Colloquium Neerlandicum 8 (1982)


auteur: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum


bron: Verslag van het achtste colloquium van docenten in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten. Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, Den Haag / Hasselt 1983


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 79]

Taalvarianten en normbewustzijn
prof. dr. R. Willemyns

De begrippen variatie en norm hebben uiteraard iets met elkaar te maken, maar toch is het niet zo, dat variatie een functie is van norm, d.w.z. taal is weliswaar variatie, maar die variatie behoeft niet noodzakelijk uitgedrukt of beschreven te worden in functie van een eventuele norm, hoewel dat is wat meestal gebeurt. Vele taalbeschrijvers gaan er namelijk van uit, dat er zoiets bestaat als een vrij rigide norm en definiëren variatie dan als datgene wat niet met die norm overeenstemt. Een andere mogelijkheid is de norm zèlf als min of meer flexibel te interpreteren, dus binnen de norm een zekere variabiliteit te aanvaarden. In beide gevallen echter is de variatie het enige wat min of meer duidelijk beschreven wordt, terwijl de norm zelf wordt geacht bekend te zijn en er meestal volstaan wordt met een impliciete of expliciete verwijzing naar datgene wat in de klassieke spraakkunsten en woordenboeken wordt beschreven, c.q. opgenomen. In het geval van het Nederlands is die norm datgene wat meestal aangeduid wordt als A.B.N., A.N., cultuurtaal, standaardtaal of een andere equivalente term.

Ik hoop dat het u in de loop van mijn uiteenzetting duidelijk zal worden waarom ik het, t.a.v. de taalsituatie in Vlaanderen, niet aangewezen acht uit te gaan van een traditioneel normbegrip, ten aanzien waarvan dan de variatie in of buiten die norm zou worden beschreven. Ik zal integendeel proberen u allereerst een overzicht, een beschrijving te geven van de linguïstische situatie en dan zien we daarna wel of het begrip norm daar een rol in moet spelen en zo ja, welke.

 

Variabiliteit is in de mainstream van de huidige linguïstiek een kernbegrip. Het is u bekend dat dit niet altijd zo geweest is, dat ongeveer een halve eeuw lang de linguïstiek zich bezig heeft gehouden met onderzoek van langue, resp. competence en dat variatie, voor zover dat al ter sprake kwam, naar de parole, resp. performance werd verwezen, d.w.z. nauwelijks au sérieux werd genomen. Sinds zowat anderhalf decennium is er echter een duidelijke

[p. 80]

kentering en is de variantenstudie bovendien erg ‘in’. Hoewel ik van mening ben, dat dit een gelukkige ontwikkeling is, stel ik toch voor dat we ons niet al te zeer door linguïstische modeverschijnselen laten beïnvloeden en proberen te doen wat m.i. altijd al de beste aanpak is geweest, nl. uitgaan van een empirische beschrijving van de situatie en dan beslissen welk theoretisch kader het meest geschikt is voor de interpretatie van de gegevens i.p.v., wat helaas al te vaak voorkomt, het omgekeerde te doen.

De linguïst, die zich voorneemt het taalgebruik van een volk te beschrijven, komt al gauw tot de vaststelling, dat er een enorme diversiteit bestaat, dat hij geconfronteerd wordt met wat Ammon heeft genoemd ‘a gradual transition from the pure dialect on the one side to the pure national language on the other, with no clear varieties that could be isolated in between’ (Ammon 1977: 63). Van de linguïst mag en moet worden verwacht dat hij, in zijn beschrijving van de taalsituatie, probeert daar toch enige klaarheid in te brengen, dat hij zijn toehoorders niet confronteert met vijf miljoen particuliere systeempjes, maar integendeel met een zinvolle ordening van al die systeempjes in een overzichtelijke matrix van codes, waarvan hij zich voorneemt de rol, de functie, de begrenzing, de gebruiks- en communicatiemogelijkheden en de sociale aanvaardbaarheid te beschrijven. Ik hoef u er nauwelijks voor te waarschuwen, dat een dergelijke onderneming hoogst arbitrair en persoonlijk is. Inderdaad, ‘there are no clear varieties that could be isolated in between’ maar als taalbeschrijver kun je met een dergelijke, hoezeer ook correcte, constatering geen vrede nemen en moet je dus het onmogelijke proberen. Dat het resultaat daarvan arbitrair is stoort mij nauwelijks omdat ik me gesterkt weet door de overtuiging, dat elke wetenschappelijke interpretatie dat is en ik hoop maar dat de meesten onder u die overtuiging met mij delen.

Uit de hand-out kunt u opmaken, dat ik van plan ben de vele in Vlaanderen gesproken variëteiten in te delen - arbitrair dus - in vijf groepen, die ik genoemd heb:

A.Dialect
B.Getranslitereerd dialect
C.Regionale omgangstaal
D.Belgisch beschaafd
E.Algemeen Nederlands

Ik meen goede redenen te hebben om het bij die vijf te houden, maar ik geef graag toe, dat het er desnoods ook meer zouden kunnen zijn. Ik zou echter wel scrupules hebben om dat aantal te beperken. Het systeem zoals Meeus, 1974 het voorstelt en waarbij hij het taalgebruik van de verschillende sociale klassen beschrijft als een interactie tussen slechts twee systemen - dialect en standaardtaal - naargelang van de formaliteit van de situatie, lijkt mij onvoldoende om de zeer gediversifieerde Vlaamse realiteit te

[p. 81]

vatten. Hetzelfde geldt voor het systeem dat Deprez-Geerts 1977 in het spoor van Meeus hebben ontworpen. Weliswaar diversifiëren zij naar sociale groepen en domeinen, maar toch blijven zij met het onvoldoende aantal van slechts twee codes werken.

In een zgn. feature matrix probeer ik u eerst een overzicht te geven van de correspondenties tussen mijn vijf systemen:

  A B C D E
dialectinterferentie + + + + -
bovenregionaal - - + + +
schrijftaal - - - + +
begrijpelijk voor iedereen - ± + + +
klassegebonden
- Middle Class
- - + + +
- Lower Class + + ± - -
gecodificeerd - - - ± +
gebruikt op radio en TV - - - - +

Ik leg er nogmaals de nadruk op, dat in een dergelijk schema duidelijkheidshalve grenzen worden getrokken tussen systemen, die eigenlijk meestal in elkaar overvloeien en elkaar gedeeltelijk overlappen. Het zijn slechts punten om het continuum enigszins in te delen en niet uit het leven gegrepen realiteiten, die men in het dagelijkse taalgebruik moeiteloos zou kunnen aanwijzen.

Ik probeer thans van die verschillende systemen een meer gedetailleerde beschrijving te geven.

A. Dialect

Dialect is in Vlaanderen niet (of nog niet) een taal, die alleen in informele omstandigheden met intimi wordt gesproken. Het is integendeel een alomtegenwoordige code, die het linguïstische leven nog heel sterk beheerst. In vroegere publicaties heb ik al aangetoond, dat misschien de twee belangrijkste punten zijn (en heel

[p. 82]

zeker de belangrijkste verschilpunten met de Nederlandse situatie) dat

1)zowat iedereen dialect kent
2)zogoed als iedereen, in om het even welke sociale klasse, dat dialect gebruikt, ook van ‘af en toe’ tot ‘bijna uitsluitend’ Vanzelfsprekend is de situatie van het dialect niet in alle gebieden dezelfde, maar op deze regionale verschillen kan hier niet worden ingegaan. Ze veranderen trouwens niets aan het algemene beeld.

Dialect is dus de ene pool van het spanningsveld dialect - standaardtaal en wel één met een bijzonder grote aantrekkingskracht. Dat zal alle tussenliggende varianten zeer sterk beinvloeden, zowel formeel als wat de gebruiksaspecten betreft.

B. Getranslitereerd dialect

Met getranslitereerd dialect bedoel ik een zeer klassegebonden variant; t.w. een bijna uitsluitend door leden van de Lower Class gebruikt systeem, waarin bepaalde klanken of fonemen en af en toe eens een enkel woord in de richting van de standaardtaal worden aangepast, maar waarbij verder het morfologische en syntactische systeem van het dialect zo goed als integraal bewaard blijft. De mij best bekende, nl. Westvlaamse variant ervan blijft in vele gevallen beperkt tot het veranderen van een aantal ie's en uu's in ei en ui (diek > dijk; buuk > buik) en het wegwerken van enkele duidelijke palataliseringsgevallen (zuele > zool; vul > vol), maar voor de rest verandert er nauwelijks iets.

Deze variant wordt dan ook haast uitsluitend gehanteerd door mensen, die in een situatie verkeren, waarvan ze begrijpen dat de gesprekspartner het plaatselijk dialect allicht niet begrijpt, maar over geen enkele andere variant beschikken om zich uit te drukken. Het betreft dus uiteraard steeds mensen met een bijzonder lage opleidingsgraad en meestal ouderen. Hoewel deze variant uiteraard uitsluitend voor interregionaal contact is bedoeld, kan ze die functie, door de uitzonderlijk hoge dialectgebondenheid, eigenlijk maar nauwelijks vervullen.

C. Regionale omgangstaal

Het onderscheid tussen C en B is vooral kwantitatief, d.w.z. dat er een grotere stap wordt gezet naar de algemene taal toe, maar wat het systeem zelf betreft is er maar weinig verschil. Ook hier vormt het plaatselijke dialect het stramien, de structuur van deze variant en het resultaat is een soort mengelmoes, dat van het getranslitereerde dialect vooral t.a.v. de gebruikswaarde afwijkt.

Interregionale contacten zijn hier namelijk wel mogelijk: het lijkt me weinig waarschijnlijk dat het gebruik van een regionale omgangstaal binnen de Vlaamse contekst noemenswaardige communicatieproblemen zou opleveren.

Ook het klassekarakter is dit keer minder duidelijk. Het is nl. in het geheel niet ongebruikelijk, dat ook niet-lower class spre-

[p. 83]

kers zich in een informele contekst van deze taalvorm bedienen. Toch kan het gebruik van deze regionale omgangstaal desondanks een aanduiding zijn voor de sociale status van de spreker, enerzijds omdat de mensen waar ik het in B over had er niet bij kunnen, het een voor hen onbereikbare code is, anderzijds omdat bv. intellectuelen ze zeker zullen vermijden in omstandigheden waarin het gebruik ervan hen niet geschikt lijkt. Dit vergt echter een linguïstische competentie, die buiten het bereik ligt van heel wat leden van de lagere en middenklassen, voor wie deze regionale omgangstaal de hoogst bereikbare vorm van standaardizering betekent.

D. Belgisch Beschaafd

De karakterisering van dit Belgisch Beschaafd (de term is van Goossens, 1970) is niet zo'n makkelijke opdracht en het problematische van die taak heeft zowel te maken met de nogal specifieke taalgeschiedenis in Vlaanderen als met een nogal eigen traditie binnen de taalbeschrijving aldaar. Volgens die traditie werd nl. - althans tot voor kort - als ‘algemene taal’ beschouwd ‘elk min of meer ernstig streven tot distantiëring van het dialect in de richting van de algemene taal’ (Van Coetsem, 1957: 23). Volgens deze, op zichzelf echter niet onaanvechtbare maatstaf, moet het Belgisch Beschaafd zonder twijfel binnen het kamp van de standaardtaal worden gerekend en kan het worden beschouwd als de Vlaamse variant van de Nederlandse cultuurtaal.

Vanuit historisch oogpunt is dit Belgisch Beschaafd de voortzetting van de taal die in de 19de en het begin van de 20ste eeuw door diegenen gesproken werd, die geen Frans wilden spreken, maar die ook te weinig contact met het noorden hadden om met de daar bestaande evolutie van het Nederlands bekend te zijn. We hebben hier dus te maken met een taal, die uit de boeken werd geleerd en dit karakter van gesproken schrijftaal is het Belgisch Beschaafd nooit kwijtgeraakt: het is een ietwat oubollige taalvariant, alleen bruikbaar in vrij formele contacten. Het probleem is echter dat sommigen de bruikbaarheid ervan nogal eens verkeerd interpreteren of, wat frekwenter voorkomt, over geen meer aangepaste code beschikken. Hoewel daar uiteraard geen cijfers over bestaan, ben ik ervan overtuigd dat de meerderheid van de Vlamingen op dit moment, ook als ze dat zouden willen, niet boven dit niveau uitraakt. Op het formele vlak zijn belangrijke eigenschappen van dit Belgisch Beschaafd o.m.:

-een dialectinterferentie die groter is dan wat men normaal voor een cultuurtaal aanvaardbaar acht. Naast de interferentie - die met ieders eigen dialectafkomst overeenstemt- is volgens Goossens over het algemeen een Brabantse invloed merkbaar, wat dus zou wijzen op een soort binnenlandse mini-standaardizering onder invloed van het Brabants of m.a.w. het heropnemen van een 16de-eeuwse draad, wat door, vooralsnog alleen niet-Brabantse Neerlandici het ‘Spaanse Brabander’-effect wordt genoemd.
-een tweede kenmerk kan onder de noemer ‘Belgicismen’ worden ge-
[p. 84]
bracht, d.w.z. gallicismen, verouderde boekentaal met een ietwat hoogdravende ambtenarenstijl, archaïsmen en dgl.

Dit Belgisch Beschaafd is, zoals ik al zei, vooral een schrijftaal, maar de kans is reëel dat de standaardizering in Vlaanderen in de meeste gevallen via dit Belgisch Beschaafd verloopt wat, zoals ik straks hoop aan te tonen, een bron van onnodige ergernis kan zijn, of zelfs in vele gevallen het eindpunt van de standaardizering is.

Het gebruik van Belgisch Beschaafd kan ook door psychologische factoren worden bepaald. Bij contacten met sprekers van de codes A tot en met D kan een standaardtaalspreker zich met convergerende bedoelingen van het Belgisch Beschaafd bedienen, bv. om te vermijden dat zijn taalgebruik als te ‘geaffecteerd’ dat wil dan zeggen ‘pedanterig’ zou worden gedoodverfd. ‘Geaffecteerd’ is een kwalificering die overigens heel vaak t.a.v. enigszins noordelijk of ‘Hollands’ getint taalgebruik wordt gehanteerd.

E. Algemeen Nederlands

Hiermee komen we aan de andere pool van het taalcontinuum in Vlaanderen. Een bruikbare naam voor deze taalvariant is misschien BRT-Nederlands, waarmee ik bedoel het in Vlaanderen gesproken Nederlands met de minste dialectinterferentie, met het geringste aantal Belgicismen en zo meer.

Er kan geen twijfel over bestaan, dat het de bedoeling is van de sprekers van deze variant zo ‘correct’ mogelijk te spreken en dat impliceert meestal dat het noordelijke Nederlands hier model staat, zonder dat het nochtans de bedoeling is dat te imiteren. Wel worden dezelfde maatstaven gebruikt, d.w.z. Van Dale, het groene boekje, de bekende spraakkunsten enz., zonder te vergeten wat ik straks nog ter sprake zal brengen, t.w. het opvolgen van de adviezen van de zgn. taaltuiniers, die zonder uitzondering hun inspiratie in het Noorden zoeken. Dit Nederlands is de officiële voertaal van het land, d.w.z. dat het voor het onderwijs, het bestuur, de culturele aangelegenheden enz. aangeprezen wordt, uiteraard hoofdzakelijk in formele situaties. Wanneer iemand die tot dit establishment behoort deze variant desondanks in de aangewezen situaties niet gebruikt, dan is dat bijna nooit een bewuste beslissing, maar het gevolg van een onvoldoende communicatieve competentie. Het sociale kader is daarmee duidelijk geschetst en zo de term Algemeen Beschaafd Nederlands ergens op zijn plaats is, dan is het wel hier.

Desondanks, en dit lijkt me het gepaste moment om dit probleem ter sprake te brengen, blijft er tussen de cultuurtaal zoals die in Noord en Zuid wordt gerealiseerd een zodanig onderscheid bestaan, dat iedereen in staat moet zijn na slechts één zin te hebben gehoord, uit te maken of de spreker een Nederlander of een Vlaming is, ook wanneer beiden naar hun eigen aard ‘correct’ spreken. Dit lijkt me een bijzonder aardig moment om terug te keren naar ons uitgangspunt ‘norm en variatie’.

[p. 85]

Wat stellen we inderdaad vast? De zeer beperkte speechsample die volstaat om het voorgenoemde oordeel over noordelijke of zuidelijke origine vast te stellen bewijst m.i. overduidelijk dat er hier niet in eerste instantie sprake kan zijn van syntactische, morfologische of zelfs lexicale verschillen. Blijft dus het fonetisch-fonologische niveau en zelfs daar kunnen we geen beroep doen op hardnekkige sjibbolets als het al of niet diftongeren van ee, eu en oo of het realiseren van stemhebbende of stemloze anlautsspiranten, meer bepaald de beruchte harde of zachte g. Inderdaad, vele Nederlandse staatsburgers uit het Zuiden staan wat dat betreft op hetzelfde standpunt als de Vlamingen en toch is ook in dat geval dat ene zinnetje voldoende om de doopceel van de spreker te lichten. De verklaring hiervoor ligt m.i. in wat meestal als fonetische randverschijnselen wordt beschouwd, t.w. intonatie en ritme. Ik probeer een voorbeeld te geven. Een zinnetje als:

 

(1) hij heeft de hele week in zijn grote boek geschreven

 

zal in schriftelijk Belgisch Beschaafd vermoedelijk luiden:

 

(2) hij heeft gans de week geschreven in zijn groot boek

 

met als meest opmerkelijke varianten:

-een syntactisch verschil: VN/NV
-een lexicaal verschil: gans/heel
-een morfologisch verschil: groot/grote

Wanneer we echter van variant E uitgaan (algemeen Nederlands), dan blijft dat zinnetje in beide gevallen gelijk. Wat de uitspraak betreft, kunnen er zich tussen randstedelijk algemeen Nederlands en zuidelijk algemeen Nederlands volgende verschillen of variaties voordoen:

HIJ HEEFT DE HELE WEEK IN ZIJN GROTE BOEK GESCHREVEN

A B
- heift he.ft
- hei he.
- ʋeik we.k
- sən zən
- XRou γro.tə
- Xəsreivə γəsXre.və (n)

d.w.z.

-diftongering van /e/ in heeft, hele, week, geschreven
-diftongering van /o/ in grote
-labiodentale [ʋ] bilabiale [w]
-Verhärtung van de anlautende spiranten in zijn, grote en geschreven
-huig [R] tongpunt [r]
-deletie van [X] in de cluster [sXr ] vóór [r]
[p. 86]

Het spreekt vanzelf, dat al deze verschillen (al zijn er hier nu wat veel opgestapeld in dat ene zinnetje) een rol spelen in de beoordeling van het soort Nederlands waar men mee te maken heeft. In ‘beneden-de-Moerdijks Nederlands uit Nederland’ zullen de meeste bovengenoemde verschilpunten wegvallen en toch zal iemand uit Eindhoven dat zinnetje nog anders realiseren dan iemand uit Turnhout. Dit kan m.i. enkel aan de al genoemde (en te weinig onderzochte) factoren intonatie en ritme toe te schrijven zijn en alhoewel deze factoren over het algemeen nauwelijks aan bod komen wanneer men het over norm heeft, kunnen ze vooral psychologisch een belangrijke rol spelen.

Vanzelfsprekend zijn dergelijke nuances vooral belangrijk in ‘taalgebruik op het hoogste niveau’ als ik dat zo noemen mag, d.w.z. in zeer formele omstandigheden en bij taalgebruikers van het hoogste opleidingsniveau. Zodra deze voorwaarden wegvallen zullen de aangehaalde en nog bijkomende verschillen veel meer de kop opsteken. In dat geval hebben we dan echter te maken met regionale verschillen, die ook aan weerszijden van de rijksgrens onderling bestaan.

 

Ik wil deze behandeling van de verschillende codes binnen het zgn. Zuidnederlands afsluiten met nog enkele algemene opmerkingen.

Een indeling in hetzij vijf, hetzij meer of minder codes is een theoretische aangelegenheid. Vaststellen welke taal een bepaalde taalgebruiker op een bepaald moment spreekt moet gebeuren op een soort glijdende schaal, die het continuum van dialect tot standaardtaal representeert en de vijf genoemde codes zijn dan niet meer dan punten op die schaal, te vergelijken met het systeem dat in de psycholinguïstiek wordt gebruikt om op zo een glijdende schaal attitudes vast te leggen. Daaruit mag echter geenszins worden afgeleid dat een dergelijke indeling overbodig zou zijn. Zij is m.i. noodzakelijk om over taalgebruik meer dan slechts veralgemenende uitspraken te kunnen doen en bovendien bijzonder nuttig om iets zinnigs te kunnen zeggen over de afstand tot de hypothetische norm, een probleem dat ik nu meteen in het volgende kapittel ter sprake wil brengen.

 

Norm is in Vlaanderen een, denk ik, nogal dubbelzinnig begrip. Heel lang al worden, soms zeer passionele discussies gehouden over wat, misschien soms ten onrechte, de norm van het Nederlands in Vlaanderen wordt genoemd. Ik denk o.m. aan de periode van het particularisme en alle daaropvolgende en soortgelijke polemieken, waarbij het meestal ging/gaat over de vraag of in Vlaanderen al dan niet, in meerdere of in mindere mate, een zelfstandige ontwikkeling wenselijk was, dan wel of een zo nauw mogelijke aanleuning bij het Noorden de aangewezen weg was (zie o.m. voor de geschiedenis hiervan Suffeleers, 1979). Heel vaak ging het hier vooral om lexicologische problemen. In om het even welke discussie over de norm zal het, ook vandaag, ook hier en nu, onmogelijk

[p. 87]

blijken te zijn aan dit probleem voorbij te gaan: dat zien we straks wel!

Een tweede klassiek thema i.v.m. de normproblematiek is de gallicismenkwestie. De contacten met het Frans zijn in Vlaanderen altijd zo intens geweest, dat een voortdurende en belangrijke beinvloeding onvermijdelijk was. Nu heeft het Frans op het Nederlands in het algemeen een grote invloed uitgeoefend, maar uiteraard het meest en het ingrijpendst in Vlaanderen. Zowel t.a.v. de leen- en bastaardwoorden als t.a.v. de zgn. gallicismen is daar ook altijd een, soms hevige, reactie op gekomen, niet zelden overigens beïnvloed door politieke of pseudo-politieke overwegingen. Dat het norm-begrip in dergelijke discussies een grote rol speelde en speelt ligt voor de hand.

De meer algemene aanpak van de normaliseringsproblematiek, d.w.z. de vraag welk soort variatie in de taal aanvaardbaar is en wat als niet conform dient te worden verworpen is in Vlaanderen vrij jong en ook nu nog vaak overwoekerd door de vorige twee thema 's. Anders gezegd, vooraleer men bij ons kan bepalen of een gegeven realisering van taalvariatie binnen of buiten de norm valt, is het noodzakelijk aan te duiden waar men die norm gaat zoeken. Dit is nergens een eenvoudige zaak, maar in Vlaanderen liggen de zaken vaak nog ingewikkelder, precies omdat daar nog bijkomt de vraag of men een eigen, zuidelijke norm verwerpelijk, aanvaardbaar of aangewezen acht. Ik heb al vermeld dat er in Vlaanderen een vrij sterke behoefte aan rigide normering aanwijsbaar is. Dat is terug te voeren op historische processen, waarvan ik mag aannemen dat ze u bekend zijn, zodat ik er niet expliciet op in hoef te gaan. De lotgevallen van het Nederlands in de zuidelijke Nederlanden hebben gezorgd voor een grote mate van taalonzekerheid. Het klassieke model van standaardizering, waarbij niet enkel een bepaalde regionale taalvorm, maar vooral ook het taalgebruik van een bepaalde sociale groep model staat bij de geleidelijke standaardizering van de taal, is in Vlaanderen niet van toepassing. De verfransing van de sociale bovenlaag, vooral sinds de zeventiende eeuw was er de oorzaak van dat de ‘normale’ evolutie hier geen doorgang vond. Schematizerend kan men zeggen dat de Nederlandstalige Belg al eeuwenlang krampachtig zoekt naar een leermeester, die hem in zijn taalevolutie kan begeleiden. Die noodzaak moet vooral tijdens de laatste decennia heel duidelijk gebleken zijn, te oordelen althans naar de velen die zich geroepen achtten, ik bedoel de vele taaltuiniers, die vooral sinds de jaren zestig elk op hun manier probeerden het onkruid in de Vlaamse taaltuin te wieden. Het betreft hier een belangrijk sociaal verschijnsel, dat verdient sociologisch onderzocht te worden. Feit is dat plotseling de ‘media’: kranten, tijdschriften, radio en TV het noodzakelijk achtten iets aan de taalcultuur van hun publiek te gaan doen en allemaal een meer of minder bevoegde of bekwame taaltuinier in dienst namen. De invloed van deze mensen kan nauwelijks worden overschat: hoewel zij, zoals wellicht iedereen in de dienstverle-

[p. 88]

nende sector zowel aan behoeften zullen zijn tegemoet gekomen als zelf behoeften zullen hebben gecreëerd, kan niet worden ontkend, dat zij een hoogst belangrijke rol hebben gespeeld.

Heel wat factoren hebben hier allicht samengewerkt, maar niet het minst zal beslissend zijn geweest, dat nu de indruk werd gewekt, dat er eindelijk een soort instantie bestond, die in staat was om uitsluitsel te geven in taalvragen, dat de norm als het ware werd gepersonifieerd. Dat dergelijke taalombudsdiensten succes hadden wordt niet alleen bewezen door hun alomtegenwoordigheid in de media, maar ook door de stapels brieven die zij elk ontvingen en waarin hulpbehoevende taalgebruikers om hun bijstand vroegen. Dit succes was voor vadertje staat aanleiding zich met de zaken te gaan bemoeien en dat resulteerde in de oprichting van de overigens nog altijd bestaande ‘Raad voor Taaladvies’ van het Ministerie van Cultuur, die tot taak heeft radeloze Vlamingen op het goede taalpad te plaatsen. De adviezen worden hen portvrij en op officieel briefpapier toegestuurd, zodat ze wel de indruk zullen wekken een soort officiële decreten te zijn, op gezag van 's konings minister den volke kond gedaan. Het zal u dus duidelijk zijn dat het gezag van deze en andere taaladviseurs groot was (of nog is?) en hoewel de rage de laatste jaren iets lijkt te zijn geluwd kan er geen twijfel over bestaan dat dit alles uitgemond is in een onmiskenbare verandering in het taalgedrag van de burger. Belangrijk voor de evaluatie van die invloed is te weten, dat deze taaltuiniers zich altijd al op het officiële, integrationistische standpunt hebben geplaatst, dus de algemeen-Nederlandse norm hebben verdedigd. Dit heeft ongetwijfeld veel bijgedragen tot de verspreiding, in brede lagen van de bevolking, van de beweging naar het noorden toe. Twee frappante voorbeelden daarvan zijn het pronominagegebruik en de purismenvraag. Wat dit laatste betreft tonen studies naar lexicale standaardizering aan dat, o.m. op grond van politiek-psychologische motieven, de afkeer van Franse leenwoorden in de algemene taal in Vlaanderen steeds duidelijk aanwijsbaar is geweest. Dit is o.m. ook toe te schrijven aan de invloed van taaltuiniers avant-la-lettre van de vorige generaties. De jongste lichting heeft echter, niet zonder succes, gepoogd die schrik weg te nemen, met verwijzing naar het algemeen-Nederlandse taalgebruik. Uit de voorgenoemde studies blijkt dus dat woorden als paraplu, portemonnee, punaise en dgl., die altijd al in de dialecten hebben bestaan, nu weer de puristische Belgicismen regenscherm, geldbeugel en duimspijker aan het verdringen zijn (cfr. o.m. Deprez-Geerts 1977, Deprez-Geerts-Delahaye 1978, Luystermans 1981, Van Nuffel 1981).

Misschien nog duidelijker is die invloed wat de aanspreekvormen betreft. De vele discussies en polemieken uit de jaren vijftig en zestig tussen aanhangers van het Brabantse gij-systeem en van het algemeen Nederlandse jij-u-systeem lijken compleet achterhaald te zijn: de gij-propagandisten hebben aan het kortste eind getrokken

[p. 89]

indien niet steeds wat het gebruik, dan zeker wat de intenties betreft. Het resultaat van deze evolutie in de geesten is vooralsnog een complete pronominale chaos. De vervanging van een systeem met eenheidspronomen door een zeer gediversifieerd systeem met je, jij, jullie en u is uiteraard veel ingewikkelder dan het vervangen van duimspijker door punaise. Dat heeft dan ook geleid tot een merkwaardig allegaartje, dat weliswaar de meest gekke dingen op kan leveren maar dat anderzijds toch duidelijk een stap is weg van een traditioneel bekend systeem.

Het is uiteraard niet mijn bedoeling het werk van de taaladviseurs op grond van de twee bovengenoemde voorbeelden te beoordelen. Ik heb alleen willen aantonen hoe diepgaand hun invloed wel is geweest.

Ik wil tenslotte nog wijzen op een ander paradoxaal resultaat van de toegenomen taalzorg. Uit de geciteerde voorbeelden en uit andere moet men tot de conclusie komen, dat het taalbeeld van Vlaanderen, althans op het vlak van de algemene taal, nu een grotere diversiteit, een belangrijker variabiliteit vertoont dan vroeger. Het paradoxale bestaat erin dat dit gegroeid is uit een behoefte aan meer zekerheid, aan een rigoureuse normering. Ook dat is zonder twijfel een symptoom van een overgangssituatie. De invloed van de noordelijke norm is sterker geworden en heeft een vaste plaats ingenomen naast de bestaande, Belgische norm. Dit verklaart de ietwat chaotische aanblik, die de Vlaamse taalsituatie momenteel vertoont en die overal ontstaat in overgangsfasen tussen oud en nieuw.

Het ziet er overigens niet naar uit dat daar heel spoedig verandering in komt en wel omdat er de laatste jaren nog een andere factor is gaan meespelen, die ik thans probeer te beschrijven.

Het komt me voor dat de tegenstelling tussen de integrationistische en de separatistische stromingen in een nieuwe fase is geraakt. Ik maak duidelijk wat ik met deze terminologie bedoel door kort samen te vatten wat ik daar in een vorige publicatie over heb gezegd: de integratietendens is de beweging naar het noorden toe, de algemeen-Nederlandse strekking, die momenteel de enig officieel mogelijke is in de Vlaamse cultuurpolitiek. Het is het logische uitvloeisel van de culturele integratie, die altijd al één van de belangrijkste programmapunten van de Vlaamse Beweging is geweest. Zeker sinds de culturele autonomie (grondwetswijziging van 1970) is dat ook de officiële regeringspolitiek, die o.m. onlangs is uitgemond in het afsluiten van het zgn. Taalunieverdrag.

Met de separatistische beweging bedoel ik de stroming van het Noorden weg, d.w.z. elke stroming van min of meer particularistische aard, die om welke reden dan ook een eigen, ‘bodenständige’ ontwikkeling verkiest. Hoewel essentieel niet-officieel en ook nauwelijks georganiseerd betreft het hier toch een niet onbelangrijke instelling, die bij heel wat individuen in meerdere of mindere mate een rol speelt. Het overwicht van de integrationistische tendens en vooral de officiële steun ervoor is, zoals ik zei, te

[p. 90]

verklaren uit vooral taalpolitieke overwegingen. De hele strijd van de Vlaamse Beweging voor de gelijkberechtiging van het Nederlands in België had een dergelijke aanleuning bij Nederland hard nodig en die troef werd dan ook heel dikwijls uitgespeeld. Nu men echter alom meer en meer tot de overtuiging komt, dat de voornaamste doeleinden van de Vlaamse Beweging verwezenlijkt zijn, vermindert uiteraard ook de kracht van het bovengenoemde argument en dus ook de interesse, bij een me dunkt grotere groep mensen dan vroeger, voor een zo groot mogelijke integratie. Het ziet er naar uit dat de vooroordelen, die aan beide zijden van de rijksgrens voorkomen, in de toekomst een belangrijke rol zullen gaan spelen. Aangezien de belangstelling voor de culturele integratie altijd al een overwegend zuidelijke aangelegenheid is geweest, zou het afnemen van nu ook de zuidelijke interesse kunnen resulteren in een groei van de middelpuntvliedende krachten, waarvan de invloed op norm en variatie in Vlaanderen momenteel echter nog nauwelijks te overzien is. Voor de hand ligt echter een eventuele versterking van binnenlandse standaardizeringstendenzen, tenzij die zouden worden tegengewerkt door sociale factoren, waar ik het zo meteen over zal hebben. Ook andere ontwikkelingen, aan weerszijden van de rijksgrens kunnen daarbij een rol spelen en één daarvan heeft te maken met een ontwikkeling die zich kennelijk op dit moment in Nederland afspeelt. Ik bedoel een toenemende mate van belangstelling voor geregionaliseerd taalgebruik en een daarmee gepaard gaande toename van variabiliteit binnen een steeds losser wordend normbesef. Indien ik goed ben ingelicht zou deze evolutie op dit ogenblik vooral westelijke regionalismen bevorderen, in die zin dat steeds meer westelijke taalgebruikers taalvariatie zouden vertonen, c.q. versterken, die tot voor kort als ‘sub-standard’ werd aangezien en die behoort tot wat Kloeke, zij het in wat nu wel een compleet andere tijd blijkt te zijn, Algemeen Onbeschaafd Nederlands heeft genoemd. Ik vel daar uiteraard geen oordeel over, maar stel alleen vast, ook uit eigen aanschouwing, dat het traditionele normbesef in Nederland steeds minder invloed blijkt uit te oefenen.

Mocht ditzelfde verschijnsel zich binnen afzienbare tijd ook buiten het westen voor gaan doen, dan kan dat een nieuwe, interessante evolutie inluiden.

 

Een laatste punt dat ik t.a.v. de verdere ontwikkeling ter sprake wil brengen is het onderscheid tussen de standaardtaal als sociolect van een bepaalde groep en als norm voor de taalgemeenschap als geheel. Ook dat zal ongetwijfeld het probleem norm en variatie in Vlaanderen aanzienlijk beïnvloeden en er zullen allicht veranderingen optreden, die nu misschien al in de kiem aanwezig zijn, maar vooralsnog geen doorslaggevende rol spelen.

Wat daarmee aan de orde staat is zeker geen exclusief Vlaams probleem, maar integendeel een verschijnsel, dat zich op vele plaatsen voordoet of voor kan doen. Want zodra een deel van de bevolking de standaardtaal gaat beschouwen als hét specifieke ui-

[p. 91]

tingsmiddel van een bepaalde sociale of regionale groep kunnen zich spanningen voordoen t.a.v. het aanvaarden van die taal als norm of als communicatiemiddel. Eén van die facetten is in Vlaanderen niet nieuw, met name het regionale. Een belangrijke factor bij de motivering van separationistische taalopvattingen is altijd al geweest dat de Nederlandse standaardtaal door velen werd (c.q. wordt) beschouwd als de taalvorm van Holland en bijgevolg op grond van regionalistische motieven kan worden afgewezen (vanzelfsprekend - en dit even terzijde - kan een soortgelijke houding ook binnen het Koninkrijk der Nederlanden een rol spelen). Alle propagandisten van een algemeen Nederlandse norm in Vlaanderen zijn zich daar overigens terdege van bewust en hebben steeds geprobeerd dit argument af te wijzen, te weerleggen, te minimaliseren of als een onvermijdelijk kwaad voor te stellen, kennelijk echter zonder al te veel succes, getuige o.m. volgende uitspraak van Goossens ‘I am surprised at the deep-rooted prejudices and the irrationality of the grudge that many Flemish bear their northern neighbours’ (Goossens 1981: 271).

De vraag is echter hoe men zal reageren zodra daar nog het sociale aspect aan wordt toegevoegd. Dat die kans op de ontwikkeling van het standaardnederlands in Vlaanderen tot klassegebonden taal en ‘Schichtenabzeichen’ er dik in zit heb ik in een paar vroegere publicaties betoogd (Willemyns, 1979 en 1981) en ik wil thans proberen even de omvang van het probleem te schetsen. Vooral wil ik er echter terloops even op wijzen dat tot voor kort het winnen van een zgn. sociale elite voor het gebruik van wat toen nog A.B.N. werd genoemd, door heel wat A.B.N.-propagandisten als een zeer wenselijke evolutie werd beschouwd en ik beperk me ertoe als illustratie één in dit verband karakteristieke uitspraak te citeren van de u allen bekende Grootaers, die in 1952 het volgende schreef: ‘Is it the scholars, the poets, the teachers in the different educational branches, who are considered by the majority to be the leading people? No, it is those, who are economically the strongest and who do show this in their style of life (which certainly is not the case with the intellectuals referred to). When all the Flemish lords, Antwerp and Ghent bankers, big industrialists, merchants, shipowners and so on use standard Dutch in and outside their family circle, everybody will be able to do so and all...will do so’ (Grootaers 1952: 712, geciteerd in Goossens 1981). Of een soortgelijke redenering opgaat is zeer de vraag; ik geloof integendeel dat een dergelijke evolutie voor heel wat problemen zorgt, waar ik het zo meteen over zal hebben en ik wijs terloops op een opvatting die o.m. door Ammon wordt verkondigd, dat het helemaal niet in de bedoeling ligt van de door Grootaers genoemde groep om de arbeidersklasse te helpen of op het goede pad te zetten bij het verwerven van een standaardtalige competentie (Ammon 1981; zie ook Willemyns 1981).

 

Vergeleken met vroeger is het linguïstisch continuum in Vlaanderen

[p. 92]

de laatste decennia ruimer geworden, enerzijds omdat er een vroeger amper voorkomende variant, het algemeen Nederlands, aan werd toegevoegd, en het spanningsveld tussen de twee uitersten dus werd vergroot, anderzijds omdat steeds meer sprekers de vaardigheid blijken te bezitten zich te bedienen van taalvarianten die, ten opzichte van het theoretische middelpunt, aan de kant van de standaardtaal kunnen worden gesitueerd.

Indien nu, zoals door velen wordt betoogd, de mate van communicatieve competentie inderdaad kan worden gemeten aan het gemak waarmee de spreker naargelang van de omstandigheden van de ene naar de andere code kan switchen, dan moet men vaststellen, dat heel wat meer sprekers dan vroeger over een grotere ‘communicative competence’ beschikken.

Het ligt echter al evenzeer voor de hand, dat een dergelijke vaardigheid niet voor iedereen weggelegd is en met name sociaal geconditioneerd zal zijn. Volgens sommige auteurs, en ik ben geneigd hen in die overtuiging bij te treden, is het zelfs, zoals ik daarnet al zei, een typisch kenmerk van Upper Class-politiek, dat geprobeerd wordt de leden van de Lower Classes zo veel mogelijk van het aanleren van de standaardtaal af te houden, omdat ze op die manier ook verhinderd worden deel te nemen aan het sociale en politieke leven en ze, zoals Ammon zegt ‘allein schon mangels erforderlicher Sprachkenntnisse wirkungsvoll von den ‘Schalthebeln der politischen Macht’ ferngehalten (werden)’ (Ammon 1981). Hoe dan ook, standaardtaalgebruik als uiterlijk teken van klassetoebehoren is een vaststaand verschijnsel en het ligt voor de hand, dat de thans merkbare evolutie in Vlaanderen ook dit probleem dichterbij brengt. Dat dit tot voor kort minder het geval was, heb ik in vroegere publicaties toegeschreven aan twee factoren, die ik solidariteit en inschikkelijkheid heb genoemd, twee verschijnselen waar ik heel kort op inga.

Solidariteit is het verschijnsel dat ervoor zorgt dat streekgenoten van om het even welke sociale klasse op een convergerende manier met elkaar communiceren, omdat op bepaalde momenten de regionale gebondenheid kennelijk heel sterk doorweegt. Dialect en/of regionale omgangstaal zijn dan de meest voorkomende varianten. Ik heb er echter ook op gewezen dat in andere omstandigheden de factor power de solidariteit kan doorbreken. Naarmate het linguïstische klassebewustzijn van de leidende groepen groeit zal dit steeds vaker voorkomen.

Met inschikkelijkheid verwijs ik naar een element dat vrij typisch is voor de Vlaamse situatie. Velen uit de groep die in het Grootaerscitaat worden genoemd werden nog opgeleid in het Frans en hun kennis van het standaardnederlands is dus later verworven, vrij deficiënt en zeer door het dialect beïnvloed. Van hen kan men dus geen sociale sancties verwachten t.a.v. sociaal onaangepast taalgebruik. De jongere generatie van de leidende klasse zal daar echter wel anders op reageren, zodat dergelijke sancties in de toekomst wel mogelijk worden of misschien al zijn? Ook in

[p. 93]

Vlaanderen zal dus de spanning tussen de standaardtaal als sociolect van een bepaalde klasse en als norm voor het algemene taalgebruik voortdurend toenemen en het is zeer de vraag of de linguïstiek in het algemeen, de sociolinguïstiek en de taaldidactiek in het bijzonder, daar iets aan zullen kunnen doen. Dat is echter een heel aparte problematiek waar ik nu niet over uit kan weiden. I.v.m. een andere realistische toekomstverwachting, die hier evenmin verder besproken kan worden, citeer ik Luystermans 1981:22 ‘In het licht van het feit dat de keuze uit de verschillende lagen van de Nederlandse taal mede bepaald wordt door de klasse waartoe men behoort, kunnen we de hypothese opbouwen dat diglossische funktieverschillen tussen de verschillende taallagen, die men kent, zich niet bij elke groep op dezelfde wijze zullen voordoen’.

Laat ik tot slot proberen het Vlaamse normprobleem ook enigszins internationaal te situeren, d.w.z. te vergelijken met de Franse, Duitse en Engelse situatie in onze buurlanden (ik ken weliswaar de situatie aldaar minder goed dan vele van mijn toehoorders, maar ik steun o.m. op lezingen die vorig jaar op een colloquium in Amsterdam aan dat onderwerp werden gewijd door resp. Al, Beersmans en Gussenhoven)*.

De situatie waar de Nederlandse het beste mee te vergelijken valt is ongetwijfeld de Duitse, althans wat de feitelijke toestand betreft waar men van uit kan gaan. I.t.t. wat men geneigd zou zijn te denken is hier niet zozeer een vergelijking noodzakelijk met de positie van bv. Oostenrijk en Zwitserland versus de B.R.D. en de D.D.R., maar zijn het veeleer de Bondsduitse, binnenlandse verhoudingen die zich ter vergelijking opdringen. De Noord-Zuid-verhouding in de Bondsrepubliek is mutatis mutandis aardig op onze situatie van toepassing.

Maar laat de feitelijke toestand dan vrij identiek zijn, de ideële is dat duidelijk niet. De nogal liberale Duitse instelling ten aanzien van variatie en norm (of althans wat door niet-Duitsers als zodanig wordt beschouwd) is in ons taalgebied m.i. niet aanwezig, in het Noorden evenmin als in het Zuiden.

De noordelijke situatie lijkt me in belangrijke deelaspecten min of meer met de Britse overeen te komen, in die zin dat de functie van het A.B.N., in de betekenis die o.m. Kloeke daaraan hechtte, nogal verwant lijkt met de functie van de R.P., met echter een bredere basis om op te steunen. Ook daar is er, zoals in Groot-Brittannië een de laatste decennia sterker wordend regionalisme, o.m. als een soort linguïstisch protest tegen het establishment. Ook een vorm van ietwat hautaine overschilligheid ten aanzien van out-group ontwikkelingen van de taal zullen sommigen mét mij allicht bereid zijn te onderkennen.

[p. 94]

In Vlaanderen liggen de zaken wel anders. Ik denk dat in de geesten van velen een verlangen leeft naar een, met de toestand in Frankrijk vergelijkbaar systeem, d.w.z. een bewuste of onbewuste behoefte aan vrij strenge normering, het verlangen naar een instantie, die in de plaats van de individuele taalgebruiker beslist over zo moeilijke dilemma's i.v.m. vorm en normconform taalgebruik. Toch zijn er ook duidelijke verschillen, zowel t.a.v. de manier waarop alles historisch is gegroeid als t.a.v. de feitelijke situatie.

Vooraleer ik daar verder op in ga lijkt het me niet overbodig nog eens in een notedop de belangrijkste kenmerken van de Franse situatie op een rijtje te zetten.

In Frankrijk wordt kennelijk gepoogd het Standaardfrans, desnoods tegen heug en meug, aan zoveel mogelijk mensen en zoveel mogelijk sociale en regionale groepen van mensen op te dringen, met verachting van wat bij velen in de plaats van het Standaardfrans als voertaal werd of wordt gebruikt.* Het resultaat van dit jacobinisme is een sociale herverdelende functie van de taal. Veel minder dan in andere landen is in Frankrijk de taal een symptoom van klassetoebehoren. Veel meer arbeiders dan in de mij bekende taalgebieden zijn in staat om in een meer dan behoorlijk algemeen Frans het woord te voeren. De rigiditeit van de normering, het vasthouden aan klassiek schriftfrans met voorbijgaan aan de populaire vormen van het gesproken Frans, de bijna verachting van alle andere idiomen, wat hun status of functie ook zij: dit alles werd op het Amsterdamse colloquium met enige ergernis, voor sommigen vermengd met steile verbazing of zelfs ongeloof aanhoord. De vraag is echter of het vermelde sociale resultaat bereikbaar is zonder de voorgenoemde ‘ergernisverwekkende’ mentaliteit op de koop toe te nemen. Het is goed zich eens te bezinnen over de vraag of een situatie als de Engelse bv. zoveel beter is. Daar is er kennelijk niemand die eraan denkt de elitetaal (hoewel ook die voor in group-gebruik rigide genormeerd is) aan anderen op te dringen, maar daar staat tegenover dat zowat iedereen door zijn taalgebruik verraadt tot welke sociale klasse hij behoort en zich meteen blootstelt aan de gebruikelijke sanctionering van dien.

 

Maar Vlaanderen, ik zei het al, heeft niet dezelfde historische ontwikkeling gekend als Frankrijk. De traditie van nationalisme en jacobinisme bestaat er niet, a fortiori ook niet wat het taalgebruik betreft. Er bestond geen taalvorm, die met ‘Franse’ middelen doorgedrukt kon worden ten koste van andere varianten. Het regionalistische taalgebruik is er nooit verdwenen, de hypertrofie van de dialecten daarentegen steeds bestaande geweest.

[p. 95]

Een eerste vereiste om de latente behoefte aan taalregularisering naar Frans model, gesteld dat dit een goede oplossing zou zijn, te vervullen zou dus zijn dat men precies zou weten welk soort standaardtaal gepropageerd en gepousseerd moet worden en dat is nou net iets waar, zoals ik in mijn hele verhaal heb proberen duidelijk te maken, geen eensgezindheid over bestaat. Ook dat is een apsect van wat Geerts, in navolging van Haugen, de Vlaamse schizoglossie heeft genoemd.

 

Mijn besluit dus, dames en heren, is dat Vlaanderen zich wat het standaardizeringsproces betreft, in een overgangssituatie bevindt, waarin heel wat, soms erg tegenstrijdige tendenzen aanwijsbaar zijn, zodat het niet zo maar voorspelbaar is welke kant het uit zal gaan. Een ontwikkeling naar Duits model met een tolerant normbewustzijn, zowel t.a.v. interne variatie als wat de relaties met de noorderburen betreft, is in een dergelijke transitoire periode misschien nog het meest aangewezen, maar ik hoef er u allicht niet aan te herinneren dat niet de linguïst daarover beslist, maar de taalgebruiker zelf, in de mate waarin hij reageert op al de culturele, politieke, sociaal-economische en psychologische, talige en niet-talige factoren die zijn bestaan als lid van een gemeenschap en als taalgebruiker beïnvloeden en oriënteren.

Bibliografie

1977Ammon, U. Schoolproblems of Regional Dialectspeakers: Ideology and Reality. Results and Methods of Emperical Investigations in Southern Germany. in: Journal of Pragmatics 1, 47-68
1981Zum Versuch der soziolinguistischen Legitimation sozialer Sprachungleichkeit - am Beispiel von Schullehrzielen in der Bundesrepublik Deutschland - kritische Anmerkungen. In: P. van de Craen & R. Willemyns 1982.
1957Coetsem, F. van. De rijksgrens tussen Nederland en België als taalgrens in de algemene taal. In A. Weijnen & F. van Coetsem, De rijksgrens tussen België en Nederland als taalgrens, Amsterdam.
1982Craen, P. van de en R. Willemyns. Sociolinguistiek en Ideologie. Brussel
1977Deprez, K. en G. Geerts. Lexikale en pronominale standaardizatie. Een onderzoek van de ontwikkeling van het algemeen Nederlands in West-Vlaanderen. Antwerp Papers in Linguistics 13.
[p. 96]
1978Deprez, K., G. Geerts en L. Delahaye. Het standaardizatieonderzoek in Vlaanderen: theoretische en metodologische toelichting, en een replicatie-onderzoek bij zeventig vrouwen in Ieper. In: Leuvense Bijdragen 67, 385-454.
1970Goossens, J. ‘Belgisch Beschaafd Nederlands’ en Brabantse expansie. In: De Nieuwe Taalgids (Van Haeringennummer), 54-70.
1980150 Years of Belgium and Its Consequences Regarding Language Usage in Flanders. In: Belgium and Europe. Proceedings of the International Francqui-Colloquium, Brussels-Ghent 12-14 November 1980, 261-278
1952Grootaers, L. Notes on a General Report by A. Mussche for the Benefit of the Standard Language. In: Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 711-713
1981Luystermans, K. Lexicale standaardisatie in Ninove. Een sociolinguistische studie van de kennis en het gebruik van algemeen Nederlandse woorden. Brussel (onuitgegeven licentiaatsverhandeling V.U.B.)
1974Meeus, B. Het gebruik van het ABN en het dialect in het Vlaamse land. In: De Gids op Maatschappelijk Gebied 65, 391-414.
1981Nuffel, E. van. Lexicale standaardisatie. Sociolinguistisch onderzoek naar de ontwikkeling van het Algemeen Nederlands in de Oostvlaamse gemeente Lebbeke. Brussel (onuitgegeven licentiaatsverhandeling V.U.B.).
1979Suffeleers, T.J. Taalverzorging in Vlaanderen. Een opniniegeschiedenis. Brugge-Nijmegen.
1979Willemyns, R. Invloed van ‘power’ en ‘solidarity’ op het gebruik van dialect en standaardtaal in Vlaanderen. In: De Nieuwe Taalgids 72, 289-302.
1981aTaalgedrag en taalgebruik als klasse-indicatoren. In: De Nieuwe Taalgids 74, 134-148.
1981bDie Sprachsituation in Belgien unter soziolinguistischen Aspekten. In: Linguistische Berichte 75, 41-59.