Niet alleen in Europa, maar ook in het Caraïbisch gebied wordt er literatuur in het Nederlands geschreven, namelijk door auteurs uit Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba. Deze literatuur verwoordt evenwel een niet-Nederlandse, Caraïbische cultuur.
De Nederlands-Caraïbische literatuur zou ik in drie perioden willen verdelen:
| 1. | de koloniale tot de emancipatie in 1863; |
| 2. | de koloniale vanaf 1863 tot rond 1954 en |
| 3. | de moderne literatuur. |
Het hierna volgende behandelt een aspect van de eerste periode.
Het bovenstaande gedicht verschaft mij de mogelijkheid iets te laten zien van een terrein waarop ik enkele jaren intensief onderzoek verricht heb: poëzie in De Curaçaosche Courant van 1812 tot 1865.
Nam men tot nu toe algemeen aan dat de literatuur op de Nederlandse Antillen pas aan het einde van de 19de eeuw was begonnen, nu zien we dat ze al een kleine eeuw eerder ontstond. Zo past Curaçao ook beter in de ontwikkeling van bij voorbeeld Suriname (waar aan het einde van de 18de eeuw de poëzie begint) en de rest van het Caraïbisch gebied. Vanaf de eerste publicatiemogelijkheid - De Curaçaosche Courant - schreef ‘men’ poëzie en soms ook proza en toneel met literaire intentie.
Als we daarbij, uitgaande van het literaire communicatieproces, allereerst de auteurs en de lezers beschouwen, zien we dat de auteurs Curaçaoenaars waren die op dat eiland geboren waren of er al lang woonden. Ze behoorden niet tot de hoogste elite, maar waren middenstanders: planter, handelaar, predikant of onderwijzer. Voor zover men tenminste onder zijn eigen naam publiceerde en niet onder pseudoniem of zelfs anoniem; van deze grote categorie weten we niets. Dezelfde groep zal ook de lezerskring gevormd hebben: de kleine blanke bovenlaag in een kolonie die gekenmerkt werd door slavernij. De gekleurde en zwarte meerderheid van vrijen en slaven komt in de geschreven literatuur niet aan bod - zelfs nauwelijks als onderwerp of thema.
Kijken we vervolgens naar de gedichten zelf, dan kunnen we iets opmerken over de taal, de vorm en de inhoud.
Curaçao was ook al in de 19de eeuw multilinguaal: naast Papiamento, de taal tussen meesters en slaven en tussen Hollanders en Portugees-Joodse kooplieden, werden Spaans, Engels en Nederlands gesproken. De laatste taal was de officiële bestuurstaal en is dat nu nog, evenals onderwijstaal. Maar het Papiamento was en is de normale omgangstaal. In de orale literatuur vinden we dit Papiamento terug, maar de geschreven letteren zoals in de koloniale elitekrant waren in de taal van het moederland: Engels in de Engelse tijd (van 1807 tot 1816), Nederlands in de Nederlandse tijd vanaf 1816. Toneelactiviteiten vonden wonderlijk genoeg vrijwel uitsluitend plaats in het Frans. Het bovenstaande gedicht en andere geven nadere indicaties over wie en wat men las en bewonderde.
Een dichter heeft een lange weg af te leggen eer hij de top van de Helicon beklommen heeft - om in de beelden van de dichters zelf te spreken. Hij moet allereerst zijn taal, zijn moedertaal goed leren en ervoor zorgen dat hij de grammatica beheerst.
Daarna moet hij de beste schrijvers lezen, als daar zijn Cats, Hooft, Vondel, Helmers, Van Merken, Feith, Tollens en Bilderdijk (dus uit de tijd van de Renaissance tot en met de eigen Romantische tijd).
De dichters plaatsen boven hun gedichten verschillende motto 's, die iets vertellen over wat ze lezen. Nederlandse auteurs als Vondel, Spandaw, Langendijk, Da Costa komen voor. Daarnaast zien we motto 's uit de klassieken en de bijbel, van Engelse schrijvers (Shakespeare, Byron), Franse (Boileau, Voltaire) en Duitse (Schiller). Men vertaalde en bewerkte ‘een der oude Nederlandsche rymers’ of ‘een oud Hollandsch deuntje’, het ‘Wien Neerlands bloed’ en veel Engelse schrijvers van wie speciaal Byron en Shakespeare; enkele Duitse: Hagedorn, Klopstock en Cramer; en ook Franse, onder wie Voltaire, Millevoi, de Lamartine en Bouffler. Men vertaalde ook uit het Latijn, Zweeds en Italiaans. Maar het overgrote deel van de poëzie, zo 'n 80% was toch origineel.
Al deze motto 's, leesadviezen en bewerkingen geven iets weer van wat in het 19de-eeuwse Curaçao bekend en populair was. Ze laten ons ook nog zien wat men toen las en waardeerde. Daar zijn figuren onder die we nu als tweederangs beschouwen, maar ook groten; ouderen en jongeren. Wat de Nederlands auteurs betreft merk ik op dat men aansloot bij de waardering die men in Nederland op dat moment koesterde: men was terdege op de hoogte.
Al oordelen we nu over deze vroeg-19de-eeuwse dichters als gelegenheidsdichters met de nadruk op ‘gelegenheid’, de klemtoon lag voor de betrokkenen waarschijnlijk toch wel op ‘dichters’. Uit reacties op andermans werk en op het eigene krijgen we het idee dat men zich Dichter voelde in de traditie van de 18de-eeuwse dichtgenootschappen.
Men wees het rijm niet af, maar wel de rijmelarij. Uit diverse gedichten is impliciet of expliciet op te maken aan welke eisen een gedicht kennelijk moest voldoen volgens de 19de-eeuwse Curaçaose poëtische maatstaven. Rijm moet onopvallend en origineel toegepast worden; het mag niet versleten zijn en men mag het niet ‘slaafsch’ of dwangmatig gebruiken. Woorden moeten bewust geschreven worden, zonder dat er een letter teveel gebruikt wordt. Het gedicht moet men polijsten: men schoeit de woorden als op een leest... De dichter moet maat houden; het gedicht mag niet ‘in en uit de maat huppelen’. Daarnaast moet de dichter ‘geest’ en ‘vernuft’ bezitten; zijn taal en stijl moeten blijk geven van ‘dichtvuur’ en ‘Apollo 's gloed’; een treurspel zonder ziel... verjaagt zelfs kwaadaardige spoken! De dichters hebben de pen vol van Apollo, de Olympus, Pegasus en de ‘zanggodinnen’.
In de 19de-eeuwse Curaçaose poëtica staat proza tot poëzie als gewoon tot verheven, geheel volgens de algemene literaire opvatting van die tijd. Als een werk niet verheven genoeg is, dan schiet het poëtisch te kort en wordt het gekraakt als een ‘prozaïsch’ stuk. Als je geen dichtvuur bezit kun je beter proza schrijven, maaar als de poëzie wel het juiste ‘vuur’ bezit kan ze de mens tot een halve god verheffen: poëzie is voor de goden.
Meer dan de helft van de ongeveer 250 gedichten die ik vond was zuivere gelegenheidspoëzie. Men zag een veelheid van aanleidingen om naar de pen te grijpen.
Curaçao komt slechts zo'n vijftien keer voor als onderwerp. Interessant is het te constateren dan men in 1834 wel schrijft over 200 jaar Nederlandse koloniale aanwezigheid, doch niets over de emancipatie van de slaven in 1863. Vooral dat laatste lijkt me onthullend. De herdenking van 300 jaar kerkhervorming in 1817 was wel goed voor een drietal gedichten. De poëzie is duidelijk die van de blanke protestantse bovenlaag.
Enkele dichters schreven over belangrijke feiten uit de Zuidamerikaanse onafhankelijkheidsstrijd van Bolivar en Brion tegen de Spanjaarden; Curaçao koos voor de opstandelingen zonder daar consequenties aan te verbinden voor de eigen situatie. Nederland en Curaçao zijn één: de Nederlandse Vorst en zijn plaatsvervanger in de kolonie (de gouverneur) worden uitgebreid bezongen op verjaardagen en hoogtijdagen; amusant zijn de anti-Belgische gedichten naar aanleiding van de Belgische Revolutie in 1830. Daarnaast had men ook aandacht voor het wereldgebeuren in ruime zin: de Franse tijd en de nederlagen van Napoleon en zijn verbanning; de Grieks-Turkse oorlog; de Barbarijse zeerovers, enzovoort.
Tot slot noem ik de persoonlijker poëzie in de vorm van humoristisch-belerende gedichten of de verheerlijking van deugd, huiselijkheid en godsdienst.
Vorm en inhoud kenschetsen de poëzie van het koloniale Curaçao als burgerlijk, ‘status-quo’-bevestigend gelegenheidswerk. Maar daardoor geeft deze literair-esthetisch weinig waardevolle poëtische overlevering ons juist een aanvullend beeld van de Curaçaose maatschappij. Als zodanig is ze waardevol en werd ze tot nu toe ten onrechte veronachtzaamd.
Voor een volledig overzicht: Wim Rutgers: Het nulde hoofdstuk van de Antilliaanse literatuur; Koloniale poëzie in De Curaçaosche Courant. Uitgegeven door Charuba op Aruba, 1988, 399p.