De laatste jaren is de belangstelling voor de 16de en 17de-eeuwse kluchten in belangrijke mate toegenomen. In 1985 verscheen de bloemlezing Van Bredero tot Langendyk onder redactie van Ornée, waarin 63 dichters vertegenwoordigd zijn, maar waarin Breughel en Huygens ontbreken. Wim Hüsken promoveerde in 1987 op Noyt meerder vreucht; Compositie en structuur van het komische toneel in de Nederlanden voor de Renaissance . Zijn beschrijvingsmethode is een nadere toepassing van het beschrijvingsmodel dat Bernadette Rey-Flaud in haar dissertatie La farce ou la machine à rire (1984) voor de Franse klucht gebruikt. Verder zijn er recentelijk kluchten opnieuw uitgegeven: De kluchten van Gerrit Hendericxsz van Breughel (1985), die Breughels Boertighe Cluchten uit 1610 en Het tvveede Deel Van Breughels boertige Cluchten uit 1612 bevat, en de Trijntje Cornelis van Huygens (1987). Het werk van deze laatste twee dichters staat centraal in deze bijdrage.
Breughel werd omstreeks 1573 waarschijnlijk te Antwerpen geboren, Huygens in 1596. Tussen Breughel en Huygens zit dus ruim een generatie verschil. Van Huygens is voldoende bekend dat hij op en top een renaissancist is. Breughel daarentegen is iemand die nog met één been in de Middeleeuwen staat. Aansluiting bij de Renaissance vinden we vooral in Cupido's Lusthof Ende Der Amoureusen Boogaert , de bundel met 21 emblemata en wat ander dichtwerk uit 1613 en - eerder - in De Tweede 50. Lustige Historien ofte Nieuwicheden Iohannis Boccatii uit 1605, met herdrukken in 1613 en 1644. (In 1564 had Coornhert de eerste 50 verhalen uit de Decamerone vertaald). Breughels literaire activiteiten moeten we verbinden met zijn lidmaatschap van de Brabantse Kamer 't Wit Lavendel te Amsterdam en met zijn dagelijks werk van drukkeruitgever. In uitgaven en publicaties toont Breughel zich gekant tegen ‘Roomen ende Spaengien’ en oordeelt hij gunstig over ‘de Eedlen van Oraengien Met noch die Eed'len groot, en Mogen't Staten wijs Die door Godts mogentheyt, behouden hebben prijs’, zoals Breughel in een pamflet uit 1618 schrijft1.
Breughels kluchten, die in 1610 en 1612 in zijn eigen bedrijf werden gedrukt, dateren uit vroeger tijd, de tijd dat hij in de rederijkerskamer nog ‘een leerent spruyt’ was. In die kamer werden zijn kluchten ‘minnelijc vertoont, speelwijs, door jonge sinnen // en vriendelijck aenschout, bij dien die Const beminnen’. Wanneer we nu bedenken dat de Brabantse Kamer in 1598 werd gesticht, dan lijkt het mij niet te gewaagd om te veronderstellen dat Breughel zijn kluchten rond 1600 schreef. De Trijntje Cornelis van Huygens is van een halve eeuw later: 1653.
De kluchten van Breughel zijn voor wat betreft de vorm puur rederijkerswerk in de middeleeuwse traditie. Hij gebruikt het vrije rederijkersvers, waarvan de lengte aanmerkelijk kon varieren, met gepaard rijm. Na elk rijmpaar komt in het volgende vers ergens in het midden een derde rijmwoord.
De niet-metrische, gepaard rijmende verzen zijn in de periode 1600-1730 steeds verre in de meerderheid. De bloemlezing van Ornée toont twee typen metrische verzen: de jambische vier-voeter en de alexandrijn, dat is de versregel met 6 jamben en halverwege een caesuur. Vanaf 1632 komen af en toe kluchten in deze voorname alexandrijnen voor: 1. De klucht van Pieter Soet-Vleys geschreven door G. Severins de Cuilla naar Starters Soetekau , 2. Iochem-Iool ofte Ialourschen-Pekelharingh (1636) geschreven door Ian Zoet. Huygens’ Trijntje Cornelis uit 1653 is eveneens in alexandrijnen geschreven. Al komt de alexandrijn al in de Middeleeuwen voor in het Leven van Sinte Lutgart en in Die Passie ons Heren , toch is de alexandrijn de metrische versregel die als exponent van de Renaissance het vrije ritme bij de ernstige dramatiek en bij de epiek breidelt. Deze alexandrijn brengt een harmonieuze ordening van klankgrepen in versregels tot stand die aanvankelijk nog speelse variaties toestond. Maar na de periode van de Barok, die zelfs de alexandrijn in beweging brengt, zal deze versvorm zichzelf in classicistische monotonie verstikken.
Het is geen toeval dat veel kluchtenschrijvers de traditie van het vrije rederijkersvers hebben gevolgd. Het ligt immers niet zo voor de hand om mensen uit de heffe des volks in vloeiende alexandrijnen te laten spreken. Bredero excuseert zich in zijn voorwoord van de Griane publiekelijk voor het feit dat hij ‘een Boer boerachtigh’ doet spreken en hij voegt eraan toe ‘ick hebbe soo geluckigh niet gheweest, dat ick sulcke welsprekende hebbe konnen kryghen’, dat is in vrije vertaling: Het is mij niet gelukt dezen tot welsprekendheid te brengen2. Ik ben blij toe. Laat de voornamen en hooggeplaatsten maar in alexandrijnen spreken en gun het gewone volk de vrijheid van het rederijkersvers.
We zullen nu de rederijkersverzen van Breughel vergelijken met de alexandrijnen van Huygens. Onze aandacht beperkt zich hierbij tot het gebruik van taalkundige grenzen aan het verseinde. Naast het
verseinde komt er in de verzen bij Breughel en Huygens ook nog een stilistische grens in het vers voor. Deze grens, die van veel minder gewicht is dan die aan het verseinde, laat ik in deze bijdrage verder buiten beschouwing.
Als uitgangspunt voor het vaststellen van de taalkundige grenzen neem ik niet de pauzes in de voordracht - die zijn te zeer afhankelijk van de spreker - maar het interpretatieproces. De lezer van een tekst moet zich een voorstelling maken van een beschreven werkelijkheid. Hij doet dit door de inhoud van de zinnen (hoofdzinnen/matrixzinnen) met elkaar te verbinden. Soms bevatten de zinnen zelf een aanwijzing die de relatie aangeeft. Voegwoorden als en, maar en want en bijwoorden als echter, verder, bovendien zijn in dit verband van belang. Het is echter niet zo, dat deze woorden de zinnen die ze met elkaar in verband brengen, tot grotere syntactische eenheden maken. De hoofdzin is de grootste syntactische eenheid die geïnterpreteerd kan worden. De predicerende verbanden binnen de hoofdzin, dat is de samenhang tussen onderwerp, gezegde, voorwerpen en bepalingen, maken van de hoofdzin een interpretatief geheel. Dit brengt met zich mee, dat de grenzen tussen hoofdzinnen de belangrijkste grenzen in een tekst zijn. Ik geef ze in citaten aan met een diagonale streep‘/’
Bijzinnen zijn naar hun structuur ook zinnen met predicerende verbanden. Hierin komen ze met hoofdzinnen overeen. Een belangrijk verschil met de hoofdzinnen is echter, dat de bijzin in zijn geheel een plaats heeft gekregen in de hoofdzin en bijvoorbeeld de redekundige functie van onderwerp of voorwerp of bepaling vervult. Van beknopte bijzinnen geldt hetzelfde. De grens tussen de bijzin en de zinsromp heeft dus een tweeslachtig karakter. Enerzijds begrenst hij de predicerende en derhalve interpretatieve eenheid van de bijzin. Anderzijds laat deze grens de mogelijkheid open om de bijzin als interpretatief geheel in te passen in de hoofdzin. Hier hebben we met een semi-permeabele grens te maken. Deze is aangegeven d.m.v. ‘+’. Ik zal enkele voorbeelden geven. (Breughel 1985, dl. 2, kol. 204).
1)
In2 is aangegeven in welke mate hoofdzingrenzen en semipermeabele grenzen samenvallen met de stilistische grens aan het verseinde. Voor dit onderzoek zijn 500 verzen uit Breughels kluchten en 500 alexandrijnen uit de Trijntje Cornelis bestudeerd3.

Met behulp van Figuur 1 en 2 uit (2) zullen we nu de situatie aan het verseinde gedetailleerder bekijken. Verticaal staan de percentages aangegeven en horizontaal staan de vijftigtallen verzen genoteerd. De linker en rechter kolom geven het gemiddelde over de 500 verzen aan. Met behulp van dit gegeven kan worden nagegaan in welke tekstfragmenten zich grote afwijkingen van het gemiddelde bij een dichter voordoen. Ik wijs erop dat er nu dus twee vraagstellingen aan de orde zijn:
| 1. | de vergelijking van verschillende dichters op basis van de gemiddelden van tekstbestanden; |
| 2. | de analyse van het verloop van de verschillende curven in de grafiek van één tekstbestand van een dichter. |
Door vergelijking van de gemiddelden en de curven in figuur 1 en 2 zijn de verschillen tussen Breughel en Huygens zichtbaar geworden. Ik bespreek figuur 1. Het gebied van de basislijn tot de stippeltjes geeft het percentage taalkundige grenzen tussen bijzinnen en hun regerende zin aan. Het gebied tussen de basislijn en de streepjeslijn toont het percentage hoofdzingrenzen. Het gedeelte tussen de basislijn en de ononderbroken
lijn is een aanduiding van het percentage van de hoofdzingrenzen en niet-hoofdzingrenzen. De taalkundige enjambementen zitten in het gedeelte boven de ononderbroken lijn.
Het is opvallend, dat de totaal-curve bij Breughel vanaf 250 sterk naar beneden buigt en na 300 weer naar boven loopt. Wanneer we nu het betreffende tekstgedeelte gaan bezien, komen we tot de conclusie dat ze op rekening van één toneelfiguur komen. De situatie is als volgt. Vader Bouwen is een slapjanus met nog enig gevoel voor deugdzaamheid. Moeder Pleun is de baas in huis. Hun zoon zal gaan trouwen met Geyltgen, die van hem in verwachting is. Dan dient zich het oer-Nederlandse probleem aan: hoe moeten we dat allemaal betalen? Geyltgen weet er wat op. Toen een vriendinnetje van haar ging trouwen, drukten alle meisjes die op het feest kwamen, iets van hun baas of meesteres achterover. ‘Dat is diefstal’, durft Bouwen te zeggen. Pleun rectificeert zijn uitspraak: ‘Het zijn handigheidjes’. Het fragment luidt aldus: Breughel 1985, dl.2, kol.123, 124.
3)
De enjambementen in dit gedeelte geven een aanwijsbare ‘schwung’ aan het relaas van Geyltgen. Hier krijgt haar enthousiasme een stilistische ondersteuning.
Uit de curve van de ononderbroken lijn in figuur 2 blijkt dat het gebruik van het enjambement bij Huygens veel gewoner is dan bij Breughel. Bij Huygens enjambeert één op de vijf versregels. Als we nu deelverzamelingen gaan maken van verseinden waar dezelfde persoon de tekst vervolgt en we verzamelen ook de enjambementen per sprekend personage, dan krijgen we onderstaand overzicht.
4) Schema 2
| aantal verseinden | aantal enjamb. | perc. enjamb. | |
| Marie (Antwerpen) | 247 | 58 | 23.6 v. 247 |
| Francisco (Antw.) | 104 | 29 | 27.9 v. 104 |
| Tryntie (Waterl.) | 76 | 11 | 14.5 v. 76 |
| Paschier (Antw.) | 3 | 0 | - |
Nu zijn we nog niet uit de problematiek. Het is verleidelijk om te zeggen dat Huygens de zwierigheid van de Antwerpenaars in zijn klucht mede gestalte wil geven door het veelvuldig gebruik van het enjambement. Nergens doet zich bij de Waterlandse Trijntje namelijk een cumulatie van enjambementen in haar tekst voor, zelfs niet als zij vreugdevol reageert op het bericht dat haar man eraan komt. De Antwerpse Marie en Francisco enjamberen in hun gewone conversatie echter ook niet veel. Wanneer zij daarentegen bij Trijn in het gevlei willen komen en haar proberen in te palmen, dan laat Huygens de Antwerpse snol en pol (hoerenloper) veelvuldig enjamberen. Hij rondt als het ware de scherpe hoeken aan het eind van de versregels af. Dat zien we al meteen in de openingsscène, waar Marie de haar volkomen onbekende Trijn in huis probeert te krijgen (vs. 149-174).
Met deze bijdrage heb ik belangstelling willen wekken voor het onderzoek naar de relatie tussen taalkunde en stijlleer4. Dit onderzoek kan zich toespitsen op de mate waarin taalkundige (met name syntactische) grenzen en stilistische grenzen samenvallen. In deze bijdrage is alleen de situatie bij het verseinde in ogenschouw genomen in kluchten van Breughel en Huygens.
Het onderzoek naar de gemiddelden van de taalkundig-stilistische samenval van grenzen in berijmde teksten zal het inzicht vergroten in rol van de versificatie in de verschillende literairhistorische perioden. Het onderzoek naar de variatie in het
verloop van deze samenval per berijmde tekst verhoogt het inzicht in de al dan niet bewuste motiveringen bij de dichter die tot opmerkelijke verschillen in dit verloop hebben geleid. Beide analyses kunnen een bijdrage leveren tot het beoordelen van de technische vakbekwaamheid van een dichter.
| BERG, E.van den. Middelnederlandse versbouw en syntaxis. Utrecht, 1983. | |
| BERG, E.van den. Van Bredero tot Langendijk onder red.van W.A.Ornée. z.p., z.j. | |
| BREUGHEL, G.H.van. De kluchten van Gerrit Hendericxsz van Breughel. Tekstuitgave met inleiding, taalkundige studies en tekst-verklaringen door J.A.van Leuvensteijn, 3 bnd. Amsterdam, 1985. | |
| HUESKEN, W.N.M. Noyt meerder vreucht. Deventer, 1987. | |
| HUYGENS, C. Trijntje Cornelis, uitg.door H.M. Hermkens. dl.1, 2 bnd. Utrecht, 1987. | |
| LEUVENSTEIJN, J.A.van. Boekbespreking van E.van den Berg. Middel-nederlandse versbouw en syntaxis. Spektator 14 (1984/1985), 477-479. | |
| LEUVENSTEIJN, J.A.van. ‘Schermen met Bredero, de “Voor reden” tot de Griane’. De nieuwe taalgids 80 (1987), 331 334. | |
| LEUVENSTEIJN, J.A.van. ‘Versbouw en zinsbouw in Huygens’ Hofwijck; een concept beschrijvingsmodel’. De zeventiende eeuw 3 (1987) [Huygens nummer], 91 98. | |
| LEUVENSTEIJN, J.A.van. ‘Stylistic Boundaries and Linguistic Boundaries in Breughel and Vondel’. Te verschijnen in Distributions spatiales et temporelles, constellations des manuscrits, (réd.) K.van Reenen, P.Th.van Reenen. | |
| LEUVENSTEIJN, J.A.van. ‘Het dichten is een schone zaak; een studie over taalkundige en stilistische grenzen in berijmde teksten’. Te verschijnen in Voortgang. | |
| REY FLAUD, B. La farce ou la machine à rire. Genève, 1984. |