terug  begin  verderprepost
[p. 53]

Vertalen als didactische werkvorm (Besançon)
Liesbeth Pascal-de Graaff

Waarom en hoe wordt er door mij aan de universiteit van Besançon met vertalingen gewerkt?

 

Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet ik even een kleine toelichting geven over de situatie van het onderwijs van het Nederlands in Besançon.

Nederlands wordt hier zoals op de meeste universiteiten in Frankrijk alleen als bijvak gegeven, dus als tweede of derde taal. Het eerste jaar hebben de studenten drie uur college Nederlands per week, het tweede jaar twee uur per week en het derde jaar eveneens twee uur per week (ik laat buiten beschouwing het college Nederlandse civilisatie en literatuur, een bijvak van vier uur per week, dat gekozen kan worden door alle studenten, of ze nu de Nederlandse taal bestuderen of niet).

 

In de eerstejaarscolleges heb ik dit jaar een nogal traditionele methode gebruikt. Vorig jaar probeerde ik F. Montens en A.G. Sciarone, Nederlands voor buitenlanders , 1984, de Delftse methode. Het resultaat aan het einde van het studiejaar vond ik niet onbevredigend, maar enkele argumenten, die ik hier zal opsommen deden mij weer van methode veranderen.

-Deze studenten leven niet in Nederland zelf en hebben niet die constante confrontatie met het Nederlands waar de Delftse methode van uitgaat.
-Er is slechts drie uur per week voor Nederlands beschikbaar, zodat het tempo te laag ligt.
-De studenten voelen zich niet op hun gemak met deze methode. Ze geven de voorkeur aan een traditionele aanpak. Dit is voor mij een belangrijk argument omdat het niet altijd gemakkelijk is studenten voor het Nederlands te werven.

Dus gebruikte ik het afgelopen studiejaar de eerstejaarscursus van A. van Seggelen en C. Huisman. Bij deze cursus horen ook audio-linguale oefeningen. Er wordt met losse zinnetjes vertaald vanuit de moedertaal en naar de moedertaal, maar al snel geef ik korte en eenvoudige teksten in het Nederlands. We vertalen deze globaal, dat wil zeggen dat we niet zoeken naar mooie verta-

[p. 54]

lingen, maar het doel is de tekst goed te begrijpen. Ik werk dus niet lang op één vertaling, maar ik probeer eerder veel teksten aan te bieden zodat de studenten vertrouwd raken met het Nederlands.

Het vertalen is hier duidelijk een hulpmiddel. In het tweede jaar ga ik hiermee door. De studenten kunnen dan natuurlijk al interessante teksten aan. Ook in het derde jaar blijft globaal vertalen belangrijk. Een enkele keer proberen we weleens voor ons plezier een echt mooie vertaling te maken en bij voorkeur neem ik een tekst die al vertaald is door een bekende vertaler en we bestuderen dan de verschillen.

Conclusie

In het eerste jaar gebruik ik een traditionele methode en geef al snel eenvoudige korte teksten om globaal te vertalen met het doel een tekst goed te begrijpen. Ook in het tweede en derde jaar houden de studenten zich bezig met globaal vertalen.

Waarom? De resultaten zijn bevredigend. De eerstejaarsstudenten halen de toets Leesvaardigheid van het Certificaat Nederlands, die van het tweede jaar de Leesvaardigheid van de Basiskennis en de derdejaars die van de Uitgebreide Kennis.

De studenten vinden globaal vertalen leuk (ze moeten al veel ‘precieze’ vertalingen maken bij de andere vreemde talen). Ook dit is een belangrijk punt voor mij, omdat er gevochten moet worden voor het voortbestaan van het Nederlands aan de universiteit van Besançon. En ten slotte: vertalen is een methode die niet duur is en de letterenfaculteit in Besançon is erg arm!

prepostterug  begin  verder