed wel is geweest.
Ik wil tenslotte nog wijzen op een ander paradoxaal resultaat van de
toegenomen taalzorg. Uit de geciteerde voorbeelden en uit andere moet men
tot de conclusie komen, dat het taalbeeld van Vlaanderen, althans op het
vlak van de algemene taal, nu een grotere diversiteit, een belangrijker
variabiliteit vertoont dan vroeger. Het paradoxale bestaat erin dat dit
gegroeid is uit een behoefte aan meer zekerheid, aan een rigoureuse
normering. Ook dat is zonder twijfel een symptoom van een overgangssituatie.
De invloed van de noordelijke norm is sterker geworden en
heeft een vaste plaats ingenomen naast de bestaande, Belgische norm. Dit verklaart de ietwat chaotische aanblik, die de Vlaamse
taalsituatie momenteel vertoont en die overal ontstaat in overgangsfasen
tussen oud en nieuw.
Het ziet er overigens niet naar uit dat daar heel spoedig verandering in komt
en wel omdat er de laatste jaren nog een andere factor is gaan meespelen,
die ik thans probeer te beschrijven.
Het komt me voor dat de tegenstelling tussen de integrationistische en de
separatistische stromingen in een nieuwe fase is geraakt. Ik maak duidelijk
wat ik met deze terminologie bedoel door kort samen te vatten wat ik daar in
een vorige publicatie over heb gezegd: de integratietendens is de beweging naar het noorden
toe, de algemeen-Nederlandse strekking, die momenteel de enig officieel
mogelijke is in de Vlaamse cultuurpolitiek. Het is het logische uitvloeisel
van de culturele integratie, die altijd al één van de belangrijkste
programmapunten van de Vlaamse Beweging is geweest. Zeker sinds de culturele
autonomie (grondwetswijziging van 1970) is dat ook de officiële
regeringspolitiek, die o.m. onlangs is uitgemond in het afsluiten van het
zgn. Taalunieverdrag.
Met de separatistische beweging bedoel ik de stroming van het Noorden weg, d.w.z. elke stroming van min of meer
particularistische aard, die om welke reden dan ook een eigen,
‘bodenständige’ ontwikkeling verkiest. Hoewel essentieel niet-officieel en
ook nauwelijks georganiseerd betreft het hier toch een niet onbelangrijke
instelling, die bij heel wat individuen in meerdere of mindere mate een rol
speelt. Het overwicht van de integrationistische tendens en vooral de
officiële steun ervoor is, zoals ik zei, te | | | | verklaren uit vooral
taalpolitieke overwegingen. De hele strijd van de Vlaamse Beweging voor de
gelijkberechtiging van het Nederlands in België had een dergelijke
aanleuning bij Nederland hard nodig en die troef werd dan ook heel dikwijls
uitgespeeld. Nu men echter alom meer en meer tot de overtuiging komt, dat de
voornaamste doeleinden van de Vlaamse Beweging verwezenlijkt zijn,
vermindert uiteraard ook de kracht van het bovengenoemde argument en dus ook
de interesse, bij een me dunkt grotere groep mensen dan vroeger, voor een zo
groot mogelijke integratie. Het ziet er naar uit dat de vooroordelen, die
aan beide zijden van de rijksgrens voorkomen, in de toekomst een belangrijke
rol zullen gaan spelen. Aangezien de belangstelling voor de culturele
integratie altijd al een overwegend zuidelijke aangelegenheid is geweest,
zou het afnemen van nu ook de zuidelijke interesse kunnen resulteren in een
groei van de middelpuntvliedende krachten, waarvan de invloed op norm en
variatie in Vlaanderen momenteel echter nog nauwelijks te overzien is. Voor
de hand ligt echter een eventuele versterking van binnenlandse
standaardizeringstendenzen, tenzij die zouden worden tegengewerkt door
sociale factoren, waar ik het zo meteen over zal hebben. Ook andere
ontwikkelingen, aan weerszijden van de rijksgrens kunnen daarbij een rol
spelen en één daarvan heeft te maken met een ontwikkeling die zich kennelijk
op dit moment in Nederland afspeelt. Ik bedoel een toenemende mate van
belangstelling voor geregionaliseerd taalgebruik en een daarmee gepaard
gaande toename van variabiliteit binnen een steeds losser wordend normbesef.
Indien ik goed ben ingelicht zou deze evolutie op dit ogenblik vooral
westelijke regionalismen bevorderen, in die zin dat steeds meer westelijke
taalgebruikers taalvariatie zouden vertonen, c.q. versterken, die tot voor
kort als ‘sub-standard’ werd aangezien en die behoort tot wat Kloeke, zij
het in wat nu wel een compleet andere tijd blijkt te zijn, Algemeen Onbeschaafd Nederlands heeft genoemd. Ik vel daar
uiteraard geen oordeel over, maar stel alleen vast, ook uit eigen
aanschouwing, dat het traditionele normbesef in Nederland steeds minder
invloed blijkt uit te oefenen.
Mocht ditzelfde verschijnsel zich binnen afzienbare tijd ook buiten het
westen voor gaan doen, dan kan dat een nieuwe, interessante evolutie
inluiden.
Een laatste punt dat ik t.a.v. de verdere ontwikkeling ter sprake wil brengen
is het onderscheid tussen de standaardtaal als sociolect van een bepaalde
groep en als norm voor de taalgemeenschap als geheel. Ook dat zal
ongetwijfeld het probleem norm en variatie in Vlaanderen
aanzienlijk beïnvloeden en er zullen allicht veranderingen optreden, die nu
misschien al in de kiem aanwezig zijn, maar vooralsnog geen doorslaggevende
rol spelen.
Wat daarmee aan de orde staat is zeker geen exclusief Vlaams probleem, maar
integendeel een verschijnsel, dat zich op vele plaatsen voordoet of voor kan
doen. Want zodra een deel van de bevolking de standaardtaal gaat beschouwen
als hét specifieke ui- | | | | tingsmiddel van een bepaalde sociale of
regionale groep kunnen zich spanningen voordoen t.a.v. het aanvaarden van
die taal als norm of als communicatiemiddel. Eén van die facetten is in
Vlaanderen niet nieuw, met name het regionale. Een belangrijke factor bij de
motivering van separationistische taalopvattingen is altijd al geweest dat
de Nederlandse standaardtaal door velen werd (c.q. wordt) beschouwd als de
taalvorm van Holland en bijgevolg op grond van regionalistische motieven kan
worden afgewezen (vanzelfsprekend - en dit even terzijde - kan een
soortgelijke houding ook binnen het Koninkrijk der Nederlanden een rol
spelen). Alle propagandisten van een algemeen Nederlandse norm in Vlaanderen
zijn zich daar overigens terdege van bewust en hebben steeds geprobeerd dit
argument af te wijzen, te weerleggen, te minimaliseren of als een
onvermijdelijk kwaad voor te stellen, kennelijk echter zonder al te veel
succes, getuige o.m. volgende uitspraak van Goossens ‘I am surprised at the
deep-rooted prejudices and the irrationality of the grudge that many Flemish
bear their northern neighbours’ (Goossens 1981:
271).
De vraag is echter hoe men zal reageren zodra daar nog het sociale aspect aan
wordt toegevoegd. Dat die kans op de ontwikkeling van het
standaardnederlands in Vlaanderen tot klassegebonden taal en
‘Schichtenabzeichen’ er dik in zit heb ik in een paar vroegere publicaties
betoogd (Willemyns, 1979 en 1981) en ik wil thans
proberen even de omvang van het probleem te schetsen. Vooral wil ik er
echter terloops even op wijzen dat tot voor kort het winnen van een zgn.
sociale elite voor het gebruik van wat toen nog A.B.N. werd genoemd, door
heel wat A.B.N.-propagandisten als een zeer wenselijke evolutie werd
beschouwd en ik beperk me ertoe als illustratie één in dit verband
karakteristieke uitspraak te citeren van de u allen bekende Grootaers, die in 1952 het volgende schreef: ‘Is it
the scholars, the poets, the teachers in the different educational branches,
who are considered by the majority to be the leading people? No, it is
those, who are economically the strongest and who do show this in their
style of life (which certainly is not the case with the intellectuals
referred to). When all the Flemish lords, Antwerp and Ghent bankers, big
industrialists, merchants, shipowners and so on use standard Dutch in and
outside their family circle, everybody will be able to do so and all...will
do so’ (Grootaers 1952: 712, geciteerd in Goossens 1981). Of een
soortgelijke redenering opgaat is zeer de vraag; ik geloof integendeel dat
een dergelijke evolutie voor heel wat problemen zorgt, waar ik het zo meteen
over zal hebben en ik wijs terloops op een opvatting die o.m. door Ammon
wordt verkondigd, dat het helemaal niet in de bedoeling ligt van de door
Grootaers genoemde groep om de arbeidersklasse te helpen of op het goede pad
te zetten bij het verwerven van een standaardtalige competentie (Ammon 1981; zie ook Willemyns 1981).
Vergeleken met vroeger is het linguïstisch continuum in Vlaanderen | | | | de laatste decennia ruimer geworden, enerzijds omdat er een vroeger amper
voorkomende variant, het algemeen Nederlands, aan werd toegevoegd, en het
spanningsveld tussen de twee uitersten dus werd vergroot, anderzijds omdat
steeds meer sprekers de vaardigheid blijken te bezitten zich te bedienen van
taalvarianten die, ten opzichte van het theoretische middelpunt, aan de kant
van de standaardtaal kunnen worden gesitueerd.
Indien nu, zoals door velen wordt betoogd, de mate van communicatieve
competentie inderdaad kan worden gemeten aan het gemak waarmee de spreker
naargelang van de omstandigheden van de ene naar de andere code kan
switchen, dan moet men vaststellen, dat heel wat meer sprekers dan vroeger
over een grotere ‘communicative competence’ beschikken.
Het ligt echter al evenzeer voor de hand, dat een dergelijke vaardigheid niet
voor iedereen weggelegd is en met name sociaal geconditioneerd zal zijn.
Volgens sommige auteurs, en ik ben geneigd hen in die overtuiging bij te
treden, is het zelfs, zoals ik daarnet al zei, een typisch kenmerk van Upper
Class-politiek, dat geprobeerd wordt de leden van de Lower Classes zo veel
mogelijk van het aanleren van de standaardtaal af te houden, omdat ze op die
manier ook verhinderd worden deel te nemen aan het sociale en politieke
leven en ze, zoals Ammon zegt ‘allein schon mangels erforderlicher
Sprachkenntnisse wirkungsvoll von den ‘Schalthebeln der politischen Macht’
ferngehalten (werden)’ (Ammon 1981). Hoe dan ook, standaardtaalgebruik als
uiterlijk teken van klassetoebehoren is een vaststaand verschijnsel en het
ligt voor de hand, dat de thans merkbare evolutie in Vlaanderen ook dit
probleem dichterbij brengt. Dat dit tot voor kort minder het geval was, heb
ik in vroegere publicaties toegeschreven aan twee factoren, die ik solidariteit en inschikkelijkheid heb
genoemd, twee verschijnselen waar ik heel kort op inga.
Solidariteit is het verschijnsel dat ervoor zorgt dat
streekgenoten van om het even welke sociale klasse op een convergerende
manier met elkaar communiceren, omdat op bepaalde momenten de regionale
gebondenheid kennelijk heel sterk doorweegt. Dialect en/of regionale
omgangstaal zijn dan de meest voorkomende varianten. Ik heb er echter ook op
gewezen dat in andere omstandigheden de factor power de
solidariteit kan doorbreken. Naarmate het linguïstische klassebewustzijn van
de leidende groepen groeit zal dit steeds vaker voorkomen.
Met inschikkelijkheid verwijs ik naar een element dat vrij
typisch is voor de Vlaamse situatie. Velen uit de groep die in het
Grootaerscitaat worden genoemd werden nog opgeleid in het Frans en hun
kennis van het standaardnederlands is dus later verworven, vrij deficiënt en
zeer door het dialect beïnvloed. Van hen kan men dus geen sociale sancties
verwachten t.a.v. sociaal onaangepast taalgebruik. De jongere generatie van
de leidende klasse zal daar echter wel anders op reageren, zodat dergelijke
sancties in de toekomst wel mogelijk worden of misschien al zijn? Ook in | | | | Vlaanderen zal dus de spanning tussen de standaardtaal als
sociolect van een bepaalde klasse en als norm voor het algemene taalgebruik
voortdurend toenemen en het is zeer de vraag of de linguïstiek in het
algemeen, de sociolinguïstiek en de taaldidactiek in het bijzonder, daar
iets aan zullen kunnen doen. Dat is echter een heel aparte problematiek waar
ik nu niet over uit kan weiden. I.v.m. een andere realistische
toekomstverwachting, die hier evenmin verder besproken kan worden, citeer ik
Luystermans 1981:22 ‘In het licht van het feit dat de keuze uit de
verschillende lagen van de Nederlandse taal mede bepaald wordt door de
klasse waartoe men behoort, kunnen we de hypothese opbouwen dat diglossische
funktieverschillen tussen de verschillende taallagen, die men kent, zich
niet bij elke groep op dezelfde wijze zullen voordoen’.
Laat ik tot slot proberen het Vlaamse normprobleem ook enigszins
internationaal te situeren, d.w.z. te vergelijken met de Franse, Duitse en
Engelse situatie in onze buurlanden (ik ken weliswaar de situatie aldaar
minder goed dan vele van mijn toehoorders, maar ik steun o.m. op lezingen
die vorig jaar op een colloquium in Amsterdam aan dat onderwerp werden
gewijd door resp. Al, Beersmans en Gussenhoven)*.
De situatie waar de Nederlandse het beste mee te vergelijken valt is
ongetwijfeld de Duitse, althans wat de feitelijke toestand betreft waar men
van uit kan gaan. I.t.t. wat men geneigd zou zijn te denken is hier niet
zozeer een vergelijking noodzakelijk met de positie van bv. Oostenrijk en
Zwitserland versus de B.R.D. en de D.D.R., maar zijn het veeleer de
Bondsduitse, binnenlandse verhoudingen die zich ter vergelijking opdringen.
De Noord-Zuid-verhouding in de Bondsrepubliek is mutatis mutandis aardig op
onze situatie van toepassing.
Maar laat de feitelijke toestand dan vrij identiek zijn, de ideële is dat
duidelijk niet. De nogal liberale Duitse instelling ten aanzien van variatie
en norm (of althans wat door niet-Duitsers als zodanig wordt beschouwd) is
in ons taalgebied m.i. niet aanwezig, in het Noorden evenmin als in het
Zuiden.
De noordelijke situatie lijkt me in belangrijke deelaspecten min of meer met
de Britse overeen te komen, in die zin dat de functie van het A.B.N., in de
betekenis die o.m. Kloeke daaraan hechtte, nogal
verwant lijkt met de functie van de R.P., met echter een bredere basis om op
te steunen. Ook daar is er, zoals in Groot-Brittannië een de laatste
decennia sterker wordend regionalisme, o.m. als een soort linguïstisch
protest tegen het establishment. Ook een vorm van ietwat hautaine
overschilligheid ten aanzien van out-group ontwikkelingen van de taal zullen
sommigen mét mij allicht bereid zijn te onderkennen.
| | | |
In Vlaanderen liggen de zaken wel anders. Ik denk dat in de geesten van velen
een verlangen leeft naar een, met de toestand in Frankrijk vergelijkbaar
systeem, d.w.z. een bewuste of onbewuste behoefte aan vrij strenge
normering, het verlangen naar een instantie, die in de plaats van de
individuele taalgebruiker beslist over zo moeilijke dilemma's i.v.m. vorm en
normconform taalgebruik. Toch zijn er ook duidelijke verschillen, zowel
t.a.v. de manier waarop alles historisch is gegroeid als t.a.v. de
feitelijke situatie.
Vooraleer ik daar verder op in ga lijkt het me niet overbodig nog eens in een
notedop de belangrijkste kenmerken van de Franse situatie op een rijtje te
zetten.
In Frankrijk wordt kennelijk gepoogd het Standaardfrans, desnoods tegen heug
en meug, aan zoveel mogelijk mensen en zoveel mogelijk sociale en regionale
groepen van mensen op te dringen, met verachting van wat bij velen in de
plaats van het Standaardfrans als voertaal werd of wordt gebruikt.* Het resultaat van
dit jacobinisme is een sociale herverdelende functie van de taal. Veel
minder dan in andere landen is in Frankrijk de taal een symptoom van
klassetoebehoren. Veel meer arbeiders dan in de mij bekende taalgebieden
zijn in staat om in een meer dan behoorlijk algemeen Frans het woord te
voeren. De rigiditeit van de normering, het vasthouden aan klassiek
schriftfrans met voorbijgaan aan de populaire vormen van het gesproken
Frans, de bijna verachting van alle andere idiomen, wat hun status of
functie ook zij: dit alles werd op het Amsterdamse colloquium met enige
ergernis, voor sommigen vermengd met steile verbazing of zelfs ongeloof
aanhoord. De vraag is echter of het vermelde sociale
resultaat bereikbaar is zonder de voorgenoemde ‘ergernisverwekkende’
mentaliteit op de koop toe te nemen. Het is goed zich eens te bezinnen over
de vraag of een situatie als de Engelse bv. zoveel beter is. Daar is er
kennelijk niemand die eraan denkt de elitetaal (hoewel ook die voor in
group-gebruik rigide genormeerd is) aan anderen op te dringen, maar daar
staat tegenover dat zowat iedereen door zijn taalgebruik verraadt tot welke
sociale klasse hij behoort en zich meteen blootstelt aan de gebruikelijke
sanctionering van dien.
Maar Vlaanderen, ik zei het al, heeft niet dezelfde historische ontwikkeling
gekend als Frankrijk. De traditie van nationalisme en jacobinisme bestaat er
niet, a fortiori ook niet wat het taalgebruik betreft. Er bestond geen
taalvorm, die met ‘Franse’ middelen doorgedrukt kon worden ten koste van
andere varianten. Het regionalistische taalgebruik is er nooit verdwenen, de
hypertrofie van de dialecten daarentegen steeds bestaande geweest.
| | | |
Een eerste vereiste om de latente behoefte aan taalregularisering naar Frans
model, gesteld dat dit een goede oplossing zou zijn, te vervullen zou dus
zijn dat men precies zou weten welk soort standaardtaal gepropageerd en
gepousseerd moet worden en dat is nou net iets waar, zoals ik in mijn hele
verhaal heb proberen duidelijk te maken, geen eensgezindheid over bestaat.
Ook dat is een apsect van wat Geerts, in navolging van Haugen, de Vlaamse
schizoglossie heeft genoemd.
Mijn besluit dus, dames en heren, is dat Vlaanderen zich wat het
standaardizeringsproces betreft, in een overgangssituatie bevindt, waarin
heel wat, soms erg tegenstrijdige tendenzen aanwijsbaar zijn, zodat het niet
zo maar voorspelbaar is welke kant het uit zal gaan. Een ontwikkeling naar
Duits model met een tolerant normbewustzijn, zowel t.a.v.
interne variatie als wat de relaties met de noorderburen betreft, is in een
dergelijke transitoire periode misschien nog het meest aangewezen, maar ik
hoef er u allicht niet aan te herinneren dat niet de linguïst daarover
beslist, maar de taalgebruiker zelf, in de mate waarin hij reageert op al de
culturele, politieke, sociaal-economische en psychologische, talige en
niet-talige factoren die zijn bestaan als lid van een gemeenschap en als
taalgebruiker beïnvloeden en oriënteren.
| |
Bibliografie
| 1977 | Ammon, U. Schoolproblems of Regional Dialectspeakers: Ideology and
Reality. Results and Methods of Emperical Investigations in Southern
Germany. in: Journal of Pragmatics 1, 47-68 |
| 1981 | Zum Versuch der soziolinguistischen Legitimation sozialer
Sprachungleichkeit - am Beispiel von Schullehrzielen in der
Bundesrepublik Deutschland - kritische Anmerkungen. In: P.
van de Craen & R. Willemyns 1982. |
| 1957 | Coetsem, F. van. De rijksgrens tussen Nederland en België als
taalgrens in de algemene taal. In A. Weijnen & F. van Coetsem,
De rijksgrens tussen België en Nederland als
taalgrens, Amsterdam. |
| 1982 | Craen, P. van de en R. Willemyns. Sociolinguistiek en
Ideologie. Brussel |
| 1977 | Deprez, K. en G. Geerts. Lexikale en pronominale
standaardizatie. Een onderzoek van de ontwikkeling van het algemeen
Nederlands in West-Vlaanderen. Antwerp Papers in Linguistics
13. |
| | | |
| 1978 | Deprez, K., G. Geerts en L. Delahaye. Het standaardizatieonderzoek in
Vlaanderen: theoretische en metodologische toelichting, en een
replicatie-onderzoek bij zeventig vrouwen in Ieper. In: Leuvense Bijdragen 67, 385-454. |
| 1970 | Goossens, J. ‘Belgisch Beschaafd Nederlands’ en Brabantse expansie.
In: De Nieuwe Taalgids (Van Haeringennummer), 54-70. |
| 1980 | 150 Years of Belgium and Its Consequences Regarding Language Usage in
Flanders. In: Belgium and Europe. Proceedings of the
International Francqui-Colloquium, Brussels-Ghent 12-14 November
1980, 261-278 |
| 1952 | Grootaers, L. Notes on a General Report by A. Mussche for the Benefit
of the Standard Language. In: Verslagen en Mededelingen van
de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde,
711-713 |
| 1981 | Luystermans, K. Lexicale standaardisatie in Ninove. Een
sociolinguistische studie van de kennis en het gebruik van algemeen
Nederlandse woorden. Brussel (onuitgegeven
licentiaatsverhandeling V.U.B.) |
| 1974 | Meeus, B. Het gebruik van het ABN en het dialect in het Vlaamse land.
In: De Gids op Maatschappelijk Gebied 65, 391-414. |
| 1981 | Nuffel, E. van. Lexicale standaardisatie.
Sociolinguistisch onderzoek naar de ontwikkeling van het Algemeen
Nederlands in de Oostvlaamse gemeente Lebbeke. Brussel
(onuitgegeven licentiaatsverhandeling V.U.B.). |
| 1979 | Suffeleers, T.J. Taalverzorging in Vlaanderen. Een
opniniegeschiedenis. Brugge-Nijmegen. |
| 1979 | Willemyns, R. Invloed van ‘power’ en ‘solidarity’ op het gebruik van
dialect en standaardtaal in Vlaanderen. In: De Nieuwe
Taalgids 72, 289-302. |
| 1981a | Taalgedrag en taalgebruik als klasse-indicatoren. In: De
Nieuwe Taalgids 74, 134-148. |
| 1981b | Die Sprachsituation in Belgien unter soziolinguistischen Aspekten. In:
Linguistische Berichte 75, 41-59. |
|
*Colloquium ‘Norm en Variatie’, 12 en 19 september 1981 (de
Acta zijn ter perse).
*Met de kersverse
regionaliseringspolitiek lijkt daar nu enige verandering in te
zullen komen, maar het zal uiteraard nog enige tijd duren voor daar
resultaten van te merken zullen zijn.
|
|