In Polen is het Ministerie van Wetenschap en Hoger Onderwijs bevoegd studieprogramma's vast te stellen in overleg met een bepaalde adviserende commissie, die uit vertegenwoordigers van de betreffende studierichting bestaat. In de jaren zeventig is de ‘Landeskunde’ als een apart vak door het Ministerie geïntroduceerd voor alle neofilologische studierichtingen en sindsdien is het verplicht voor hoofd- en bijvakstudenten.
Het Nederlands aan de universiteit van Wroclaw is een bijvak, het hoofdvak van onze studenten is meestal Duits. Eén van de gevolgen daarvan is dat zij dus twee verplichte werkcolleges hebben in de ‘Landeskunde’: eerst - tijdens het derde studiejaar - 90 lesuren over de Duitstalige landen (de D.D.R., de B.R.D., Oostenrijk en Zwitserland) en pas daarna - tijdens het vierde studiejaar - 60 lesuren over de Nederlandstalige landen (België en Nederland). Het betreffende werkcollege heet bij ons ‘Kennis van België en Nederland’ en duurt twee semesters, waarbij één gewijd is aan België en één aan Nederland. Indien het mogelijk is dan wordt het gedeelte over België gedoceerd door de Vlaamse lector en dat over Nederland door zijn Nederlandse collega.
Als basisleerboek dient Voor wie Nederland en Vlaanderen wil leren kennen . Dankzij een vrij goede kennis van het Nederlands kunnen onze studenten ook gebruik maken van verschillende encyclopedische naslagwerken en monografieën. Af en toe profiteren zij ook van enkele wetenschappelijke en meer populaire publikaties over België of Nederland die in ons land zijn verschenen. De lijst van dergelijke naoorlogse Poolse publikaties omvat nu meer dan vijftig titels die geschiedenis, kunst, economie, politiek enzovoort behandelen. Over het algemeen kan men zeggen dat daarin ook contacten beklemtoond worden tussen de Lage Landen en Polen.
Onderwijs in de ‘Landeskunde’ zonder visuele en audiovisule middelen is nauwelijks denkbaar. Een belangrijke rol spelen bij ons fotoboeken, landkaarten, toeristische gidsen en folders. Wij beschikken ook over diverse diareeksen. Van de betreffende ambassades lenen wij cultuurfilms, die verschillende aspecten van de Lage Landen laten zien, bijvoorbeeld grote steden, beroemde kunstenaars, waterbouwprojecten enzovoort. Een welkome aanvulling, vooral voor actuele onderwerpen, zijn bijdragen uit Nederlandstalige kranten en weekbladen.
Als onderwijsvorm wordt bij ons het zogenaamde conversatorium toegepast. De collegegroep wordt gevraagd een bepaald probleem thuis te bestuderen en aan één student(e) wordt de opdracht gegeven een aanvullend referaat voor te bereiden. Het college begint dan ook meestal met zo'n referaat, daarna volgt een discussie over dit vraagstuk. Daarbij wordt ook getracht het probleem contrastief te benaderen, dat wil zeggen men gaat daarbij na hoe die bepaalde kwestie, bijvoorbeeld verkiezingen, er in Nederland, in België en in Polen uitziet. Deze aanpak blijkt bijzonder leerzaam en ook aantrekkelijk te zijn voor alle collegedeelnemers, de buitenlandse docent inbegrepen.
Stimulerend voor onze studenten zijn bovendien lezingen en daarop volgende informele ontmoetingen met Nederlandse en Vlaamse hoogleraren die een bezoek brengen aan onze afdeling. Gesprekken bij thee of koffie bieden hen de gelegenheid vragen te stellen over allerlei onderwerpen die hen interesseren. De grootste betekenis hebben voor hen echter de zomercursussen voor Nederlandse taal en cultuur in Breukelen en Hasselt. Daardoor kunnen zij hun uit leerboeken verworven en nogal theoretische kennis van België en Nederland verifiëren en confronteren met de werkelijkheid in die twee landen.
De ‘Landeskunde’ neemt een belangrijke plaats in in de opleiding van onze neerlandici, die meestal ook veel belangstelling tonen voor dit college. Dat leidt er soms toe dat zij hun scripties gaan schrijven over een onderwerp uit de ‘Landeskunde’. Gedurende de laatste vijf jaar zijn onder mijn begeleiding zeven van dergelijke scripties ontstaan, die aspecten behandelen als Nederland en het dekolonisatieproces, de roomskatholieke kerk in Nederland na de Tweede Wereldoorlog, Poolse emigranten in Nederland, de Vlaams-Waalse betrekkingen na 1945, de opiniebladen in Vlaanderen etcetera.