|
|
|
| |
| | | |
Verslag van de werkbijeenkomst woordenschatuitbreiding mw.dr.
C. Schouten-Van Parreren
In het eerste deel van de werkbijeenkomst woordenschatuitbreiding op dinsdag 27
augustus hield ik een korte inleiding over het opbouwen van een receptieve
woordenschat; daarna werkten de deelnemers aan een daarbij aansluitende
opdracht.
In het tweede deel demonstreerde Ludo Beheydt het door hem op de computer
uitgewerkte woordenschatprogramma, in aansluiting op zijn lezing in het
ochtendgedeelte - van dit gedeelte doe ik hier geen verslag. In dit eerste deel
van de werkbijeenkomst ben ik eerst ingegaan op de belangrijkste punten uit mijn
artikel in het voorjaarsnummer van
Neerlandica extra muros
. Deze zal ik in dit verslag eveneens kort noemen als kader waarin de
opdracht moet worden gezien.
Ik beperk mij tot het receptief verwerven van woorden die niet tot de circa 1.000
meest frequente behoren. Deze worden nu vaak los (in vocabulaires en dergelijke)
aangeboden. Hiertegen zijn echter verschillende bezwaren aan te voeren: 1) losse
woorden worden snel vergeten (door het ontbreken van cognitief houvast, 2) ze
worden eerder met elkaar verward (interferentie), 3) een los woord vormt geen
linguïstische realiteit, aangezien minstens een deel van de woordbetekenis door
de context wordt bepaald, en 4) een los woord vormt geen psychologische
realiteit, aangezien er geen sprake is van levende taal, van een boodschap, die
ook emoties of een affectieve betrokkenheid op kan wekken. Dit laatste bezwaar
geldt evenzeer voor het aanbieden van woorden in losse zinnen, die trouwens ook
weinig cognitief houvast bieden en mede daardoor interferentie teweeg kunnen
brengen.
Bij het aanbieden van nieuwe woorden in teksten gelden deze bezwaren niet of in
veel mindere mate. Woorden in teksten staan in allerlei relaties tot elkaar en
bovendien kunnen er allerlei verschillende handelingen aan worden uitgevoerd.
Hierdoor kunnen nieuwe woorden en hun betekenissen veel beter worden onthouden
of, nauwkeuriger gezegd, beter teruggevonden worden in het geheugen. Een woord
vergeten betekent namelijk meestal niet dat het niet meer in het geheugen
aanwezig is, maar dat het niet | | | | meer te vinden is. Juist die
terugvindbaarheid wordt aanzienlijk vergroot door de talloze aankopingspunten
die teksten en het handelen daaraan bieden.
Zoals uit onderzoek bleek (Schouten-Van Parreren 1985)
moet bij het aanbieden van woorden in teksten wel aan bepaalde tekstgebonden en
leerpsychologische voorwaarden worden voldaan. Wat de tekstgebonden voorwaarden
betreft is vooral belangrijk dat alleen nieuwe woorden die in een geschikte
context voorkomen en die in een frequentiegebied liggen waar de leerder aan toe
is, ook daadwerkelijk geleerd worden. Voor deze woorden gelden dan vervolgens
nog de leerpsychologische voorwaarden: er moet actief en gevarieerd aan
gehandeld worden. Effectief bleek vooral de drieslag raden-opzoeken-analyseren.
Hierbij wordt eerst geprobeerd de betekenis van het onbekende woord uit de
context en de woordvorm af te leiden, vervolgens wordt de betekenis
geverifieerd, bijvoorbeeld in een woordenboek, en tenslotte wordt het woord met
behulp van de onderwijsgevende nog geanalyseerd, voorzover dat ondersteunend
werkt voor het onthouden van de betekenis. Hoewel het handelen aan geselecteerde
nieuwe woorden volgens de drieslag raden-opzoeken-analyseren al de nodige
retentie geeft, zullen voor de consolidering vaak nog aanvullende maatregelen
nodig zijn. De kaart jesmethode of verschillende soorten oefeningen (zie de
bijdrage van Siel van der Ree aan dit colloquium)
bieden daarvoor goede mogelijkheden. In dit kader kan overigens ook met losse
zinnen worden gewerkt (zie de bijdrage van Beheydt).
Wat betreft de handelingen die in de drieslag voorondersteld worden: het
analyseren moet vooral aan de onderwijsgevende worden overgelaten; opzoeken moet
door de leerlingen worden geleerd, maar geeft niet al te veel problemen; bij
raden ligt de zaak wat problematischer. Raden van woordbetekenissen wordt in het
onderwijs niet systematisch behandeld. Een van de gevolgen hiervan is dat er
grote verschillen in raadvaardigheid ontstaan tussen de leerlingen. Aangezien
raden niet alleen nuttig is in het kader van de woordenschatverwerving, maar ook
noodzakelijk voor het opzoeken van een woord in een woordenboek en voor het
begrijpen van teksten, is dat een bijzonder ongewenste zaak. Met het oog daarop
werd onderzoek gedaan (Schouten-Van Parreren 1985) naar de inhoud en de
structuur van ‘raadvaardigheid’. Belangrijk bleek te zijn dat leerlingen eerst
nagaan hoe de zin in elkaar zit en welke positie het onbekende woord daarin
inneemt (handelen op het morfo-syntactisch niveau), vervolgens nagaan welke
informatie de context oplevert ten aanzien van de betekenis van het onbekende
woord (het semantische niveau) en daarna pas nagaan in hoeverre de woordvorm nog
nieuwe informatie oplevert (het lexicale niveau). Het is essentieel dat deze
volgorde bij het leren raden wordt aangehouden. De meeste fouten ontstaan
doordat eerst of alleen naar de stam van het onbekende woord wordt gekeken. Dat
leidt dan vaak tot ongerijmde veronderstellingen, zoals ‘iets met groen’ voor
(Frans) | | | |
problèmes vertigineux (vertigineux betekent
‘duizelingwekkend’, maar wordt met vert ‘groen’ in verband
gebracht).
Leerlingen moeten dus eerst leren raden; daarna kan deze raadvaardigheid worden
ingezet voor het uitbreiden van de woordenschat. Daar zijn weer verschillende
mogelijkheden toe, waarvan er één - en dan nog alleen maar enkele
voorbereidingen ervoor - in deze workshop aan de orde komen.
De uiteindelijke werkwijze is als volgt bedoeld. Leerlingen werken in tweetallen
(of in groepjes van drie of vier) aan een tekst met onbekende woorden. De te
raden/te leren woorden zijn van tevoren onderstreept, terwijl de betekenis van
de overige onbekende woorden (woorden uit een ongeschikte context of
frequentiegebied) gegeven wordt (in de kantlijn, op het bord of iets
dergelijks). (N.B. Als de tekst wordt overgetypt, is het ook mogelijk om een
niet geschikt onbekend woord te vervangen door een frequent woord.) De ene
leerling raadt, de andere geeft zonodig hulp en controleert aan de hand van een
kaartje waarop aanwijzingen (op de drie niveaus) staan alsook de betekenis. De
leerling die het kaartje heeft, geeft de eerste aanwijzing pas als de rader er
niet uitkomt; de tweede aanwijzing wordt pas gegeven als dat nodig is enzovoort.
(Dit kan eventueel in spelvorm waarbij twee punten aan een zonder hulp goed
geraden woord wordt toegekend en waarbij elke aanwijzing een half punt kost.) Na
verloop van tijd worden de rollen gewisseld en tenslotte worden de resultaten
besproken waarbij de onderwijsgevende eventueel nog de retentie ondersteunende
extra informatie geeft.
Met de voorbereidingen die nodig zijn voor deze werkwijze is in de workshop kort
geëxperimenteerd. Uit een tekst naar keuze (in de bijlage zijn er drie
opgenomen) konden één of meer geschikte woorden worden aangestreept, waarbij
voor elk woord zes kolommen moesten worden ingevuld (zie tabel 1a).
Tabel 1a
| woord |
morfo-syntactisch niveau (grammaticaal niv.) |
semantisch niveau (inhoudsniv.) |
lexicaal niveau (woordniv.) |
betekenis |
aanvullende informatie |
| vistoso |
vrouwelijk bijvoeglijk naamwoord |
beschrijving van uiterlijk |
denk aan visto, ver1) |
opzichtig |
in het Nederlandse woord ‘opzichtig’ ook -zicht-, verwant met
zien |
In de eerste kolom staat dus het te raden woord; in het voorbeeld is dat (Spaans)
vistoso uit de context una mujer alta,
| | | |
vistosa (een lange, opzichtige vrouw). In de tweede tot en met
vierde kolom staan de drie aanwijzingen die op het kaartje moeten komen (tussen
haakjes staan de eenvoudiger termen voor de drie niveaus die door ons op school
werden gebruikt). In de vijfde kolom staat de betekenis die het woord in de
context heeft (komt ook op het kaartje) en in de zesde kolom zijn de eventuele
‘ezelsbruggetjes’ van de onderwijsgevende opgenomen.
Door tijdgebrek werd maar een voorbeeld dat uit de groep kwam besproken (zie
tabel 1b; uit de tekst ‘Wadlopen’).
Tabel 1b
| onbetrouwbaar |
bijv. n.w. on-: negativerend |
karakterbeschrijving |
ontrouw |
unreliable |
un- Ned.: trouwen trouw |
Naar aanleiding van dit voorbeeld werden de volgende opmerkingen gemaakt:
| - | Het woord is teveel uit het begin van de tekst gekozen. In het algemeen is
het niet wenselijk om in de eerste drie à vier regels al raadwoorden te
kiezen, omdat de context dan nog onvoldoende steun biedt. |
| - | De afgrenzing tussen het morfo-syntactische en het lexicale niveau is niet
helemaal duidelijk. Waarschijnlijk is het beter om op het morfo-syntactische
niveau alleen maar op de uitgang van het raadwoord te letten en nog niet op
eventuele prefixen en suffixen (i.c. bij ‘onbetrouwbaar’ dus nog niet op
‘on-’ en ‘-baar’). Deze moeten dan, evenals de stam uiteraard, pas op het
lexicaal niveau bekeken worden. |
| - | Op het semantische niveau kan in dit geval in plaats van
‘karakterbeschrijving’ eenvoudiger en ook meer toegespitst opgenomen worden:
‘zegt iets ongunstigs over de zee’ (of iets dergelijks). |
| - | De vijfde en de zesde kolom zijn in dit gezelschap moeilijk in te vullen,
omdat de op de werkbijeenkomst aanwezige docenten studenten met
verschillende moedertalen hebben (in het voorbeeld is Engels als moedertaal
genomen). Voor de docent die ook in de eigen groep studenten met
verschillende moedertalen heeft, zou volgens de methode van Jelle Stegeman
gewerkt kunnen worden (zie zijn bijdrage aan dit colloquium). |
Om een en ander nog wat concreter te maken zullen hieronder nog enkele
voorbeelden uit de bijgevoegde teksten worden opgenomen. Vooraf moeten nog twee
opmerkingen worden gemaakt. De eerste | | | | opmerking betreft het
zojuist al gesignaleerde ‘talenprobleem’ in deze groep. In verband daarmee zijn
de aanwijzigingen in kolom 2 en 3 en ten dele die in kolom 4 in het Nederlands
en niet in de moedertaal van de student gesteld. Verder zijn betekenis en de
aanvullende informatie (kolom 5 en 6) moeilijk in te vullen zonder een bepaalde
moedertaal aan te nemen; deze zijn daarom hier weggelaten. De tweede opmerking
betreft de keuze van de raadwoorden. Er worden hier maar drie raadwoorden per
tekst besproken, maar er zouden er meer uitgehaald kunnen worden. De gekozen
raadwoorden voldoen in redelijke mate aan de eerder genoemde tekstgebonden
voorwaarden. Verder behoren ze niet tot de circa 2.000 meest frequente woorden
van het Nederlands (goed na te gaan met het Basiswoordenboek
Nederlands van De Kleijn & Nieuwborg 1983, dat voor het gereed maken van teksten
voor het leren van woorden in het algemeen uitstekend bruikbaar is). De
raadwoorden zijn wel opgenomen in de B-lijst van Uit den Boogaart (1975),
hetgeen wil zeggen dat ze minstens vijf keer voorkomen in het corpus (van
720.000 woorden).
Uit: Wadlopen
| desnoods |
bijwoord |
als ze de zandplaat willen bereiken, is zwemmer de uiterste
mogelijkheid |
eventueel1) nood |
| hindernis |
zelfstandig naamwoord |
ze willen naar Simonszand, maar het geultje maakt dat onmogelijk,
het geultje is dus en... |
eventueel hinderennis |
| woelig |
bijvoeglijk naamwoord, vergrotende trap |
er komt meer wind; het water wordt daardoor hoger en... |
wild ken je al, dus dit moet een ander woord zijn met ongeveer
dezelfde betekenis |
Uit ‘Het turfschip’:
| brandstof |
zelfstandig naamwoord |
iets wat in een boot zit en wat de Spanjaarden nodig hebben voor
de stad |
brand stof |
| kasteel |
zelfstandig naamwoord |
- het woord komt twee keer voor - Maurits is erin - het
hoort bij de stad, maar ligt er buiten - er zijn wachters
bij2) |
eventueel Eng.: castle Fa: château Lat.: castellum
etc. |
| inval |
zelfstandig naamwoord |
Wat kan ieder moment plaatsvinden? Kijk naar de 1e alinea: wat is
het plan? (Breda bij verrassing innemen) |
in vallen |
| | | |
Uit ‘Maarten 't Hart’:
| boeiend |
bijvoeglijk naamwoord |
- het woord komt drie keer voor - wanneer kan je niet
makkelijk in een boek ophouden? Als het ... is. |
eventueel boei boeien |
| vereisen |
attributief gebruikt voltooid deelwoord3) |
Wat heeft 't Hart al eerder over het aantal woorden gezegd? Hij
stelt dus ... aan het aantal woorden; het gaat dus om het ... aantal
woorden |
eis eisen |
| bewonderen |
werkwoord onvoltooid verleden tijd |
't. Hart vergelijkt Walter Scott en Trollope wat betreft hun
meeslependheid. Wat vindt T. waarschijnlijk van S.? Hij ... hem. |
wonder |
Tot slot moet nog worden opgemerkt dat deze werkwijze arbeidsintensief is, niet
alleen voor de onderwijsgevenden, maar ook voor lerenden. Voor de docenten
vormen de voorbereidingen het meeste werk, maar daar staat tegenover, dat met
zorg gekozen en ‘bewerkte’ teksten een aantal jaren mee kunnen. Voor
leerlingen/studenten is deze werkwijze ook arbeidsintensief, zij het in mindere
mate, maar daar staat een hoge woordretentie en weinig interferentie tegenover.
Overigens vormt deze werkwijze, zoals al eerder werd opgemerkt, maar een van de
mogelijkheden om de drieslag raden-opzoeken-analyseren vorm te geven en verdient
het aanbeveling ook naar andere werkwijzen te zoeken.
| |
Referenties
| Kleijn, P. de & E. Nieuwborg, Basiwoordenboek
Nederlands, Wolters, Leuven 1983 |
| Schouten-Van Parreren, M.C., Woorden leren in het
vreemdetalenonderwijs. Apeldoorn: Van Walraven, 1985. |
| Uit den Boogaart, P.C. (red.), Woordfrequenties in
geschreven en gesproken Nederlands. Utrecht: Scheltema
& Holkema, 1975. |
| |
| | | |
Uit:
Wadlopen
(samengesteld door J.A. Niemeijer).
Haren-Gn.: Knoop & Niemeijer, 1973)
Het drama Simonszand.
’Zoals de vissers in hun kleine scheepjes de onbetrouwbare zee uitdagen, zo
vechten de wadlopers met de zee, slechts gesteund door hun vernuft, hun
uithoudingsvermogen en hun zelfbeheersing,’ heeft Buwalda eens gezegd.
Buwalda en Sutorius verloren dat gevecht grandioos, toen ze in '58 een poging
waagden als eersten Simonszand, een lange zandplaat tussen Schiermonnikoog en Rottumerplaat, te
belopen. De beide pioniers vertrokken vrijdag 14 maart in dikke truien en
warm ondergoed naar de dijk, smeerden de benen in met vaseline en zetten
koers naar Simonszand. Er woei een oostenwind en de vloed zou daardoor niet
te hoog worden. Het eerste deel van de tocht verliep bijzonder voorspoedig,
en om één uur 's middags bevonden ze zich vlak bij het punt, waar volgens
hun berekening Simonszand moest liggen. Een 800 meter voor hen lag inderdaad
een grote plaat, maar wat betekende die geweldige watermassa ervoor? Stonden
ze misschien voor een geul die niet op hun kaartje stond? Buwalda en
Sutorius bonden zich met een touw aan elkaar vast en gingen samen het water
in, vastbesloten Simonszand toch te bereiken. Ze peilden met hun stokken en
kwamen tot de pijnlijke ontdekking, dat het water steeds dieper werd. Het
ijskoude water reikte eerst tot hun middel, toen tot hun borst, terwijl het
diepste deel nog moest komen ... Buwalda kreeg door de kou bovendien nog
kramp in z'n beenspieren. Hij bleef staan en keek vertwijfeld naar Sutorius.
Wat doen? Verder gaan? De beide wadlopers keken naar de zandplaat voor zich
en naar het wild golvende water om hen heen. Toch doorzetten? Desnoods,
zwemmen? Sutorius schudde het hoofd, Buwalda beaamde: ‘We halen het nooit,
we moeten teruggaan.’ Doordat de wind naar het noordwesten was gedraaid, was
de vloed sneller opgekomen dan ze hadden kunnen voorzien. En het geultje
voor Simonszand was daardoor een onoverkomelijke hindernis geworden.
| | | |
Ze waadden terug en vroegen zich af waar ze nu heen moesten. Simonszand was
onbereikbaar en de veilige Groninger dijk lag op elf kilometer afstand.. Er
bleef maar één mogelijkheid over, de rubberboot opblazen, erin kruipen en
wachten tot het water zou gaan zakken. Ze zochten een hoog punt op, dreven
daar de lange peilstokken de grond in en bonden de boot eraan vast. Het
vloedwater kwam angstwekkend snel opzetten. Het besprong hen van alle
kanten. Ze trokken vlug droge kleren aan en zetten de rugzakken in het
bootje en wilden er zelf bijkruipen, maar er was geen plaats genoeg. Ze
hingen de rugzakken daarom aan de twee stokken en zagen even later vanuit
hun nietige scheepje dat het laatste droge plekje van de plaat werd
overspoeld. Daar dreven ze, elf kilometer van de Groninger kust, midden in
de zee. De wind wakkerde langzaam aan tot stormkracht en putsen water
sloegen het bootje binnen. Buwalda en Sutorius werden kletsnat. Ze hoosden
uit alle macht, en zagen ondertussen dat het water steeds hoger kwam en
woeliger werd. Uit de donkere lucht kwam sneeuw naar beneden. Wat zou er
gebeuren als de wind nog verder zou toenemen? Het water kwam langzamerhand
zo hoog, dat de rugzakken al werden opgeduwd en de stokken begonnen te
buigen. Zouden ze het houden? Waar zou het bootje heendrijven als de stokken
zouden breken of de touwen zouden losslaan? Buwalda en Sutorius vreesden het
ergste. Klappertandend van de kou zaten ze dicht tegen elkaar aan, ze waren
bang en wanhopig. Ze kregen eerst nieuwe hoop toen ze zagen dat het water
niet verder steeg, maar weer begon te zakken. Hadden ze het moeilijkste
gehad? Misschien, maar het gevaar was nog niet geweken. Doordat de
stroomrichting van het water bij eb tegengesteld was aan de golfslag, werd
de boot tussen de beide stokken heen en weer gegooid en dreigde zelfs lek te
stoten op de scherpe punten van de draagstellen van de rugzakken. Gelukkig
zagen ze kans de boot naar de andere kant van de palen te manoeuvreren en ze
liepen daardoor minder gevaar.
| | | |
Eerst om kwart over acht 's avonds was het water zover gezakt, dat ze
verkleumd en verstijfd uit het rubberbootje konden stappen. Het was op dat
moment aardedonker, doordat de maan achter de wolken schuilging, terwijl het
bovendien sneeuwde. Zouden ze onder die moeilijke omstandigheden de weg naar
de Groninger kust kunnen vinden? Om kwart voor tien gingen ze op stap. Ze
konden geen hand voor ogen zien en liepen op goed geluk voort, met als enig
houvast het kompas. Nu eens gingen ze over tamelijk droge zandplaten, dan
weer waadden ze borstdiep door het water. Af en toe waren ze zo moe, dat ze
op hun stokken bleven hangen, om wat uit te rusten. Ineens keek Buwalda
geschrokken naar z'n metgezel. Sutorius was omgeven door een geheimzinnige
blauwe gloed. Aan z'n handen en aan het uiteinde van z'n stok zaten vreemde
lichtende vlammetjes. Waakten ze of droomden ze? Later hoorden ze, dat ze te
maken hadden met het sint-elmsvuur, een elektrostatisch verschijnsel, dat
voorkomt bij sneeuwval op open vlakten en ook wel bij naderend onweer.
Tegen middernacht zwoegden Buwalda en Sutorius nog steeds voort door de
kille, natte woestenij. De sneeuwjacht werd soms afgewisseld door felle
hagelbuien. Ze vroegen zich af of ze wel de goede koers volgden en of ze
ooit de veilige kust zouden bereiken. Hoever zouden ze nog moeten?
Eindelijk, om ongeveer één uur in de nacht, gaf Sutorius een schreeuw: ‘Ik
zie wat.. ik zie wat..’ De twee wadlopers tuurden door de duisternis en
zagen voor zich de.. contouren van een strekdam! Ze waren aan de Groninger
kust. Ingelukkig vielen ze op de grond en stamelden een dankgebed. Een uur
later werden ze door een bevriende familie, niet ver van de dijk, met warme
kruiken in bed gestopt.
| |
| | | |
Uit: Het aanzien van het Huis van Oranje
(samengesteld door H. van Bree). Utrecht:
Het Spectrum, 1984.
Het turfschip van Breda en andere veroveringen
In de nacht van 24 op 25 februari 1590 lieten 68 jongemannen zich even buiten
Breda inschepen in het ruim van een turfschip, om op die manier - zoals met
het paard van Troje - het door de Spanjaarden bezette Breda bij verrassing
in te nemen.
Op de boot, eigendom van Adriaan van Bergen, lag keurig opgestapeld een
gedeelte van de door de Spanjaarden voor die stad bestelde brandstof.
De zwaar bewapende soldaten, die in een kleine ruimte opeengepakt zaten,
gingen een paar benauwde dagen tegemoet. Doordat de wind verkeerd stond, kon
het schip pas na drie dagen uitvaren. Door de vorst liepen velen een
verkoudheid op die er niet beter op werd toen een lek de mannen half onder
water zette. Hoesten was echter uit den boze, want daardoor zou de hele
expeditie verraden kunnen worden.
Nadat een controle door een Italiaanse korporaal in Spaanse dienst en een
sanitaire ruzie (iemand had een drinkbeker als toilet gebruikt!) waren
overleefd, voer het turfschip Breda binnen. Het was inmiddels 4 maart,
vastenavond, en dus feest in de stad. Bij het kasteel van
Breda aangekomen, verliet een van de scheepslui de boot en de stad om
Maurits te waarschuwen dat de inval ieder moment kon
plaatsvinden. Een andere schipper kocht de wachters bij het kasteel om. Ook zij mochten - even - gaan feesten. Tegen 11 uur 's
avonds kwamen de 68 mannen onder leiding van Charles Héraugière plotseling
uit hun benauwde onderkomen te voorschijn en overrompelden de verbouwereerde
Spanjaarden. Drie uur later stonden de troepen van Maurits voor de
stadspoorten en was de legendarische verovering van Breda een feit!
Deze overwinning vormde het begin van een reeks glorieuze jaren waarin
Maurits met succes de ene stad na de andere liet belegeren. In totaal zouden
Maurits troepen 43 steden en 55 forten veroveren. Verreweg de meeste daarvan
vielen in de periode 1590-1597 in zijn handen. Daaronder waren Zutphen, Deventer, Delfzijl, Hulst, Nijmegen (1591), Steenwijk,
Coevorden (1592), Geertruidenberg (1593), Groningen
(1594), Grol, Enschede,
Oldenzaal, Ootmarsum
(1597).
Deze veroveringen verschaften Holland en Zeeland een veilige brede buffer
tegen de Spaanse legers. Men sprak van de tuin van de
Zeven Provinciën.
| |
| | | | | |
De som van misverstanden
Het lezen van boeken
Maarten 't Hart De ethologische romans
van Anthony Trollope
Gedurende mijn militaire diensttijd mocht ik thuis blijven wonen. Ik
moest echter wel elke dag tweemaal twintig minuten met de trein reizen
om de plaats te bereiken waar ik diende. Maar dat had ik er graag voor
over. Zodra ik wist dat ik elke dag veertig minuten in de trein zou
moeten doorbrengen begon ik uit te kijken naar het werk van een
schrijver waaruit ik gedurende die tijd iets zou kunnen lezen. Eén
voorwaarde was dat het niet al te boeiend mocht zijn;
ik moest als de reis was afgelopen zonder pijn kunnen ophouden. Het
mocht ook niet te moeilijk zijn en er moest veel van zijn want het leek
me erg aardig om gedurende anderhalf jaar elke dag in de trein gebogen
te zitten over het werk van steeds dezelfde schrijver. Menigeen zal het
dwaas vinden dat ik mij tot één schrijver wilde beperken maar ik heb dat
soort afwijkingen nu eenmaal, ik kan het echt niet helpen. Ik berekende
dat ik driehonderd dagen in de trein zou zitten ofwel veertig maal
driehonderd: twaalfduizend minuten. Daar ik ongeveer zeshonderd woorden
per minuut lees zou het oeuvre van de door mij te kiezen auteur uit
minstens zeven miljoen woorden moeten bestaan. Er zijn niet veel
schrijvers die zoveel of meer woorden geschreven hebben. Voltaire haalt
het gemakkelijk, Balzac misschien ook en Vestdijk zal er niet ver vanaf zijn. Simenon heeft meer dan dat
geschreven. Maar Vestdijk kende ik al zo goed en Balzac voor een deel
ook en aan Simenon was ik verslaafd geweest en dat was gelukkig juist
een beetje over. Voltaire leek me niet geschikt. Min of meer bij toeval
las ik toen over Fanny Trollope die ongeveer honderdtien romans heeft
geschreven, maar haar werken zijn niet te krijgen of uit bibliotheken te
lenen. Via Fanny kwam ik evenwel terecht bij haar zoon: Anthony
Trollope. Deze heeft heel wat meer geschreven dan het vereiste aantal woorden en toen ik las dat een deel van die
woorden in de trein waren geschreven stond mijn keus vast: Trollope zou
mijn auteur worden voor de dagelijkse veertig minuten in de trein. Voor
zover ik wist waren zijn boeken | | | | niet zo diepgaand dat ze
te moeilijk zouden zijn voor in de trein en niet zo boeiend dat het mij moeilijk zou vallen erin op te houden als mijn
treinreis was afgelopen.
Ik begon met The Warden. Ik vond het een kostelijk
boek, ik vergat mijn medereizigers met een ochtendhumeur 's morgens en
ik werd zo meegesleept door het verhaal dat ik niets merkte van het
lawaai tijdens het spitsuur 's avonds. Na The Warden
nam ik Barchester Towers ter hand. Ik herinner het mij
nog goed. In Leiden stapte ik in de trein, ik nam het kleine, rode
boekje uit de binnenzak van mijn jas om er tot Rijswijk uit te lezen. Al
spoedig was ik helemaal vergeten dat ik in de trein zat; mijn
medereizigers moeten stellig gedacht hebben dat er een idioot naast hen
zat want soms rolden tranen over mijn wangen. Tranen van het lachen:
alleen bij Don Quichote, The Pickwick Papers en De brave soldaat Schwejk heb ik meer gelachen dan bij
Barchester Towers. En misschien bij de Dode Zielen van Gogolj. Ik las en las; eerst toen ik
een vreemd gedaver hoorde kwam ik tot mij zelf. Ik keek op van Barchester Towers, ik zag glinsterend water, we reden
over de Moerdijkbrug. Ik was domweg vergeten om in Rijswijk uit te
stappen. Veel later is mij dat nog een keer op een ander traject van de
Nederlandse Spoorwegen overkomen met The Heart of
Mid-lothian van Walter Scott, een auteur die Trollope zeer bewonderde.
In één opzicht had ik mij vergist wat Trollope betrof. Hij was veel te
boeiend voor in de trein. Steeds als de reis was
afgelopen voelde ik mij treurig omdat ik het boek moest dichtslaan. Het
kostte mij de grootste moeite om niet op mijn werk in Trollope te lezen
en menige lunchpauze heb ik het niet kunnen laten hoezeer ik mij zelf
ook voorhield dat ik Trollope alleen in de trein mocht lezen. Het was
jaren geleden dat ik zo gelezen had; ik moest teruggaan tot mijn
kindertijd om op iets vergelijkbaars te stuiten. Ik ben ook niet de
enige die het zo vergaat. Talrijke Engelse en Amerikaanse critici
vertellen over het immense genoegen waarmee zij, vaak tot diep in de
nacht, in Trollope hebben gelezen. En wat meer is: Trollope is, zoals
een Amerikaans criticus heeft opgemerkt ‘not only extremely readable but
perpetually rereadable’.
Toen ik ongeveer de helft van het oeuvre van Trollope had | | | |
doorgenomen doemde er een nieuwe moeilijkheid op. Tot op dat moment had
ik zijn werken geleend uit de Leidse Universiteitsbibliotheek en uit de
Koninklijke bibliotheek in Den Haag. Maar zij hadden lang niet alles. Ik
liet via de Leidse ub briefjes rondgaan door het land
en dat leverde inderdaad nog een paar romans van Trollope op, ik
stroopte zelf bibliotheken af op vrije dagen en vond her en der nog
enkele romans. Mijn Engelse zwager kocht romans van Trollope voor me in
Engeland, nieuw of tweedehands en zo lukte het me om eenenveertig van de
zevenenveertig romans van Trollope te leren kennen. Later begaf ik mij
zelf naar Engeland, bezocht grote tweedehandsboekwinkels in Ross-on-Wye
en Hay-on-Wye in Wales maar kreeg daar slechts te horen dat de werken
van Trollope zo veel gevraagd werden dat er wachtlijsten bestonden voor
de niet ‘in print’ zijnde boeken. Ik sta op wachtlijsten voor Cousin Henry, Miss Mackenzie, Marion Fay, The Fixed Period,
The Vendée, The Macdermots of Ballycloran. Als er iets is
waardoor ik soms niet slapen kan dan is het wel dat ik deze zes romans
van Trollope nog nooit in handen heb gehad.
Uit: Maarten 't Hart, De som der misverstanden.
Amsterdam: De Arbeiderspers, 1978.
|
1)resp. gezicht en
zien, al bekende woorden voor de leerlingen
1)De hier opgenomen woorden zijn
verwant aan en frequenter dan het raadwoord. Als ze niet in het
Basiswoordenboek voorkomen, maar alleen in de B-lijst van Uit
den Boogaart het ik er ‘eventueel’ bij gezet.
2)Soms kunnen ook de aanwijzingen op
één niveau ‘getrapt’, d.w.z. niet allemaal tegelijk gegeven
worden (dit betreft vooral het semantische niveau).
3)Het is niet noodzakelijk dat de leerlingen ook alle correcte
grammaticale termen kennen.
|
|