Het programma van de vertalersopleiding in Vlaanderen laat te wensen over, en dat is eufemistisch uitgedrukt.1 De Belgische wetgeving2 bepaalt dat een kandidaat-vertaler examens moet afleggen over: filosofie, rechtsgeleerdheid, economische wetenschappen, geschiedenis, sociologie, inwijding in de esthetica (slechte vertaling van ‘initiation esthétique’, G.A.), wetenschappelijke en technische problemen, encyclopedie van de vertaling, basistaal, twee andere moderne talen, praktische oefeningen in het vertalen en het interpreteren. De licentiaat-vertaler legt examens af over: vergelijkende studie van de Indo-Europese talen, algemene stilistiek, algemene dialectologie en taalsociologie, grondige studie van twee moderne talen (deze studie omvat: ‘de structurele grammatica, de diachronische taalkunde, de politieke, economische, sociale en culturele structuur van het land of van de landen waar deze taal de meest gebruikelijke voertaal is, de hedendaagse letterkunde, praktische oefeningen in het vertalen en het interpreteren’).
Je kan stellen dat de wet geïnterpreteerd dient te worden, en dat gebeurt inderdaad. Iedereen blijkt te beseffen dat dit programma opgesteld werd met het oog op ambten in de openbare besturen van een tweetalig land. Maar voor je in de huidige context tot een zinnig opleidingsbeleid komt, moet je toch dienaangaande het menselijk interpretatievermogen tot olympische prestaties dwingen. In welke zin dient het programma gewijzigd te worden, opdat in de vertalersopleiding docenten en studenten een realistisch beleid zouden kunnen volgen?
Terwijl voor allerhande, uiteenlopende disciplines zoals geneeskunde, onderwijskunde, toegepaste wetenschappen enzovoorts, de opleiding er baat bij heeft instituutgericht te zijn (je werkt in een kliniek, in een school, in een fabriek, enz.), ontbreekt er vooralsnog voor de vertalersopleiding een nauwkeurig afgebakend werkterrein. Het afzetgebied, de tewerkstelling, is voor gediplomeerde vertalers zeker niet eenvormig. De ervaring leert dat vertalers meestal als ‘taalbemiddelaars’ optreden in bedrijven en diensten - dat de taalvaardigheid het dus op de vertaalvaardigheid haalt. De literaire vertaling, die in de
opleidingspraxis nog altijd als de apex van het kunnen beschouwd wordt, kan alleen maar uitzonderlijk tot een redelijke kostwinning leiden.
Welke zouden de hoofdlijnen van een zinnig opleidingsprogramma voor vertalers kunnen zijn?
Ten eerste: het bereiken van een efficiënte tekstproduktie. Dit veronderstelt niet alleen correct en authentiek taalgebruik, maar ook een verfijnd gevoel voor de eigen aard en werking van een tekst.
Ten tweede: het leren vertalen. Hier dient in de opleiding een juiste dialectiek tussen praxis en theorie opgebouwd te worden3: dat mag op een truïsme lijken maar in de bestaande vertalersopleiding treden niet zelden linguïsten zonder enige vertaalervaring als docenten op. Het is trouwens de professionele praxis eerder dan de linguïstische theorie die uitsluitsel zal geven over de vraag naar de kwaliteit van de vertaling. In de praxis hoef je alleen maar te weten welke de slechte, dit is foute, vertaling is; hoe ‘goed’ een vertaling kan of moet zijn, daar kan je eeuwen over discussiëren.
Overigens kan je voor deze lijn hetzelfde stellen als voor de eerste: de vertaler moet in de vreemde taal even correct en authentiek als in de eigen taal kunnen produceren, al is iedereen het er over eens dat de vertaler zinniger als een ‘invertaler’ dan als een ‘uitvertaler’ werkt.4
Ten derde: de toekomstige vertaler moet bijzonder bedreven zijn in de heuristische arbeid. Dit leidt ertoe toch enig nut toe te kennen aan de zogeheten ‘algemeen vormende vakken’, die de Belgische wetgeving zo kwistig over de opleiding verspreidt: als praktische encyclopedieën dan (definitie, bronnen, basislexikon, enz.) voor een bepaald vakgebied. Hieromtrent leert de ervaring dat deze lijn de moeilijkste is: de studenten kunnen niet zoeken, en de docenten kunnen het ‘kunnen zoeken’ niet aanleren. En in de praxis komt het er meer en meer op aan de juiste term te kunnen vinden.
Ten vierde: een vertalersopleiding dient een volledige en zich doorlopend vernieuwende inleiding te bieden tot het gebruik van de hele apparatuur die het werk van de vertaler aanzienlijk vergemakkelijkt: van databanken tot ‘tekstverwerkers van de vijfde generatie’.
Ten slotte vraagt een nieuw programma voor de vertalersopleiding ook een adequaat evaluatiesysteem. Het huidige Belgische programma, waarbij alle examens in één maand tijd afgelegd worden (wat in se al zinloos is voor een taakgericht programma), is zo overladen dat een evaluatie ervan in de traditionele zin een omslachtige, nodeloos afmattende en vaak onrechtvaardige bedoening wordt.
Het permanent-zijn van de evaluatie vloeit logisch voort uit de aard van de opleiding. Misschien maakt een stevig uitgebouwde permanente evaluatie de invoering van een ‘credits’-systeem zelfs overbodig, maar dat zal de praxis moeten uitwijzen. De evaluatiemethodiek dient ervan uit te gaan dat een vertaler op zijn vertaalwerk beoordeeld wordt, en niet op de vakken waarover hij bevredigend examen heeft afgelegd, zo eenvoudig is het wel.