Als uitgangspunt wordt gesteld dat degenen die modern (scheppend) proza bestuderen niet alleen romans e.d. moeten lezen maar ook vertrouwd moeten zijn met verteltheorie. In een tijdperk waarin, naast het gedrukte woord, allerlei andere visuele prikkels de scholier stimuleren, is het niet verwonderlijk dat onze jongere studenten weinig ervaring hebben met het lezen van romans. In het Verenigd Koninkrijk zitten wij bovendien nog steeds opgescheept met het ethisch pragmatisme van Scrutiny - nauwelijks een kritische methode.
Oplossingen zijn er veel. Terwijl noch een zuiver theoretisch inleidende cursus, noch een cursus die theoretische inzichten lukraak laat ontstaan uit om andere redenen gekozen primaire teksten werkelijk voldoening schenkt, kan het gebruik van een handboek enig houvast bieden.
Met de tweedejaars neerlandici aan de universiteit van Liverpool heb ik twee handboeken gebruikt als inleiding tot zowel primaire als theoretische lectuur. Gedurende enkele jaren was dat Indringend lezen 2. Analyse van verhalend proza van W. Drop.(1) In recentere jaren heb ik met Ik heb al een boek. Het analyseren van jeugdboeken, lectuur en literatuur van Ton Anbeek en Jan Fontijn(2) gewerkt. Als doelgroep heeft Indringend lezen oudere middelbare scholieren, terwijl Ik heb al een boek op deze scholieren en op jonge (tertiaire) studenten mikt.
Drop, beïnvloed door onder andere het tijdschrift Merlyn (1962-67), wil veelheid vervangen door diepgang en toepasbare methodes aanleren. In afzonderlijke hoofdstukken (bijvoorbeeld ‘Tijd’) worden de belangrijkste begrippen uitgelegd, waarna een kort verhaal volgt, afgesloten door vragen waarmee de student het begrippenapparaat leert hanteren. Helaas is de uitleg soms duister of zelfs verward (bijvoorbeeld over ‘Perspectief’ en ‘De verteller’); ook valt er binnen de meeste inleidende theoretische stukjes een gebrek aan voorbeelden te constateren; en tenslotte bevatten vele vragen reeds uitdrukkelijk het ‘juiste’ antwoord.
Het boek van Anbeek en Fontijn weerspiegelt theoretische ontwikkelingen van recenter datum. Na een zeer heldere basis-inleiding over verschillende vormen van vertelperspectief wordt er aandacht besteed aan onder andere ethische vraagstukken en aan jeugd- en triviaalliteratuur. De uitleg gaat veelal gepaard met grotendeels nuttige voorbeelden en wordt steeds, zoals bij Indringend lezen gevolgd door een kort verhaal. De vragen/opdrachten naar aanleiding van theorie en verhalen zijn veel ‘opener’ dan bij Drop. Bovendien verhelen Anbeek en Fontijn niet dat er theoretische tegenstellingen kunnen opduiken.
Het is duidelijk dat, hoewel Drop niet te verwaarlozen is, Anbeek en Fontijn de Liverpoolse voorkeur wegdragen.
Tenslotte zij opgemerkt dat:
| 1. | de docent over een voorraad eigen exemplaren van een en ander moet beschikken, zo mogelijk gebaseerd op lectuur van studenten in andere talen; |
| 2. | hij of zij eigen vervangings- en aanvullende vragen/opdrachten moet bedenken; |
| 3. | het door Anbeek en Fontijn aanbevolen ‘experimenteren met vertelmogelijkheden’ door de studenten zelf (=zelf creatief proza schrijven) bijzonder leerrijk kan zijn; |
| 4. | ondanks het feit dat een Engelstalig handboek, vooral wat de theoretische stukjes betreft, gemakkelijker te lezen zou zijn, de student door het gebruik van een Nederlandstalig handboek reeds vroeg niet alleen oefent op het zelfstandig lezen van primaire, maar ook van secundaire teksten in het Nederlands(3). |