De laatste jaren schijnen de opvattingen over het vertalen en de didactiek binnen het vreemde-talenonderwijs (VTO) nogal te veranderen. Voorheen, in de directe ‘natuurlijke’ methode, en ook in de communicatieve methode, waar het mondeling taalgebruik primair was en men als het ware ondergedompeld werd in de vreemde taal door middel van actieve audiolinguale en audiovisuele taalbeoefening, was het vertalen volledig in strijd met de methodologische principes. Immers, ieder contact met de moedertaal moest zoveel mogelijk worden vermeden, ook vanwege het gevaar van de interferentie.1 Maar aangezien het onmogelijk is de moedertaal volledig uit te schakelen tijdens het proces van de vreemde-taalverwerving, zijn de meningen hieromtrent aan het veranderen. ‘L'on ne peut faire l'économie de la comparaison avec la langue maternelle dans l'étude étrangère’ schrijft Michel Ballard in 1984. Anderen (Ladmiral 1979, Bausch en Weller 1981, Lavault 1985) pleiten voor het weer invoeren van de moedertaal, dat wil zeggen voor de vertaling als didactische werkvorm, mede uit psycholinguïstische overwegingen.
Er is dus sprake van een ‘come-back’ van de vertaling in het VTO. Gelukkig maar, want vertalen naar de moedertaal is een heel natuurlijke zaak als je een vreemde taal leert - en niet alleen in het beginstadium. Zeer zeker zullen beginners spontaan in hun eigen taal betekenissen zoeken, dus ‘vertalen’, omdat zij een bepaalde zekerheid willen hebben. Maar niet alleen beginnende studenten, ook gevorderden willen weten wat hun onbekende woorden en uitdrukkingen betekenen. Tijdens de Zomercursus Nederlandse Taal en Cultuur te Breukelen valt het me iedere keer weer op dat de meeste studenten constant een tweetalig woordenboek op zak hebben, of ze nu in de laagste of hoogste van de twaalf groepen zitten. Als je tijdens de taallessen moeilijke woorden of idiomatische uitdrukkingen uitlegt, natuurlijk in het Nederlands, dan wordt er toch nog haastig een blik geworpen in het woordenboek om concreet de juiste betekenis in de moedertaal vast te leggen.
Conclusie: Als docent in het VTO kun je moeilijk om de moedertaal van de studenten heen en op hun beurt zijn de studenten er mee
gebaat - juist omdat het zo natuurlijk is - het vertalen in de vreemde-taalverwerving in te passen.
Dit wat betreft het spontaan vertalen in het algemeen. Ik kom nu toe aan de concrete toepassing van de vertaling als didactische werkvorm, met name aan het Nederlands Instituut van de universiteit van Straatsburg.
Het Nederlands is in Straatsburg, zoals aan de meeste Franse universiteiten, een bijvak, dus een tweede of derde vreemde taal. Onze studenten hebben, gedurende drie jaar, gemiddeld drie uur Nederlands per week. Het gaat voornamelijk om germanisten, anglisten en studenten Langues Etrangères Appliquées (vergelijkbaar met de Europese Studies). Onze germanisten hebben overigens een hoog niveau, gezien de nabije Duitse grens en vanwege het Elzasser dialect dat vrij veel gesproken wordt.
Ik zal nu kort uiteenzetten hoe wij in Straatsburg te werk gaan in het eerste, tweede en derde jaar.
In het eerste jaar krijgen onze studenten de basisgrammatica aangeboden in het Frans, op contrastieve wijze, dat wil zeggen dat er gewezen wordt op verschillen tussen het Frans en het Nederlands (bij voorbeeld het gebruik van het lidwoord, het adjectief enzovoort). Daar komen oefeningen aan te pas waarin het vertalen, zowel Frans-Nederlands als Nederlands-Frans, een niet onbelangrijke rol speelt. Het vertalen naar het Nederlands dient enerzijds om een aantal grammaticale en syntactische verschillen tussen de twee talen vast te leggen en om interferentiefouten te corrigeren. Overigens hebben onze studenten niet alleen te kampen met interferentie vanuit de moedertaal, dus het Frans, maar ook vanuit de eerste vreemde taal, vooral het Duits of het Engels.
Anderzijds kunnen eerder aangeboden grammaticale regels en bij voorbeeld lexicale verbindingen door middel van vertaling Frans-Nederlands opnieuw, maar nu ‘actief’ gebruikt en dus geconsolideerd worden, hetgeen tevens de schrijfvaardigheid bevordert (cf. de traditionele grammatica-vertaalmethode).
Verder worden er in het eerste jaar vrij eenvoudige teksten aangeboden van auteurs als Biesheuvel en Jacoba van Velde: ze zijn bedoeld om de leesvaardigheid te bevorderen, maar worden ook vertaald naar het Frans, waarbij er - in dit stadium - nog niet al te zeer op gelet wordt of het literair gezien mooi of minder mooi Frans is.
In het tweede jaar gaan we een stuk verder, vooral wat betreft de version littéraire. Teksten van bij voorbeeld Maarten 't Hart, Mensje van Keulen, Remco Campert worden eerst klassikaal gelezen en behandeld: de syntactische, stilistische, morfologische eigenaardigheden worden eruit gelicht en uitgelegd, de moeilijke woorden en uitdrukkingen gegeven (= vertaald). Het is namelijk niet eenvoudig voor een student Nederlands in den vreemde, die
niet altijd de grote tweetalige woordenboeken tot zijn beschikking heeft, om van bepaalde idiomatische uitdrukkingen het equivalent in zijn moedertaal te vinden. Piet de Kleijn heeft in Neerlandica Extra Muros gewezen op dit probleem in zijn artikel over vaste lexicale verbindingen (De Kleijn, 1988). Ook al bieden de (tweetalige) Van Dale-woordenboeken een schat aan materiaal op het gebied van fraseologismen, toch doet het probleem zich voor dat je niet altijd weet onder welk lemma je moet zoeken, aangezien er weinig systematiek zit in de behandeling van vaste verbindingen.2
Na deze grammaticale en lexicale voorbereiding op het eigenlijke vertalen volgt dan een mondelinge samenvatting in het Frans. Het gaat hier om globaal tekstbegrip, eventueel met behulp van in het Frans gestelde vragen over de inhoud van de tekst.3 Dan pas gaan de studenten zelf, individueel, aan het werk: het huiswerk bestaat uit de eigenlijke vertaling, waarbij ze natuurlijk gebruik maken van twee- maar ook van ééntalige woordenboeken (Van Dale N-N, Le Petit Robert enzovoorts). De les daarop worden de verschillende vertalingen vergeleken en besproken en wordt er gestreefd naar een zogenaamde ‘doelvertaling’. Dit wat betreft deze literaire vertaalsessie die, naast het vertalen op zich, tot doel heeft de grammaticale en lexicale bijzonderheden te toetsen en te verstevigen.
Een soort ‘consecutief vertalen’ is een andere oefening die de studenten wordt aangeboden om de luistervaardigheid te bevorderen. Ik lees dan langzaam twee maal achter elkaar een actueel krantenartikel voor (de Volkskrant, de Standaard, NRC), terwijl de studenten zoveel mogelijk aantekeningen maken - een ratjetoe van Nederlands en Frans - waarna zij de tekst schriftelijk in het Frans resumeren of zo volledig mogelijk herschrijven (= vertalen).
Overigens vat elke tweedejaars student aan het einde van het jaar een Nederlands of Vlaamse roman van ongeveer 250 pagina's samen in het Frans, hetgeen uiteraard de leesvaardigheid en de woordenschatuitbreiding ten goede komt.
Hoe wordt het vertalen als didactische werkvorm gebruikt in de derdejaars colleges?
Voor wat betreft het vertalen naar het Frans, kan de situatie hier vergeleken worden met het vertaalcollege in het tweede jaar. Ook hier lexicale en grammaticale voorbereiding, samenvatting in het Frans, vergelijking van verschillende vertalingen, discussie en eventueel een ‘doelvertaling’, maar nu alles nog intensiever en natuurlijk op een hoger niveau.
Columns van een auteur als Wim de Bie, schrijvers als F. Springer, J. Bernlef, maar ook Frederik van Eeden worden hier
vertaald. Zo zal Van Eedens Voetreis door de Vogezen (1879), in het kader van dit college vertaald, binnenkort verschijnen in het culturele tijdschrift Septentrion . De praktijk heeft geleerd dat vertalen naar het Nederlands op dit niveau geen haalbaare kaart is (het gaat imnmers om bijvakstudenten), tenzij zeer eenvoudige teksten van Franse auteurs worden bewerkt en aangepast. En dan nog is het sop de kool niet waard....
Uit het bovenstaande moge blijken dat vertalen als didactische werkvorm, zoals toegepast aan het Nederlands instituut te Straatsburg, een belangrijke rol speelt in de vreemde-taal-verwerving: zowel spontaan, natuurlijk gebruik van de moedertaal als ook het vertalen met didactische doeleinden blijken zeer nuttig te zijn, enerzijds met het oog op grammaticale en lexicale oefening en consolidatie, anderzijds ter bevordering van vooral de receptieve vaardigheden.
| BALLARD, M. ‘La Traduction relève-t-elle d'une pédagogie?’. In: La Traduction, de la théorie à la didactique. Etudes réunies par Michel Ballard. Université de Lille III, 1984, p. 13-28 | |
| BAUSCH, K.-R, & F.-R. WELLER (Hg). Uebersetzen und Fremdsprachenunterricht. Frankfurt am Main, Berlin, München, 1981. | |
| COSTE, D. ‘Le renouvellement méthodologique dans l'enseignement du français langue étrangère: remarques sur les années 1955-1970’. In: Langue Française 8 (december 1970), p. 7-23 | |
| KLEIJN, P. DE. ‘Kennis van vaste lexicale verbindingen: belangrijk en moeilijk’. In: Neerlandica Extra Muros 50, voorjaar 1988, p. 2-7. | |
| LADMIRAL, J.-R. Traduire: théorèmes pour la traduction. Paris, 1979. | |
| LAVAULT, E. Fonctions de la traduction en didactique des langues. Apprendre une langue en apprenant à traduire. Collection ‘Traductologie’ 2, Parijs, 1985. |