|
|
|
| |
| | | |
Aspecten van Woordenschat en Grammatica in T-1 en T-2
verwerving*
dr. L. Beheydt
Het heeft lang geduurd vooraleer de vreemde-talendidactiek de aandacht ging
richten op wat bekend was uit het onderzoek van de eerste-taalverwerving. Dat
had te maken met het feit dat aanvankelijk het verwerven van de moedertaal (T1)
als te verschillend van het leren van een vreemde taal (T2) werd beschouwd (Lane
1962, Stern 1970, Beheydt 1974). Zelf schreef ik nog
in 1974: ‘A first preliminary which a foreign language teacher has to take into
account is the difference between the child learning its native language and the
adolescent or the adult learning a second language. (...) Theories of 2nd
language learning based on research in first language acquisition are bound to
fail in that the discrepancies between language learning and language
acquisition are too large’ (Beheydt 1974: 39-40). Ondertussen zijn er drastische
wijzigingen gekomen in die opvatting. Men is nu meer de klemtoon op de
gelijkenissen gaan leggen en in haar meest extreme vorm luidt de nieuwe
hypothese: ‘Since the product (of first and second language learning) is the
same, the best theoretical explanation is that the process whereby they occur is
the same’ (J. Macnamara 1976: 175). Die hypothese heeft sinds het begin van de
jaren | | | | zeventig heel wat bijval gevonden (Ervin-Tripp 1974, Dulay
& Burt 1972) en hoewel enig verschil tussen de twee processen nog altijd
wordt waargenomen, helt men nu toch meer over naar de gelijkheidshypothese.
Vooral in de onderhand erg in de publiciteit gekomen Natural Approach (1983),
die steunt op de Monitor-theorie van S. Krashen (1981), wordt de theorie
vooropgezet dat volwassenen op dezelfde manier een vreemde taal kunnen leren als
kinderen hun moedertaal verwerven (vergelijk Hulstijn 1985 en Janssen-Van Dieten & Hulstijn 1981). Dat dergelijke theoretische veranderingen in de
opvattingen over het vreemdetaalleren hun invloed hebben op de methodiek spreekt
vanzelf. In het hiernavolgende artikel zal ik proberen aan te duiden wat voor
gevolgen de wijzigingen in het theoretisch denken voor T1- en T2-verwerving met
zich meebracht voor het woordenschat- en grammaticaonderwijs.
Vooraleeer we echter nader ingaan op de theorieën over en de parallellen tussen
T1- en T2-verwerving, is het nuttig een heldere voorstelling te maken van wat we
als objectieve gegevens over taalverwerving kunnen zeggen.(1) Daarom heb ik het proces van
taalverwerving hierna zo eenvoudig mogelijk geschematiseerd: u ziet dat
eerste-taalverwerving een proces is waarbij een kind, dat beschikt over een
TAALVERWERVINGSMECHANISME (ook wel LAD of Language Acquisition Device genoemd),
erin slaagt op basis van taalaanbod van zijn omgeving zelf taalgebruik te produceren. Tweede-taalverwerving is dan het
proces waarbij een (half) volwassen leerder, op basis van gesproken en
geschreven taalaanbod erin slaagt zelf geschreven of gesproken
taalgebruik te produceren. Die twee verwervingsprocessen vinden plaats in heel
specifieke situaties.
| | | |
Het zal al meteen duidelijk zijn dat we over het taalverwervingsmechanisme alleen
iets kunnen zeggen op grond van wat we weten over invoer en uitvoer van dit
mechanisme. Wat er zich precies afspeelt in het hoofd van het kind of de leerder
kunnen wij niet nagaan. De ‘black box’ van de taalverwerving blijft
ontoegankelijk voor onderzoek. Alle bestaande hypothesen zijn derhalve gebaseerd
op speculaties betreffende het proces. Grosso modo zijn er twee hypothesen
gangbaar. De ene richt zich vooral op invoer en uitvoer; de andere richt zich op
het taalverwervingsmechanisme.
In de eerste hypothese wordt taal verwerven beschouwd als een leerproces: het kind en de leerder leren de taal op basis van de omgeving.
In de andere hypothese wordt taal verwerven beschouwd als een aangeboren
autonoom ontwikkelingsproces dat zich in de geest van de leerder afwikkelt. De
eerste hypothese noemen we de empiristische hypothese vanwege het belang dat aan
de empirie wordt gehecht. De tweede noemen we de rationalistische hypothese
vanwege het belang dat aan de geest wordt toegekend.
De tegenstelling tussen die twee hypothesen weerspiegelt de bekende tegenstelling
die ook op andere domeinen van de wetenschap vigeert, namelijk de
nature-nurturetegenstelling, de tegenstelling tussen erfelijkheid en opvoeding,
tussen subject en omgeving, tussen aanleg en opleiding, tussen ontwikkeling en
aanpassing.
Als uitgesproken vertegenwoordiging van de empiristische visie vinden wij het behaviorisme van B.F. Skinner (1957) dat zeer lang het denken
over taalverwerving en taalleren beïnvloed heeft.
In de lijn van de theoretici van het behaviorisme die ervan uitgingen dat ‘mind
is behavior and nothing else’ (K. Lashley), stelde Skinner dat taal niets anders
is dan een gedragsvorm. De geest van de mens is een onbeschreven blad, een
tabula rasa. Wat de mens weet, heeft hij geleerd van externe stimuli. Zo is ook
taalleren een stimulus-responsproces. De omgeving van het kind zorgt voor een
stimulus S1, in dit geval het taalaanbod, het lerende subject
reageert daarop met een reactie R1, bijvoorbeeld een min of meer gebrekkige
imitatie, die dan weer wordt gevolgd door een nieuwe stimulus S2, welke als
corrigerende terugkoppeling dient en aanleiding is tot een verbeterde reactie
R2:
| | | |
Nu is die taalverwerving niet zomaar een door prikkels opgeroepen reflexmatig
gedrag, maar een actief antwoordgedrag (operant gedrag). De reactie R, in dit
geval de kindertaal, komt tot stand door het eigen actief handelen van het kind.
Door de belonende stimuli van de omgeving, in dit geval het taalaanbod van de
moeder, wordt het leerproces versterkt (reinforcement) en ontwikkelt het
responsgedrag zich. Taalleren komt dan in feite neer op een
conditioneringsproces waarin het S-R-schema voortdurend wordt herhaald: hoe meer
er herhaald wordt, hoe meer er geleerd wordt.
In de theorie over het leren van vreemde talen heeft het behaviorisme zijn meest
uitgesproken vorm gekregen in de zogenaamde AUDIO-LINGUAL HABIT THEORY, die
vooropstelt dat ‘Foreign language learning is basically a mechanical process of
habit formation’ (Rivers 1964). De belangrijkste stellingen van die theorie zijn
in drie punten samen te vatten (Moulton 1963: 24-25):
| 1. | ‘Taal is spreken, niet schrijven’ Als reactie tegen de
grammatica-vertaalmethode, richt de behavioristische of ‘directe methode’
zoals ze ook wel genoemd wordt, de aandacht op het mondelinge taalgebruik. |
| 2. | ‘Een taal is een stel gewoonten’ Taal moet niet mentaal benaderd
worden, maar mechanisch. Wat er nodig is, zijn gewoontevormende
oefeningen. Er moet een automatisme gevormd worden via conditionering en
reinforcement. |
| 3. | ‘Leer de taal, niet over taal’ De grammatica-vertaalmethode hechtte
veel belang aan het leren van expliciete grammaticaregels, vaak ten koste
van het contact met het reële taalgebruik. In de directe methode wordt van
dit meta-talige onderwijs afgezien. |
| | | |
Die principes resulteerden in een nieuwe opvatting over taalleren, maar ook in
een wijziging in het denken over het belang van grammatica en woordenschat voor
het vreemde-talenonderwijs. Fries vat dit heel pregnant als volgt samen: ‘A
person has “learned” a foreign language when he has, within a limited
vocabulary, mastered the sound system and has, second, made the structural
devices matters of automatic habit’ (Fries 1945: 3).
Wat het vocabularium betreft, merken we hier een gewijzigde houding ten opzichte
van de voorafgaande grammatica-vertaalmethode. In de vroegere
grammatica-vertaalmethode werd aan de woordenschatkeuze nauwelijks aandacht
geschonken. Het taalmateriaal was alleen bedoeld als illustratie van expliciet
geformuleerde regels. Zo vind ik in een vroeg grammaticaal leerboek Nederlands
(Valette 1894) het volgende mooie voorbeeldzinnetje:
Te Auxonne sleet de jonge luitenant bij de artillerie, die later
Napoleon I werd, de gelukkigste jaren van zijn leven.
Alsof slijten, luitenant, artillerie tot de basiswoordenschat
van het Nederlands behoren. In de behavioristische methode gaat men
daartegenover veel belang hechten aan het samenstellen van cursussen op basis
van een beperkt corpus. Het is de tijd van de belangstelling voor op frequentie
gebaseerde beperkte vocabularia. Voor het Engels was in die tijd Michael Wests
A General Service List of English Words (1953)
beschikbaar, die als een soort lexicaal bestaansminimum in allerlei cursussen
werd verwerkt.(2) Vocabularium werd met mondjesmaat in de cursus aangeboden;
waar het op aankwam was dat de leerling zo snel mogelijk de structurele
basispatronen verwierf en dat kon door uitgebreid te oefenen met drills.
Grammatica wordt vervangen door het directe contact met de taal. Niet de regels
zijn belangrijk maar de automatismen die via allerlei papegaaie-oefeningen en
imitatiedrills worden ingestampt. De methodiek voor het VTO wordt heel summier
samengevat in de slotzin van M. Wests ‘How much English grammar’ (1952): ‘not
more grammar but short advances within a graded and controlled vocabulary,
followed by long plateaus of assimilation’. Structureel inzicht wordt
bijgebracht door middel van de zo bekende substitutietabellen (Palmer) die
nauwelijks cognitieve keuze veronderstellen:
| Hij liep |
de zaal |
in. |
| Zij rende |
het bos |
uit. |
| Karel reed |
de stad |
door. |
Bij die drills wordt er weinig of geen aandacht besteed aan de inhoud van de
zinnen. Er wordt alleen voor gezorgd dat de wille- | | | | keurige
combinaties die door de leerlingen vrijwel automatisch gemaakt kunnen worden min
of meer acceptabel zijn.
| stimulus |
response |
| thee |
Is er nog wat thee? |
| bier |
Is er nog wat bier? |
| geld |
Is er nog wat geld? |
| aardappelen |
Zijn er nog wat aardappelen? |
Later is wel gepoogd de pure routine-drill om te vormen tot meer zinvolle drill
(J. Dakin 1973, M. West 1952). Een drill als de bovenstaande wordt dan zinvoller
gemaakt door van de leerling te eisen dat hij een voorzetselbepaling toevoegt
aan de in te oefenen structuur. Voorbeeld:
| stimulus |
response |
| thee |
Is er nog wat thee + in de pot? |
| bier |
Is er nog wat bier + in het glas? |
| geld |
Is er nog wat geld + op de bank? |
| aardappelen |
Zijn er nog wat aardappelen + in de pan? |
Of er wordt gebruik gemaakt van zogenaamde ‘conditional substitution’ die niet
automatisch gemaakt kan worden zonder iets idioots te zeggen:
| voorbeeld: |
|
| Het meisje zonder geld |
kon niet naar huis lopen. |
| Het meisje achterin de zaal |
kon de spreker niet verstaan. |
| Het meisje met het gebroken been |
kon geen ijsje kopen. |
In de directe methode worden woorden en structuren eentalig
aangeboden. Het koppig vasthouden aan dit principe leidt wel eens tot onnodig
ingewikkelde toestanden, zoals het onderstaande karikatuurt je illustreert:
Leraar: Dit is een tafel. Klas: Dit is een tafel. Leraar:
Stoel. Klas: Dit is een stoel. Leraar: Dat. (wijst een boek aan)
Klas: Dit is een dat. Leraar: Fout! Klas: Dit is een fout!
Leraar: Nee. Klas: Dit is een nee. (vgl. Koster & Matter, 1983 p.
176)
| | | |
Bovendien kun je met een eentalige woordenschataanbieding toch niet vermijden dat
leerlingen zelf vertalen. Vooral voor begrippen waarmee ze vertrouwd zijn
‘zullen ze - waarschijnlijk onbewust - de lexicale aanduiding van de moedertaal
inlassen, zelfs al zal de docent trachten een directe verbinding te leggen
tussen voorwerp en naam. Als hij bijvoorbeeld een sinaasappel
zou tonen en vertellen dat het an orange is, heeft de leerling
al lang het voorwerp als een sinaasappel herkend, hij neemt er vervolgens nota
van dat dit ding in het Engels an orange heet en kan het woord
voortaan herkennen en gebruiken’ (Breitenstein 1975: 556).
De behavioristische methode is heel vaak voorgesteld als een natuurlijke methode omdat ze zogezegd een directe afspiegeling was van
het eerste-taalverwervingsproces (Chastain & Woerdehoff 1968: 269).
Tegen die voorstelling is een felle rationalistische reactie gekomen van
Chomsky. In een scherpe kritiek op Skinner stelt Chomsky dat kinderen helemaal
niet op die manier hun eerste taal verwerven. Chomsky stelt heel uitdrukkelijk:
‘it seems to me impossible to accept the view that linguistic behavior is a
matter of habit’ (Chomksy 1966: 43). Volgens hem kunnen kinderen overigens hun
taal niet verwerven op basis van het taalaanbod van hun omgeving aangezien dit
‘in hoge mate slecht gevormd, onaangepast en strijdig met linguïstische regels’
is en dus niet in aanmerking komt voor imitatie.
De behavioristische interpretatie van de taalverwerving wordt vooral ook
twijfelachtig als men voor ogen houdt dat een kind zo ontzettend snel zijn taal
verwerft. Men heeft uitgerekend dat indien een kind volgens de principes van
stimulus-respons en reinforcement zijn taal zou leren, het dan voor zijn vierde
levensjaar ten minste 106 zinnen per minuut zou moeten
hebben gehoord.
Verder heeft men vooral ook in naam van de creativiteit waarvan elke
taalgebruiker toch telkens weer blijk geeft, vraagtekens geplaatst bij de
imitatieopvatting van de behavioristen. Als taalleren alleen maar neerkomt op
automatische herhaling van eerder gehoorde zinnen, dan zou een leerling nooit
nieuwe zinnen kunnen maken.
En tenslotte is uit de concrete moeder-kind interacties ook gebleken dat het
imitatiemechanisme helemaal niet zo vlot verloopt als de behavioristen het wel
voorstellen. McNeill (1966) geeft het voorbeeld van een interactie die de
relatieve immuniteit van het kind voor corrigerende terugkoppeling treffend
illustreert:
Kind: Niemand, hou niet van mij. Moeder: Nee, zeg eens: ‘Niemand
houdt van mij’. Kind: Niemand hou niet van mij. - - -
| | | | (acht herhalingen van dit dialoogje) Moeder: Nee, luister
eens heel goed! Zeg: ‘Niemand houdt van mij’. Kind: Oh! Niemand houdt
niet van mij.
Overigens besteden moeders in het algemeen niet zo veel aandacht aan de
grammaticale correctheid van het taalgebruik van hun kinderen als wel aan de
inhoudelijke adequaatheid. Als een kind van een rode bal zegt ‘die bal is
zwart’, dan zal de moeder wel verbeteren, maar zegt dat kind over diezelfde bal
‘de bal zijn rood hé’ dan zal de moeder veel minder geneigd zijn corrigerend op
te treden.
Bij al die kritiek is er dan meteen ook een alternatieve, rationalistische
hypothese naar voren geschoven. Als kinderen zo universeel in zo korte tijd zo
behoorlijk leren praten - aldus het alternatief van Chomsky (1965) - dan moet
dit wel te danken zijn aan het aangeboren taalvermogen van het kind, dat
gepreprogrammeerd is met een universele grammatica en een selectie-strategie om
die specifieke grammatica te kiezen die in overeenstemming is met het taalaanbod
van de omgeving. In die opvatting wordt de focus verplaatst van de taal als
gedragsvorm naar de taal als mentale werkelijkheid.
De taalverwerving is volgens Chomksy een proces van syntactische complexering. Dit proces is in twee opzichten autonoom.
Vooreerst is het autonoom omdat het individu er geen controle over heeft: het
kind kan het gewoon niet helpen dat het een grammatica ontwikkelt voor de
taalgegevens die het rondom zich hoort. Ten tweede is het proces autonoom omdat
het onafhankelijk is van semantische invoer, situationele factoren of
taalaanbod. Aldus Chomsky (1965).
Wat de semantische invoer betreft, Chomsky stelt uitdrukkelijk dat semantische
referentie kennelijk de manier waarop de verwerving van de syntaxis verloopt,
niet beïnvloedt. Om die bewering te staven beroept hij zich op een experiment
van Norman & Miller waaruit zou blijken dat het aanleren van een
artificiële taal door proefpersonen niet gemakkelijker verloopt als ze een
beroep kunnen doen op semantische invoer dan als ze dat niet kunnen doen.
Ook de betrokkenheid op de situatie beschouwt Chomsky als niet
van invloed op het taalverwervingsproces. En zelfs als zou blijken dat normaal
taalleren het gebruik van taal in ‘real-life situations’ zou vereisen, dan nog
zou dat voor hem niet voldoende zijn om aan te tonen dat informatie in verband
met de situationele context enige rol speelt in het verloop van de
taalverwerving.
Het taalaanbod - door Chomsky ‘primaire linguïstische gegevens’
genoemd - kan al evenmin de taalverwerving beïnvloeden. Daarvan neemt hij immers
aan dat de gedegenereerde kwaliteit en de beperktheid ervan het onmogelijk maken
dat kinderen erg veel van de structuur van de taal zouden kunnen leren en dus
blijft er | | | | geen andere mogelijkheid over dan dat het kind over een
aangeboren universele grammatica beschikt. De aangeborenheidshypothese wordt op
die manier voorgesteld als een logische noodzaak. Het onderzoek dat volgde op
deze hypothese - men kan het al raden - was vooral syntactisch. Verwoed ging men
op zoek naar de universele grammatica waarmee elk kind al van bij de geboorte
begiftigd was. Chomksy bouwde als model van de universele grammatica een
generatief systeem uit bestaande uit een basiscomponent waarmee alle
basisstructuren van de taal gegenereerd konden worden en een transformationele
component waarmee de basisstructuren getransformeerd werden tot meer of minder
complexe zinnen. Over de bruikbaarheid van dit model voor het VTO had hij zelf
zo zijn twijfels. In een voordracht voor taalleraars stelde hij: ‘I am rather
sceptical about the significance, for the teaching of languages, of such
insights and understanding as have been attained in linguistics’ (1966). Dat
heeft nochtans niet belet dat zijn theorie al zeer snel dienstbaar werd gemaakt
voor het VTO. S. Saporta omschrijft de nieuwe vaardigheden die de leerder moeten
worden bijgebracht als volgt: ‘recent studies in generative grammar (...) have
made explicit the kind of capacities a language learner must have if he is even
to approximate the competence of a native speaker, capacities such as the
ability to distinguish grammatical from ungrammatical sentences and to produce
and comprehend an infinite number of the former, the ability to identify
syntactically ambiguous sentences and more gsnerally the interrelation of
sentences, etc.’ (Saporta 1966: 82).
Voor het VTO heeft die opvatting tot gevolg dat taalleren zich vrijwel
uitsluitend op de grammatica richt. Het situationele aspect van het taalleren
wordt verwaarloosd, immers Chomsky had als uitgangspunt dat ‘it is only under
exceptional and quite uninteresting circumstances that one can seriously
consider how “situational context” determines what is said’ (Chomksy 1966). Aan
betekenis wordt al evenmin belang gehecht want daarvan wordt aangenomen dat die
onafhankelijk staat ten opzichte van de autonome grammatica. De volle aandacht
gaat naar het regelsysteem en het VTO vindt in de generatieve grammatica een
geordend stel regels. In het leerprogramma wordt die deductische ordening
overgenomen als de didactische ordening voor aanbieding van de grammatica. Zo
moet de leerling eerst de eenvoudige kernzinnen (eenvoudige bevestigende actieve
zin) en pas later de daarvan afgeleide complexere zinstypes (vraagzin,
passiefzin, negatieve zin) leren. Er wordt een programmatisch geordende aanpak
van de grammatica voorgesteld: ‘we might suggest specifically that an elementary
EFL course limit itself to teaching kernel sentences and that only in
intermediate and advanced courses would sentences involving optional
transformations be introduced’ (Newmark 1970: 214).
Wat de specifieke leertechnieken betreft wordt veelvuldig gewerkt met
transformationele drills waarbij kernzinnen tot | | | | complexere
structuren moeten worden gevormd. Bijvoorbeeld: Maak de volgende zinnen door
verplaatsing vragend (vraag-T):
Karel heeft vier dagen in hetzelfde hotel
gelogeerd.
...
of: Zet de volgende zinnen in de lijdende vorm (passief-T):
Mijn vrouw wast elke zaterdag de auto.
Dat men hierbij wel degelijk met de betekenis moet rekening houden, wordt
stilzwijgend even vergeten. Ten onrechte, want als transformatie is een zin als
‘Mijn vrouw wordt elke zaterdag door de auto gewassen’ op zijn minst dubieus.
Voor de woordenschat is er in de transformationele aanpak weinig aandacht. Het
lexicon is in de Chomskiaanse visie immers niets anders dan een verzameling
onregelmatigheden. Het enige wat over het lexicon gezegd kan worden betreft de
manier van aanbieding. Aangezien lexicale items in de generatieve grammatica
alleen in de basiscomponenten worden ingevoerd, lijkt er een theoretische
rechtvaardiging te zijn ‘for teaching new vocabulary in simple kernel sentences,
without complicating the teaching of vocabulary by teaching new sentence
patterns at the same time, and vice versa’ (Newmark 1970: 215).
Die transformationele visie op de eerste- en tweede-taalverwerving begint meer en
meer te wankelen naarmate het failliet van de puur-syntactische aanpak
duidelijker wordt.
Het eerste-taalverwervingsonderzoek dat sinds Chomksy's Aspects of
the Theory of Syntax beheerst was door een verwoed maar optimistisch
zoeken naar de universele grammatica, bleek niet zo'n succes als verwacht. Er
bleken grote verschillen te bestaan in het gebruik dat werd gemaakt van
woordvolgorde als linguistisch principe en in de verwerving van flexiesystemen
(Slobin 1971: 176). In plaats van syntactische universalia vond men steeds meer
betekenisovereenkomsten tussen de verschillende talen, inzoverre zelfs dat
Slobin tot het besluit kwam dat ‘als je de woordvolgorde buiten beschouwing laat
en de transcripties van de tweewoordzinnen in de verschillende talen overloopt
(...) die zinnen er als elkaars directe vertalingen uitzien’. Hij besluit dan
ook met de constatering dat er een grote gelijkenis is in het basisvocabularium
en de basisbetekenissen die de woordcombinaties overbrengen (1971: 177).
Die observatie roept natuurlijk meteen vragen op met betrekking tot de autonomie
van het taalverwervingsproces. Kan men volhouden dat taalverwerving
onafhankelijk van semantische informatie verloopt als de vroege taalgegevens
zulke universele semantische inhouden hebben? Is de hypothese van de
syntactische autonomie wel houdbaar? Zoals gezegd beroept Chomsky zich op een
experiment van Norman en Milier. Nu hebben Moeser & Bregman (1972)
aangetoond dat dit experiment door zijn opzet niet bewijs- | | | | krachtig
is en wel omdat de semantische informatie die de proefpersonen konden gebruiken
niet op dezelfde manier beschikbaar was als bij taalverwervende kinderen. In het
experiment werd de semantische informatie pas verstrekt als de proefpersoon zijn
zin al gevormd had; hij kon er met andere woorden alleen gebruik van maken om te
testen of zijn zin semantisch welgevormd was, niet om er zijn zin mee te vormen.
In een tegenexperiment hebben Moeser en Bregman dan de semantische informatie in
de vorm van een beperkte referentiele wereld ter beschikking gesteld tegelijk
met de kunstmatige taal. En toen bleek dat pas ‘wanneer de elementen in het
referentieveld de beperkingen van de taal weerspiegelen, moeilijke grammaticale
relaties vrij gemakkelijk kunnen verworven worden’ (1972: 769). Wanneer de
proefpersonen bij het construeren van hun zin geen gebruik konden maken van
semantische informatie, leerden ze soms wel enkele volgorderegelmatigheden, maar
slaagden ze er niet in de syntactische regels te verwerven. Het
taalverwervingsmechanisme werkt met andere woorden veel efficiënter als het over
semantische invoer kan beschikken. Dit ontkrachten van het bewijsmateriaal is de
eerste stoot geweest tegen het dogmatisch geloof in de autonome grammatica.
Zodra het fundament van de autonome taalverwerving was aangetast werd al vlug de
rest van de constructie ook ondergraven. Eindelijk ging men ook eens controleren
of die invoer waarvan Chomksy zonder meer aannam dat hij rommelig en
ongestructureerd was, inderdaad zo gedegenereerd was. Allerlei studies toonden
aan dat die veronderstelling geenszins gegrond was. Brown en Bellugi (1964)
constateerden niet zonder enige ironie dat kinderen misschien nooit een taal
zouden kunnen verwerven op grond van het rommelige taalgebruik dat op
linguïstencongressen te horen is, maar dat het taalaanbod van een gewone moeder
een vereenvoudigd repetitief en geïdealiseerd dialect is dat de verwerving van
de moedertaal zeer wel mogelijk maakt. Voor het Nederlands werden de algemene
kenmerken van het taalaanbod kwantitatief en kwalitatief onderzocht door L. Beheydt (1979) en ook dat onderzoek wees uit dat
heel wat eigenschappen van het taalaanbod ‘door hun kognitieve en/of
syntaktische eenvoud uitstekende leermiddelen (zijn) en (dat ze) heel zeker een
taalleerproces didaktisch kunnen ondersteunen’ (1979: 157). Hiermee was het
fundament van de autonome aangeboren grammatica ondergraven en brak de kritiek
op het Chomskiaanse syntactische model voorgoed los.
Een nieuwe researchrichting werd ingeslagen die we heel ruim de semantische
zouden kunnen noemen. Aanvankelijk was die semantische denkrichting vrij
aarzelend en nog duidelijk syntactisch geïnspireerd. Men vroeg zich met name af
welke semantische (Brown 1973) of cognitieve (Slobin 1973) complexiteit
correleerde met toenemende semantische complexiteit. Maar weldra werden de
semantische standpunten sterker. Afgezien van de vraag of er leerbaarheid
mogelijk was zonder semantische invoer, ging men | | | | zich nu meer en
meer afvragen of semantiek niet primair was. Het lopende onderzoek maakte steeds
minder duidelijk waarom semantische invoer zo nodig een perifere rol moest
spelen. Onder invloed van enkele primaire semantische studies werd al vlug
duidelijk dat het in acht nemen van betekenisaspecten van de kindertaal niet
alleen een rijkere interpretatie maar ook een coherentere visie op de kindertaal
mogelijk maakte. De vlotheid waarmee de kindertaal zich semantisch laat
benaderen, heeft er duidelijk toe geleid dat men de semantiek primair ging
stellen in het kindertaalonderzoek. John Macnamara (1972) met name heeft in een
geruchtmakend artikel gesteld dat kinderen hun taal leren door eerst
onafhankelijk van taal de betekenis te bepalen die een spreker hen wil laten
kennen en door pas daarna de relatie tussen die betekenis en de talige
uitdrukking ervan na te trekken. Met die stelling keert hij dus de richting van
het onderzoek om. In plaats van aan te nemen dat het kind de taal gebruikt als
de sleutel tot de betekenis stelt hij voorop dat het de betekenis gebruikt als
sleutel tot de taal. Hoe kan een kind er anders achter komen dat bijvoorbeeld
1a Geef dat boek aan mij en 1b Geef
mij dat boek stilistische varianten zijn en 2a Jan
slaat Piet en 2b Piet slaat Jan niet?
Het is dan alles bij mekaar nog niet zo verwonderlijk dat Ervin-Tripp (1971) als
stelling vooropstelt dat: ‘taal nooit zou kunnen worden geleerd als het kind
niet voor de zinnen die het rondom zich hoorde de betekenis kende’.
Het onderzoek van het taalaanbod, dat parallel liep met het semantische onderzoek
van de kindertaal, was aanvankelijk nog erg syntactisch georiënteerd (Snow
& Ferguson 1977) maar ook bij dat onderzoek kwam men onvermijdelijk op
het semantische spoor. In zijn studie van het taalaanbod van Westvlaamse moeders
kwam Beheydt (1979) tot de conclusie dat taalaanbod in de eerste plaats
semantisch vereenvoudigd taalgebruik is en dat het leidende principe waaraan de
moeder zich houdt bij het op maat snijden van haar taalaanbod is, dat de
betekenis van de uitingen van de taalaanbieder duidelijk moet zijn. Om die
betekenis duidelijk te maken doen moeders een beroep op allerlei taalmiddelen,
gaande van syntactische vereenvoudigingen, herhalingen, parafrases, tot en met
syntactische complexeringen. Maar altijd zorgen ze ervoor dat wat ze zeggen in
de situatie begrijpelijk is voor het nog niet volledig linguïstisch competente
hoordertje. Hun grootste zorg is de communicatieve effectiviteit.
Met dat al zijn we ver af van de rationalistische hypothese van Chomsky en komen
we weer heel dicht bij een empiristische interpretatie van de
eerste-taalverwerving. Maar het verschil | | | | van de taalaanbieder
duidelijk moet zijn. Om die betekenis duidelijk te maken doen moeders een beroep
op allerlei taalmiddelen, gaande van syntactische vereenvoudigingen,
herhalingen, parafrases, tot en met syntactische complexeringen. Maar altijd
zorgen ze ervoor dat wat ze zeggen in de situatie begrijpelijk is voor het nog
niet volledig linguïstisch competente hoordertje. Hun grootste zorg is de
communicatieve effectiviteit.
Met dat al zijn we ver af van de rationalistische hypothese van Chomsky en komen
we weer heel dicht bij een empiristische interpretatie van de
eerste-taalverwerving. Maar het verschil met de Skinneriaanse opvatting ligt
hierin, dat het belang van de betekenis en de communicatie nu voorop staat.
De resultaten van het semantische onderzoek en van het taalaanbodsonderzoek
hebben ook het denken over tweede-taalverwerving grondig beïnvloed. Met name in
de Monitor-theorie van S. Krashen vinden we een model van T2-verwerving dat
gebaseerd is op de resultaten van het onderzoek van de eerste-taalverwerving.
Volgens Krashen (1981) is tweede-taalverwerving in hoofdzaak hetzelfde als
eerste-taalverwerving. Hij maakt daarbij het onderscheid tussen taal-leren en taal-verwerven. ‘Verwerven’ is een
onderbewust proces waarbij de taal wordt ‘opgepikt’, terwijl ‘leren’ de bewuste
grammaticale studie van de taal is. Een vreemde taal wordt volgens Krashen in de
eerste plaats ‘verworven’ op grond van geschikte input, terwijl ‘geleerde’
regels slechts dienen als een superviserende monitor die de output min of meer
onder controle houdt. Schematisch kan het monitor-model als volgt worden
weergegeven:
Van belang voor het taalleren is de invoer. En - aldus nog Krashen - de beste
invoer is die welke gemodelleerd is op de input die we kennen uit de
eerste-taalverwerving, het taalaanbod | | | | dus. Dat taalaanbod heeft
drie belangrijke kenmerken die volgens Krashen ook de input in de
taalleersituaties zouden moeten karakteriseren:
| 1. | Het taalaanbod volgt het ‘hier en nu’-principe: moeders praten over
datgene wat zich in de onmiddellijke omgeving bevindt. |
| 2. | Het taalaanbod is syntactisch eenvoudig en wordt complexer naarmate het
kind linguïstisch competenter wordt. |
| 3. | Het taalaanbod is in de eerste plaats gericht op effectieve communicatie
(1981: 102). |
Volgens Krashen moet een optimale taalleergang taalgebruik aanbieden dat aan die
drie voorwaarden voldoet. Wat zijn nu de implicaties van dit model met
betrekking tot grammatica en vocabularium?
In de eerste plaats wordt er in dit model zeer weinig belang gehecht aan het
onderwijs van expliciete grammaticaregels. De grammatica blijft beperkt tot
eenvoudige vuistregels. Grammatica wordt volgens Krashen ‘impliciet’ geleerd en
het nut van regels is erg beperkt. Regels kunnen alleen de accuraatheid van het
taalgebruik wat verhogen maar ze dragen niet wezenlijk bij tot communicatieve
effectiviteit. Krashen zet zich hiermee duidelijk af tegen het cognitieve
taalleren dat door de transformationele taalkundigen zo hoog in het vaandel werd
gedragen. Letterlijk stelt hij: ‘The view of the profession has been to restrict
vocabulary in order to focus on syntax: we were told that language is not words,
but is grammar. My view is just the opposite: emphasize vocabulary in order to
encourage the acquisition of syntax’ (1980: 109). Daarmee is meteen ook
aangegeven wat het belang is van het vocabularium in het Monitormodel.
Vocabularium wordt als zeer belangrijk ervaren omdat ‘Knowing the words, even
without knowing the syntax, provides the listener with enough information so
that a great deal can be understood’ en ‘with comprehension (...) acquisition of
syntax will come’ (Krashen 1981: 109). Op basis van dit Monitor-model heeft een
van de adepten van Krashen dan de zogenaamde ‘Natural Approach’ voorgesteld,
waarin uitdrukkelijk gesteld wordt: ‘If communicative competence is an immediate
goal, we must establish as quickly as possible a large lexicon with very general
syntax rules’ (Terrell 1977: 326). En gelijksoortige opvattingen klinken nu door
in de audio-lexicale aanpak die op dit ogenblik in Nederland en België furore
maakt (Nieuwborg 1984, Schouten-Van Parreren 1981, Van der Ree 1985). In een
pamflettaire lezing ‘De Audio-Lexicale aanpak in kreten’ stelt S. van der Ree
heel apodictisch ‘Taal leren is woordjes leren. De duizenden nieuwe begrippen,
die een leerling moet leren kennen, die vormen hét probleem; niet de
grammatica’.
In elk geval is met de Krashen-aanpak de aandacht verschoven van het
onderliggende taalverwervingsmechanisme naar het geschikte aanbod. De opkomst
van de sociolinguïstiek heeft dan meteen ook | | | | toenemende aandacht
voor de totale communicatiesituatie met zich meegebracht. Waar de coryfeeën van
zowel de empiristische als de rationalistische hypothese taalverwerving vrijwel
uitsluitend als de verwerving van een code beschouwden, is er recent in het
kindertaalonderzoek een ruimere visie gekomen, waarin taalverwerving beschouwd
wordt als een interactieve aangelegenheid waarin in de eerste plaats
communicatieve taalhandelingen plaatsvinden (J. Dore 1975, Bates 1976). Sporen
van deze verruimde visie zijn ook te vinden bij Krashen waar hij stelt dat de
optimale input moet worden aangeboden ‘via meaningful and communicative
activity’ (1981: 104).
Overigens is het duidelijk dat deze communicatieve aanpak de laatste jaren een
groeiend succes kent. Het volstaat de handboeken op een hoop te leggen die in
hun titel de magische woorden ‘communicatief’ of ‘functioneel’ hebben, om een
indruk te krijgen van de impact van deze zogenaamde communicatieve aanpak.
In die functionele aanpak wordt er op een selectieve wijze aandacht besteed aan
grammatica en woordenschat, namelijk in verband met welbepaalde functies die met
de taal kunnen worden vervuld. In de functionele opvatting dient taal in de
eerste plaats om bepaalde communicatieve handelingen uit te voeren, handelingen
als verzoeken, bevelen, groeten, verontschuldigen, bedanken enzovoort. Bij die
functies hoort een specifieke woordenschat en een bepaald type structuren.
Functionele cursussen ordenen de woordenschat en de grammaticale structuren
volgens de functies die ermee kunnen worden vervuld. Zo krijgen we bijvoorbeeld
alle woordenschat die te maken heeft met reizen of met openbaar vervoer plus de
structuren die daarbij van nut kunnen zijn. Deze inhoudelijke ordening van
woordenschat en grammatica sluit nauw aan bij de van oudsher bekende
woordenschataanbieding volgens ‘centres d'intéret’ (Gouin 1892).
Dit overzicht van enkele aspecten van vocabularium en grammatica in eerste- en
tweede-taalverwerving heeft alvast een paar duidelijke trends aan het licht
gebracht. Vooreerst is er een onmiskenbare verruiming merkbaar in de opvattingen
over het taalverwervingsproces van puur imitatiemechanisme (Skinner) over
creatief proces (Chomksy) naar communicatieve interactie. Vervolgens kan men een
soort slingerbeweging vaststellen in de opvattingen over het
grammaticaonderwijs: van expliciet naar impliciet en van extensief naar
minimaal. En tenslotte is er een duidelijk toenemende belangstelling voor het
vocabularium en het vocabulariumonderwijs (zie ook Beheydt 1984). Wat in dit
overzicht veel minder aan bod is gekomen, is een kritische evaluatie van de
vastgestelde trends. Maar dat is stof voor een ander verhaal.
| |
| | | |
Bibliografie
| Bates, E., 1976. Language and Context: The acquisition of
pragmatics. New York. |
| Beheydt, L., 1974. ‘Foreign Language Teaching Methodology. A critical
discussion’. In: ITL 23, 39-57. |
| Beheydt, L., 1979. Variatie in taalaanbod. Een
sociolinguïstisch onderzoek van de primaire socializatie in
West-Vlaanderen. Winksele. |
| Beheydt, L. 1983. Kindertaalonderzoek. Een methodologisch
handboek. Louvain-la-Neuve. |
| Beheydt, L. 1984. ‘Woordenschat in het vreemde-talenonderwijs (VTO).
In: Neerlandica extra muros 42, 17-22. |
| Breitenstein, P.H., 1975. ‘De moedertaal in het
vreemdetalenonderwijs’. In: Levende Talen 303,
554-449. |
| Brown, R. & U. Bellugi, 1964. ‘Three Processes in the Child's
Acquisition of Syntax’. In: E.H. Lenneberg (ed.): New
Directions in the Study of Language, 131-161. |
| Brown, R., 1973. A First Language. The Early Stages.
Harmondsworth. |
| Chastain, K. & J.F. Woerdehoff, 1968. ‘A Methodological Study
Comparing the Audio-Lingual Habit Theory and the Cognitive Code-Learning
Theory’. In: Modern Language Journal, 52, 5, 268-79. |
| Chomksy, N., 1959. ‘Review of Skinner’. In: Language
35, 26-58. |
| Chomsky, N., 1965. Aspects of the Theory of Syntax.
Cambridge, Massachusetts. |
| Chomksy, N., 1966. ‘Linguistic Theory’. In: R.G. Mead (ed.): Language Teaching: Broader Contexts, 43-49. Wisconsin. |
| Dakin, J., 1973. The Language Laboratory &
Language Learning. London. |
| Dore, J., 1975. ‘Holophrases, speech acts, and language universals’.
In: Journal of Child Language 2, 21-40. |
| Dulay, H. & M. Burt, 1972. ‘Goofing: an indicator of
children's second language learning strategies’. In: Language Learning 22, 235-252. |
| | | |
| Dulay, H. & M. Burt, 1974. ‘A new perspective on the creative
construction process in child second learning acquisition’. In: Language Learning 24, 253-278. |
| Ervin-Tripp, S., 1971. ‘An overview of theories of grammatical
development’. In: D.I. Slobin (ed.): The Ontogenesis of
Language. New York. 189-212. |
| Ervin-Tripp, S., 1974. ‘Is second language learning like the first?’.
In: TESOL Quarterly 8, 111-127. |
| Fries, C.C., 1945. Teaching and Learning English as a
Foreign Language. Ann Arbor. |
| Hornby, A.S., 1953. ‘Vocabulary Control History and Principles’. In:
English Language Teaching. |
| Hulstijn, J.H., 1985. ‘Kan een vreemde taal ‘impliciet’ geleerd
worden? in: Neerlandica extra muros 44, 19-25. |
| Janssen-Van Dieten, A.M. & J.H. Hulstijn, 1981. ‘Als het
taalaanbod maar begrijpelijk is: Stephen Krashens ideeën over
T2-verwerving en T2-leren’. In: Levende Talen 358:
476-54. |
| Koster, C.J. & J.F. Matter, 1983. Vreemde talen
leren en onderwijzen. |
| Krashen, S. 1981. Second Language Acquisition and Second
Language Learning. Oxford. |
| Krashen, S. & T.D. Terrell, 1983. The Natural
Approach. Oxford. |
| Lane, H., 1962. ‘Some Differences between First and Second Language
Learning’. In: Language Learning, vol 12, 1, 1-14. |
| Macnamara, J., 1972. ‘The cognitive basis of language learning in
infants’. In: Psychological Review 79 (1), 1-13. |
| Macnamara, J. 1976. ‘Comparison between First and Second Language
Learning’. In: Die Neueren Sprachen 2, 175-188. |
| Moeser, S.D. & A.S. Bregman, 1972. ‘The Role of Reference in
the Acquisition of a Miniature Artificial Language’. In: Journal of Verbal Learning and Verbal Behavior 11, 759-69. |
| Moulton, W.G., 1963. ‘Linguistic and Language Teaching in the United
States, 1940-1960’. In: IRAL 1, 21-41. |
| | | |
| Newmark, L., 1970. ‘Grammatical Theory and the Teaching of English as
a Foreign Language’. In: M. Lester (ed.): Readings in
Applied Transformational Grammar. 210-218. |
| Nieuwborg, E., 1984. ‘De audio-lexicale aanpak: een aantrekkelijk
alternatief’. In: Neerlandica extra muros 43, 50-57. |
| Ree, S. van der, 1985. ‘De audio-lexicale aanpak in kreten’.
ANELA-lezing 1985, verschijnt in ABLA-papers. |
| Rivers, W.M., 1964. The Psychologist and the Foreign
Language Teacher. Chicago. |
| Saporta, S. 1966. ‘Applied Linguistics and Generative Grammar’. In: A.
Valdman (ed.): Trends in Language Teaching. 81-93. |
| Schouten-Van Parreren, C., 1983. ‘Wisseling van de wacht in de
vreemde-talendidactiek. De receptief-handelingspsychologische
benadering’. In: Levende Talen, 22-29. |
| Skinner, B.F., 1957. Verbal Behavior, New York. |
| Slobin, D.I., 1971. ‘Universals of grammatical development in
children’. In: G.B. Flores d'Arcais & W.J.M. Levelt (eds) Advances in Psycholinguistics. Amsterdam, London,
174-86. |
| Slobin, D.I., 1973. ‘Cognitive Prerequisites for the development of
Grammar’. In: C. Ferguson & D.I. Slobin: Studies of
Child Language Development. New York, 175-208. |
| Stern, H.H., 1970. ‘First and second language acquisition’. In: Stern,
Perspectives in Second Language Acquisition,
57-66. Toronto. |
| Terrell, T.D., 1977. ‘A natural approach to the acquisition and
learning of a language’. In: Modern Language Journal,
61, 325-336. |
| Valette, T.G.G., 1894. Nouvelle grammaire
néerlandaise. Heidelberg. |
| West, M, 1952. ‘How much English grammar’. In: English
Language Teaching. |
| West, M., 1953. A General Service List of English
Words. Longmans, London. |
|
*Dit artikel is eveneens verschenen in
Neerlandica Extra Muros
45, najaar 1985.
(1)Voor een uitgebreid overzicht van de ‘Trends in het onderzoek
van T1-verwerving’, zie Beheydt 1983.
(2)M. Wests Service List
was bij lange na niet de eerste frequentielijst voor het Engels. Maar het
was wel de eerste gericht op het vreemde-talenonderwijs (vgl. A.S. Hornby
1953).
|
|