Het imperfectum is vrijwel uitgestorven in het Afrikaans en alleen ‘hebben’ is als hulpwerkwoord in het perfectum gehandhaafd, behalve als hulpwerkwoord bij ‘wees’ (= zijn). Bij voorbeeld ‘ek het gedoen’ - ik heb gedaan, ‘ek het gegaan’ ik ben gegaan, ‘ek is gewees’ - ik ben geweest.1
a) Van de volgende werkwoorden is het imperfectum gehandhaafd:
| ‘wees’2 | - | ‘was’ |
| ‘hê’ | - | ‘had’ (uitgestorven - behalve dialectisch en literair - en dus is er ook geen plusquamperfectum) |
| ‘sal’ | - | ‘sou’ |
| ‘kan’ | - | ‘kon’ |
| ‘mag’ | - | ‘mog’ (zeldzaam, zie g)) |
| ‘moet’ | - | ‘moes’ |
| ‘wil’ | - | ‘wou’ |
| ‘dink’ | - | ‘dag’/‘dog’ (‘ek dag/dog jy is siek maar jy is/was nie) ‘het gedag/het gedog’ (ek het gedag/het gedog jy is siek etc.) ‘het gedink’ (‘ek het dikwels aan jou gedink) |
| ‘weet’ | - | ‘wis’ (aan het uitsterven; gelijk aan ‘het geweet’ (realis) maar komt ook als irrealis voor, bij voorbeeld ‘As jy wis hoeveel geld hy het, sou jy hom nie jammer kry nie’) |
Het volgende illustreert hoe modale hulpwerkwoorden zich gedragen in samengestelde tijden.
Na de tijdsvormen ‘sou’ en ‘het’ (dat wil zeggen ‘het’ als hulpwerkwoord in het perfectum) komt vaak een verschijnsel voor dat in de Afrikaanse taalkunde ‘preteritale assimilasie’ heet; die is niet verplicht, maar vooral in de spreektaal is die assimilatie de gebruikelijkste constructie. Omdat de infinitiefvormen ‘kan’, ‘moet’ en ‘wil’ gelijk zijn aan de tegenwoordige tijd van die
werkwoorden, pleegt men de transformatie van ‘kan’, ‘moet’ en ‘wil’ in ‘kon’, ‘moes’ en ‘wou’ in zulke constructies te beschouwen als een vervanging van de tegenwoordige tijd door de verleden tijd. Bij voorbeeld:
| b) | Hy sou jou kan help | -- | Hy sou jou kon help |
| Hy sou jou moet help | -- | Hy sou jou moes help | |
| Hy sou jou wil help | -- | Hy sou jou wou help |
| c) | Hy het my kan help | -- | Hy het my kon help (-- Hy kon my help) |
| Hy het my moet help | -- | Hy het my moes help (-- Hy moes my help) | |
| Hy het my wil help | -- | Hy het my wou help (-- Hy wou my help) |
Dit paradigma is als volgt te interpreteren. In een dubbele infinitiefconstructie waar men te maken heeft met het perfectum van een modaal hulpwerkwoord, is het gebruikelijker om de constructie met ‘kon’, ‘moes’ en ‘wou’ te gebruiken maar er is in feite een voorkeur in zulke gevallen om het perfectum überhaupt te vermijden ten gunste van het imperfectum; met andere woorden, hoewel in het Afrikaans over het algemeen alleen het perfectum gehandhaafd is, is er toch een duidelijke voorkeur voor het imperfectum in die gevallen waar het imperfectum gehandhaafd is, speciaal waar het de hulpwerkwoorden ‘was’, ‘kon’, ‘moes’ en ‘wou’ betreft.
| d) | kan gedoen het= | Nederlands: kan gedaan hebben3 |
| moet gedoen het= | Nederlands: moet gedaan hebben |
Dit paradigma is gelijk aan dat in het Nederlands behalve dat het Afrikaans de persoonsvorm ‘het’ in zulke samengestelde tijden gebruikt waar het Nederlands een infinitief gebruikt. Ik kom onder h) op dit paradigma terug.
| e) | ‘kon doen’ | = Nederlands: kon doen3 |
| ‘moes doen’ | = Nederlands: moest doen | |
| ‘wou doen’ | = Nederlands: wou doen |
Dit paradigma is precies hetzelfde als dat in het Nederlands. Ik kom onder g) hierop terug.
| f) | ‘kon gedoen het’ | = Nederlands: had kunnen doen (ANS (reg.) kon gedaan hebben)4 |
| ‘moes gedoen het’ | = Nederlands: had moeten doen (ANS (reg.) moest gedaan hebben) |
‘wou gedoen het’ = Nederlands: had willen doen (ANS niet vermeld)
Deze constructie komt volgens de ANS regionaal voor in het Nederlands. Regionaal betekent in dit geval voornamelijk Zuidnederlands, waar het de gebruikelijkste constructie schijnt te zijn5, maar zij schijnt ook in het Gronings bekend te zijn (zie Sassen 1985, p. 158). Het is mogelijk dat deze constructie in de zeventiende eeuw ook in het westen van Nederland voorkwam en dus in het Afrikaans gehandhaafd is. Het komt in feite overeen met het Engelse ‘could/should have done’ maar de constructie in het Afrikaans mag mijns inziens niet beschouwd worden als een anglicisme (vgl. de titel van Sassens artikel: ‘Een syntactisch ingvaeonisme?’).
‘Wou gedaan hebben’ wordt niet in de ANS vermeld. Ik kom onder g) hierop terug.
| g) | ‘moes doen’ | -- ‘moes gedoen het’ | valt dus samen met f) |
| ‘kon doen’ | -- ‘kon gedoen het’ | valt dus samen met f) | |
| ‘wou doen’ | -- ‘wou gedoen het’ | ||
| ‘mog doen’ | -- ‘mag gedoen het’ | meest gebruikelijke vorm |
Er kan een semantisch verschil zijn in het Afrikaans tussen ‘wou doen’ en ‘wou gedoen het’, een onderscheid dat in het Nederlands niet gemaakt kan worden aangezien de tweede constructie in het Nedelands onbekend is, althans niet in de ANS vermeld staat. ‘Wou gedoen het’ wordt gebruikt in hypothetische zin, en ‘wou doen’ in niet-hypothetische zin, maar in de praktijk wordt de eerste constructie ook dikwijls in het tweede geval gebruikt, maar niet anders om, bij voorbeeld
‘Ek wou gegaan het maar ek kon nie’ (hypothetisch)
‘Ek wou gaan en ek het’ (niet-hypothetisch)
‘Ek wou gegaan het en ek het’ (niet-hypothetisch)
*‘Ek wou gaan maar ek kon nie’ (hypothetisch)
Dit gebruik van ‘wou gedoen het’, waar men eigenlijk ‘wou doen’ zou moeten gebruiken, noemt Ponelis (1979, p.272) ‘preteritale verplaasing’. Met betrekking tot ‘wou doen’ is het een bekend verschijnsel, maar het wordt ook toegepast op ‘kon doen’ en ‘moes doen’, hoewel op veel kleinere schaal dan in het geval van ‘wou doen’, bij voorbeeld ‘Die bediende moes die paadjie gevee het’= De bediende moest het paadje vegen. Maar als preteritale verplaatsing op deze manier toegepast wordt in plaats van het gewone imperfectum, ‘moes veeg’, te gebruiken, valt de zin samen met de Afrikaanse vertaling van ‘De bediende had het paadje moeten vegen’ (zie f). Er ontstaat dus een dubbelzinnigheid.6
‘Mog doen/mag gedoen het’ is een verhaal op zich. Zoals aangeduid onder a), is ‘mog’ zo goed als uitgestorven. De verleden tijd van ‘mag’ wordt gewoonlijk op twee manieren uitgedrukt, òf door ‘mag gedoen het’ òf door de perifrastische constructie ‘is toegelaat’, bij voorbeeld:
| Nederlands: Hij mocht niet gaan= | Hy mag nie gegaan het nie òf |
| Hy is nie toegelaat om te gaan nie |
Het gebruik van ‘mag gedoen het’ is dus nog een voorbeeld van preteritale verplaatsing, waar ‘mog’ in plaats van ‘mag’ gebruikt zou moeten worden om die constructie helemaal op één lijn te kunnen stellen met ‘kon/moes gedoen het’ in de betekenis van ‘kon/moes doen’ maar door het in onbruik raken van ‘mog’ is dat in dit geval niet mogelijk.
| h) | ‘kan gedoen het’ -- | ‘kon gedoen het’ valt dus ook samen met f) |
| ‘moet gedoen het’ -- | ‘moes gedoen het’ valt dus ook samen met f) |
De constructie ‘kan/moet gedoen het’ ondergaat, vooral in de spreektaal, een preteritale assimilatie met het gevolg dat die samenvalt met de constructie onder f), maar de constructie onder g) valt ook vaak samen met die onder f). Kortom:
| Nederlands: | |
| ‘kon/moes gedoen het’ | = 1) had kunnen/moeten doen (zie f) |
| = 2) kon/moest doen (zie g) | |
| = 3) kan/moet gedaan hebben (zie h) |
1) is standaard Afrikaans en 2) en 3) blijven alsnog voornamelijk beperkt tot de spreektaal. In deze constructie met betekenis 2) schijnt preteritale verplaatsing niet altijd mogelijk te zijn. Dit is namelijk het onderwerp van mijn onderzoek: onder welke omstandigheden is preteritale verplaatsing in de tweede betekenis met betrekking tot ‘kan’ en ‘moet’ wel mogelijk? Omdat dit verschijnsel zich schijnbaar vooralsnog alleen in de spreektaal voordoet, is het niet makkelijk om er greep op te krijgen.
i) (verleden tijd) ‘...om te kan/moet doen’ -- ‘om te kon/moes doen’
Het is de moeite waard om volledigheidshalve de lezer op nog een geval van preteritale assimilatie in het Afrikaans attent te maken. Wanneer een hoofdzin met het werkwoord in de verleden tijd gevolgd wordt door een beknopte bijzin, wordt de ‘tegenwoordige’
| PONELIS, F.A. Afrikaanse sintaksis, Pretoria, Van Schaik, 1979. | |
| SASSEN, A. ‘Een syntactisch ingvaeonisme?’, in Tabu p. 156-159. | |
| SCHOOR, J.L. VAN. Die grammatika van Standaard-Afrikaans, Kaapstad en Johannesburg, Lex Patria, 1983. | |
| VILLIERS, M. DE. Die grammatika van tyd en modaliteit. Kaapstad, Balkema, 1971. |