|
|
|
| |
| | | |
Idioom: Meer dan het zout in de pap De didactiek van idioom in
het vreemde-talenonderwijs Y. Timman (Amsterdam)
| |
1. Inleiding
In dit artikel zal ik eerst ingaan op de begrippen ‘idioom’ en
‘idiomatisering’. Hierbij maak ik een onderscheid in verschillende typen
uitingen die als min of meer vast geheel functioneren.
Vervolgens bespreek ik de functie van idioom in taalgebruik.
Dan komt de rol die idioom in taalleren speelt of zou kunnen spelen aan de
orde. Ik bespreek achtereenvolgens de volgende punten met betrekking tot de
didactiek van idioom in het Nederlands als Vreemde Taal:
| - | fasering aanbod idioom in een cursus, |
| - | selectiecriteria idioom, |
| - | wijze van aanbod, |
| - | wijze van uitleg betekenis, |
| - | verschillende soorten oefeningen voor semantisering en consolidering
van idiomatische uitdrukkingen. |
| |
2. Vaste woordcombinaties en idioom
Om maar met de deur in huis te vallen, de taal, vooral de gesproken taal, zit
vol met idiomatische en andere min of meer vaste uitingen. Het verschijnsel
idioom speelt zowel kwantitatief als kwalitatief bezien een grote rol in
taalgebruik. Laten we eens naar het volgende stukje gesproken taal kijken.
Het is een fragment uit een interview met een manager bij een
schoonmaakbedrijf. Hij vertelt hoe hij zijn werk begon als schoonmaker.
[...] in de beginjaren heb ik echt gouden jaren gehad. Nou had ik
ook [...] een prima stel collega's, dat we echt als een trein draaiden. Dat
was fantastisch, dat vond ik een van de mooiste tijden die ik heb gehad
ooit. En eh ja, ook eh 't was dan ook in een ziekenhuis, ja, en | | | | dan was je kind aan huis, je kon alles maken wat je maar wilde. maar [...]
d'r werd ook hard gewerkt en d'r werd gelachen en gein gemaakt en
[...].1
In dit fragment zien we een aantal echt idiomatische uitingen, namelijk: als een trein draaien en kind aan huis
zijn. De betekenis van deze uitingen is niet afleidbaar uit de
afzonderlijke woorden en de structuur waarin deze staan. Idiomatische
uitingen fungeren als geheel en de betekenis wordt door het geheel gedragen.
Ook op syntactisch niveau kenmerkt idioom zich door een mate van stolling:
idiomatische uitingen zijn niet zo vrij variabel als nietidiomatische.
In het fragment worden ook een aantal uitingen gebruikt waarover te twisten
valt of ze al dan niet het predikaat ‘idioom’ zouden moeten krijgen: gouden jaren hebben, een prima stel collega's, je kon alles
maken wat je maar wilde, gein maken. Deze uitingen zijn wellicht
strikt genomen niet idiomatisch, maar ze functioneren wel als een geheel.
Dat er zoveel grensgevallen zijn is geen toeval. Het onderscheid tussen
idioom en niet-idioom is niet absoluut: veel uitingen zijn min of meer
idiomatisch. In taalgebruik vindt voortdurend idiomatisering plaats, dat wil
zeggen: een ontwikkeling waarbij een taaluiting steeds meer als een geheel
gaat functioneren om uiteindelijk idioom te worden. Zo is de betekenis van
de telefoonroutine: met wie spreek ik? wel afleidbaar,
maar deze uiting wordt als geheel geproduceerd door de spreker en ook als
geheel door de hoorder geïnterpreteerd. De uiting is ook niet vrij variabel
meer: spreken is immers niet te vervangen door praten. Het lijkt me dan ook belangrijk dat dergelijke
uitingen in het vreemde-talenonderwijs als geheel worden aangeboden.
In alledaags taalgebruik gaan mensen niet alleen construerend te werk door
elementen uit het lexicon volgens grammaticaregels tot zinnen te combineren,
maar ze putten ook uit een voorraad kant en klare zinsdelen of zinnen. Met
andere woorden: taalgebruik wordt niet alleen door analytische principes
geregeerd maar ook door holistische (Coulmas 1981). Het holistische principe
speelt ook een rol in ongestuurde verwerving van de moedertaal of een tweede
taal. Hoe belangrijk die rol is, hangt mede van het type leerder af: sommige
leerders zijn meer op gehelen gericht, anderen zijn meer analytisch
ingesteld. Voor alle leerders echter geldt dat men niet alleen aan de
analytische kant van taal en taalgebruik aandacht zal moeten besteden maar
ook aan de holistische.
| | | |
In de veelheid van alle min of meer vaste woordcombinaties zijn verschillende
typen te onderscheiden. Een mogelijke onderscheiding is de volgende:
| - | werkwoord + vast voorzetsel: wachten op, rekenen op,
enz.; |
| - | collocaties (werkwoord + zelfstandig naamwoord): belangen
behartigen, maatregelen nemen, rekening houden met, enz.; |
| - | woordgroepen (vooral bijwoorden): in het algemeen, in z'n
geheel, vanalles-en-nog-wat, zo nu en dan, enz.; |
| - | formules en routines: uitdrukkingen die mensen vaak gebruiken bij het
leggen van contact en het reguleren van gesprekken. Bij voorbeeld:
hoe staan de zaken?, nou, ik moet er weer 's
vandoor. Onder routines kun je ook formules plaatsen, vaste
uitdrukkingen die in bepaalde situaties gebruikt worden: smakelijk eten, hartelijk gefeliciteerd, etc. Routines zijn
vaak idiomatisch, bij voorbeeld: maar nu alle gekheid op
een stokje, maar qua betekenis kunnen ze ook niet-idiomatisch
zijn, zoals doe de groeten aan je vrouw. |
| - | idiomatische uitdrukkingen: deze uitingen bevatten vaak beeldspraak:
in de soep lopen, met de handen in het haar zitten, van
de prins geen kwaad weten. Deze beeldspraak is soms doorzichtig
(zoals in: op hete kolen zitten, de kool en de geit sparen,
het kind met het badwater weggooien). Je kunt dan vaak de
uiting ook letterlijk (dus niet-idiomatisch) opvatten en soms ontmoeten
de letterlijke en figuurlijke betekenis elkaar: het feest
is door de regen in het water gevallen, na de komst van de
deurwaarder stonden ze op de keien. Vaak is de beeldspraak
echter voor de doorsnee taalgebruiker niet doorzichtig, omdat men
speciale kennis moet hebben om het beeld te begrijpen zoals in: aan de kaak stellen, om de haverklap, vechten tegen de
bierkaai. |
| - | spreekwoorden: een goed begin is het halve werk, zoals de
waard is [...], enz. |
| - | andere min of meer vaste vaste uitingen: ik heb er genoeg
van, ik laat het er niet bij zitten, daar kan je niet omheen,
enz. Dergelijke uitingen komen zeer veel voor in
spreektaal. |
Tussen deze verschillende soorten vaste combinaties zijn veel overlappingen.
Hoewel alle bovengenoemde combinaties belangrijk zijn voor het
vreemdetalenonderwijs, zal ik me om praktische redenen in de rest van dit
betoog beperken tot idiomatische uitingen. Overigens geldt veel van wat over
de | | | | didactiek van idioom gezegd wordt, ook voor andere als geheel
functionerende uitingen.
| |
3. Functie van idioom
Idioom heeft een speciale functie in taalgebruik. Als we nog even terugkijken
naar het fragment uit het interview met de manager kan men de vraag stellen
of deze man zonder idiomatisch te spreken hetzelfde over die goeie, ouwe tijd over zou kunnen brengen.
In het algemeen zie je bij het uiten van gevoelens zoals boosheid,
ontroering, verbazing vaak clusters idiomatische uitdrukkingen optreden.
Idioom is te beschouwen als niet-algemeen, als gekleurd taalgebruik. Er zijn
wel uitdrukkingen die algemeen zijn en die dus in veel situaties gebruikt
kunnen worden, zoals iets voor ogen hebben of op de hoogte zijn, maar in het algemeen gesproken is idioomrijk
taalgebruik informeel taalgebruik. Veel uitdrukkingen zijn niet in formele
en neutrale situaties te gebruiken, omdat zij ingekleurd zijn door
variabelen als leeftijd, sociale groep, regio en sexe. Vergelijkt u de
uiting houd je me soms voor het lapje? met zit je me soms in de maling te nemen?. De denotatieve betekenis is
hetzelfde, de uitdrukkingen verwijzen naar eenzelfde verschijnsel in de
werkelijkheid, namelijk: iemand voor de gek houden. De connotatieve
betekenis verschilt echter en hierdoor is de gebruikswijze anders. Voor het lapje houden klinkt oubollig, het komt in
kinderboeken voor en zou door een oma gezegd kunnen worden. In
de maling nemen klinkt wat stoerder, maar is nog altijd in meer
situaties te gebruiken dan in de zeik zetten. In het
gebruik van deze verschillende uitingen zijn van invloed de leeftijd, de
sexe, en de sociale groep waar spreker en hoorder toe behoren.
Voor het vreemde-talenonderwijs betekent dit dat niet alleen de denotatieve
betekenis van uitdrukkingen geleerd moet worden, maar ook de gebruikswijze:
in welke situatie en in welke context kan deze uiting gebruikt worden? Voor
een vreemde-taalleerder is volledig begrip van idioom en het juiste gebruik
vaak erg moeilijk door de sociale en emotionele lading. Maar juist hierdoor,
door het beeldende en niet-algemene karakter is idioom zo wezenlijk in
communicatie. Taalgebruikers bevestigen de band met elkaar, drukken
groepsidentiteit uit door het gebruik van uitdrukkingen. Taalgebruik zonder
idioom is levenloos en pragmatisch gezien niet adequaat.
| | | |
Om deze reden is idioom niet alleen iets voor gevorderde vreemde-taalleerders
die de puntjes op de i willen zetten, maar moet er om het echte Nederlands
te leren vanaf het begin aan idioom gewerkt worden.
| |
4. Algemene opbouw idioomonderwijs
Idioom krijgt op de meest natuurlijke wijze een plaats in een leergang waarin
leerstof geboden wordt op het terrein van de pragmatische competentie en
waarin de (of een) leerlijn gevormd wordt door taalhandelingen. Bij de
taalhandeling kennis maken kan dan bij voorbeeld hoe maakt u het? (formeel) en hee, een nieuw
gezicht! (informeel) aan de orde komen, bij ‘zeggen dat je het er
niet mee eens bent’: ik zou daar graag een kanttekening bij
willen maken (formeel) of hee, zo zijn we niet
getrouwd (informeel).2
In de eerste, de elementaire fase wordt aangepast luister- en leesmateriaal
aangeboden dat naast eenvoudige structuren en frequente woorden een aantal
alledaagse idiomatische uitingen bevat zoals: wat is er aan de
hand? en ga je gang. Met het principe van idioom,
namelijk dat de betekenis van de uiting door het geheel gedragen wordt,
wordt in de cursus dus van het begin af aan gewerkt.
Zo snel mogelijk worden voor leerders op basisniveau de aangepaste teksten
vervangen door korte authentieke lees- en luisterteksten of fragmenten
daaruit. Het idioom dat aan de orde komt, heeft dan nog een algemeen
karakter. Een paar voorbeelden van uitdrukkingen die hierbij aangeboden
zouden kunnen worden: op de hoogte zijn, in de gaten hebben,
een hekel hebben aan.
Gaandeweg worden de luister- en leesteksten steeds langer en rijker aan
idioom. Nu gaat ook idioom met een groepsgebonden karakter een steeds
grotere rol spelen.
| |
5. Welke idiomatische uitdrukkingen?
Als eerste twee criteria voor de selectie van idiomatische uitdrukkingen en
voor de volgorde van behandeling moeten de frequentie en het belang voor de
cursist genoemd worden. Helaas zijn er nog weinig gegevens over frequentie
van uitdrukkingen. Als docent moet je dus eigenlijk wel op je intuïtie
afgaan en/of in samenwerking met andere docenten aan de slag gaan met het
bijhouden van lijsten uitdrukkingen.
| | | |
Een bruikbaar boekje met veel alledaags idioom is het Spreekwoordenboek van Faber e.a. (z.j.).
Onder ‘belang voor de cursist’ vallen leerwensen en leerdoelen: in welke
situaties de leerder wil/moet communiceren, of hij/zij vooral de
uitdrukkingen van de spreektaal of ook schrijftaaluitdrukkingen wil/moet
leren, etc. Hierbij zou ook betrokken moeten worden in welke specifieke
groepen taalgebruikers de leerder moet kunnen communiceren.
Door de keuze van de teksten, die onder meer afhankelijk is van doelgroep en
doelstelling van de cursus, kan men beïnvloeden welke uitdrukkingen er aan
bod komen. Voor de populaire uitdrukkingen zoals wat heb ik nou
aan m'n fiets hangen? of maak je niet te sappel
kan men het beste naar komische series op de TV en de reclame kijken, voor
schrijftaaluitdrukkingen als in zwang zijn is een
verhandeling in een tijdschrift beter.
| |
6. De wijze van aanbod
Het is af te raden om clusters van uitdrukkingen aan te bieden die
geassocieerd zijn op de letterlijke betekenis zoals een boom
opzetten, door de bomen het bos niet meer zien, etc. Zoals gezegd,
is de betekenis van idioom in principe onafleidbaar, en de kans is groot dat
de leerder verdwaalt in een bos van beelden en allerlei verkeerde verbanden
legt.
Essentieel is dat idiomatische uitdrukkingen in context worden aangeboden,
omdat de betekenis van deze uitingen vaak sterk contextafhankelijk is. De
betekenis van een idiomatische uitdrukking die in een bepaalde context
globaal duidelijk is, zal door het begrijpen van die uiting in meer
contexten steeds meer gespecificeerd worden. Wat betekent dit? Wanneer de
betekenis van een uitdrukking die de leerder voor de eerste keer
aangetroffen heeft, globaal duidelijk is, moeten een aantal andere contexten
volgen waarin de uiting voor kan komen. De leerder kan dan steeds meer van
de betekenis begrijpen en aanvoelen.
De idiomatische uitdrukking-in-context kan aangeboden worden in lees- en
luisterteksten (een voorbeeld van een luistertekst is het bovenstaande
fragment uit het interview met de manager), TV- en video-programma's van
allerlei aard, in taalgebruikssituaties tijdens de les of daarbuiten.
Een zeer geschikt TV-programma is de serie ‘Prettig geregeld’ van de NCRV
(Geurts 1990). Iedere aflevering duurt een half uur. Er wordt vaak
idiomatisch in gesproken, maar het aantal uitdrukkingen is niet al te groot
en | | | | het gebruik ervan niet te gecompliceerd. Er vinden mooie
stukjes interactie plaats wat naast echt idiomatische uitdrukkingen ook
routines, formules, en vooral ook ‘overige min of meer vaste uitingen’ (o.a.
gesprekstopen als je meent het!, wat zegt u me nou!)
oplevert.
| |
7. Wijze van uitleg betekenis
De betekenis kan op verschillende manieren duidelijk gemaakt worden. De
docent kan in eerste instantie uitleg geven door de betekenis te
omschrijven, bij voorbeeld: in de puree zitten is: in een moeilijke situatie zijn.
Belangrijk is ook om verbanden met andere uitingen aan te geven:
| - | door synonieme uitdrukkingen die wel bekend zijn te noemen, bij
voorbeeld: iemand zand in de ogen strooien is: iemand om de tuin leiden, |
| - | door een tegenstelling te geven die wel bekend is, bij voorbeeld: ik heb er een hekel aan tegenover: ik ben
er gek op. |
Daarbij kan men de betekenis uitbeelden door te handelen. Zo kun je iemand in de gaten houden goed duidelijk maken door iemand
daadwerkelijk in de les in de gaten te houden. Ook foto's en tekeningen
kunnen gebruikt worden.
Bij het uitleggen en uitbeelden van de betekenis van een uiting die een
duidelijke beeldspraak bevat, ligt het voor de hand om ook de letterlijke
betekenis bij de uitleg te betrekken. Vaak vinden cursisten het leuk
beeldspraak te begrijpen. Sommige beelden zijn universeel, andere juist
cultuurspecifiek. Hierover spreken heeft vaak een gevoelsmatige betekenis
voor de leerder waardoor de vreemde taal vertrouwder kan worden. En dat
stimuleert de verwerving. Daarbij komt dat betekenissen beter onthouden
worden als men naast de verbale, abstracte betekenis ook een concreet, een
visueel beeld heeft.
Belangrijk bij de betekenistoekenning is het geven van voorbeelden van
situaties waarin de uitdrukking gebruikt wordt. Hierbij gaat het erom dat de
contexten pregnant zijn: de betekenis van de uiting moet er als het ware
vanzelf uit naar voren komen.
Dat brengt me op een andere leerweg: het laten ontdekken van de betekenis
door de cursisten zelf. Schouten-van Parreren
(1985) heeft deze raadmethode uitgewerkt voor woorden leren in het
vreemde-talenonderwijs. Zelf ontdekte betekenissen worden over het algemeen
goed onthouden. Wel moet men bij | | | | het laten raden van idioom
voorzichtig te werk gaan. Zeker wanneer de letterlijke betekenis van de
woorden die de uitdrukking vormen, wel bekend is, is de kans groot dat men
de werkelijke betekenis van de letterlijke probeert af te leiden. Ervan
uitgaande dat onafleidbaarheid van betekenis het kenmerk van idioom is, kan
men makkelijk door associaties bij de letterlijke betekenis op een vals
spoor komen. En als zo'n spoor eenmaal gelegd is, is het moeilijk het weer
helemaal uit te wissen. Niet alleen goed geraden, maar ook fout geraden
betekenissen hebben de eigenschap goed te beklijven. Men zal dus bij het
laten raden van de betekenis van idiomatische uitingen nog voorzichtiger te
werk moeten gaan dan in het geval van het laten raden van woorden. De
context moet werkelijk pregnant zijn en na het raden moet besproken worden
hoe men tot de betekenis gekomen is.
| |
8. Soorten oefeningen
Een eerste oefening kan zijn: het leren herkennen van idiomatische
uitdrukkingen in teksten. Wanneer er in een tekst woorden voorkomen die niet
in het verband passen, is het hoogst waarschijnlijk dat het om idioom gaat.
De cursisten kunnen in een leestekst onderstrepen wat naar hun idee idioom
is.
Ook bij een luistertekst kan idioom na het luisteren in de schriftelijke
weergave onderstreept worden. Je kunt het herkennen van idioom ook oefenen
door de cursisten al voor het luisteren een rijtje uitdrukkingen te geven.
Tijdens het luisteren moeten ze dan de betreffende uiting aankruisen wanneer
ze een uitdrukking horen.
Om de verbanden van de betreffende uiting met andere uitingen op een
receptieve wijze te oefenen kun je twee kolommen geven. De leerder moet dan
de passende uitingen bij elkaar zoeken. Dit kan gedaan worden met:
| - | omschrijvingen van betekenis |
| - | synonieme uitdrukkingen |
| - | tegengestelde uitdrukkingen. |
Deze relaties tussen uitingen kunnen ook produktief geoefend worden door open
vragen zoals: ‘wat is het tegengestelde van in de put
zitten?’
Essentieel zijn contextoefeningen. De uitdrukkingen kunnen uit een tekst
weggelaten worden en in een reeks bij de tekst gegeven worden. De cursist
moet dan de goede uiting op de goede plaats invullen. Dit kan men moeilij-
| | | | ker maken door de reeks aan te vullen met een paar uitingen
die niet in de tekst passen. Nog moeilijker is een gatentekst die geheel
open is. De cursist moet dan de in te vullen uitdrukkingen zelf bedenken.
Voorts kan men situaties schetsen en daarbij een meerkeuzevraag geven. Een
voorbeeld naar aanleiding van een aflevering van ‘Prettig geregeld’: Trees
heeft net gehoord dat ze niet opnieuw rijexamen hoeft te doen. Ze zegt:
| a. | ‘Dat ligt als een steen op mijn maag.’ |
| b. | ‘Dat is een pak van mijn hart!’ |
| c. | ‘Ik krijg een brok in mijn keel.’ |
Dan zijn er verschillende soorten rubriceeroefeningen. Uitdrukkingen kunnen
naar betekenis onder een rubriek geplaatst worden, bij voorbeeld: uit zijn slof schieten, rood voor de ogen zien onder boos worden. Uitingen kunnen tevens gerangschikt worden
naar formaliteit. Ook in de oefening ‘wat past niet in het rijtje?’ kunnen
uitingen beschouwd worden naar betekenis en naar formaliteit.
Passendheid van uitingen in de situatie kan men oefenen met de vragen: ‘wie
zou dat kunnen zeggen tegen wie?’, ‘op welke plaats kan dit gezegd
worden?’.
| |
9. Het onthouden van de betekenis
Om de betekenis van uitdrukkingen te consolideren moeten ze een aantal malen
herhaald worden. Het is zoals gezegd belangrijk om verschillende contexten
te bieden, zodat de gebruiksmogelijkheden zich duidelijk aftekenen. De
bovengenoemde oefenvormen (synoniemen, omschrijvingen en dergelijke) dienen
uiteraard ook ter consolidatie.
Voor de oefeningen geldt: hoe meer en hoe gevarieerder hoe beter.
Hoe meer informatie een leerder rond een bepaalde uiting heeft, hoe beter
deze onthouden wordt.
De zogenaamde kaartjesmethode die Schouten-van
Parreren voor het consolideren van woorden aanraadt, lijkt me ook
voor uitdrukkingen zeer waardevol. Hierbij worden nieuwe uitdrukkingen die
de cursisten in teksten tegenkomen (en die als belangrijk beschouwd worden)
op een kaart geschreven met de context. Op de andere kant van de kaart komt
de omschrijving en eventueel een equivalent in de eigen taal. Op de eerste
kant komen ook | | | | andere contexten van de uitdrukking. Als de
leerder de betekenis vergeten is, kijkt hij/zij eerst aan de ene kant aan de
contexten om het vergetene weer op te roepen, dan pas als controle naar de
andere kant. De kaarten komen in een bestand. Als een uitdrukking onthouden
is en goed gekend wordt, kan de betreffende kaart uit het bestand gehaald
worden.
| |
10. Leerstijl
Zo zal iedere leerder zich een basispakket van idiomatische uitdrukkingen
eigen kunnen maken.
De uitdrukkingen moeten aanvankelijk alleen receptief, later ook produktief
beheerst worden. In welke fase van het leerproces tot produktie overgegaan
wordt, is niet voor iedere leerder hetzelfde. Sommigen willen eerst het
bereik van een uitdrukking duidelijk voor ogen hebben, voordat ze tot actief
gebruik overgaan, anderen willen een uitdrukking al snel toepassen en met
vallen en opstaan ontdekken welke gebruiksmogelijkheden er zijn.
Hoeveel aandacht er verder aan idiomatische uitingen gegeven wordt en in
hoeverre men aan produktieve beheersing van die uitingen werkt, hangt,
behalve van meer algemene doelen van een cursus, dus ook af van de
individuele voorkeur van de leerder. Er zijn leerders die van uitdrukkingen
houden en het belangrijk vinden om er veel te kennen en te gebruiken, zoals
er ook moedertaalsprekers zijn die een voorkeur voor idioom hebben. Anderen
houden juist niet van idioom, of vinden het niet zo belangrijk om het zelf
te gebruiken.
Maar afgezien van dergelijke individuele verschillen is de opbouw van een
‘schat aan idioom’ voor iedere leerder belangrijk.
Idioom is het zout in de pap, en eigenlijk nog meer: het is een van de
hoofdingrediënten van de taal.3
| | | |
| |
Bibliografie
| coulmas, f. ‘Idiomatizität: zur Universalität des
Idiosynkratischen’, in: Linguistische Berichte, 72
(1981), p. 27-50. |
| faber, d. e.a. Het spreekwoordenboek.
Nederlandse spreekwoorden en zegswijzen voor de jeugd. Jac.
Dijkstra, Groningen. |
| geurts, a.
Idiomatische uitdrukkingen n.a.v. de TV-serie ‘Prettig
geregeld’. In voorbereiding. |
| schouten-van parreren, c.
Woorden leren in het vreemde-talenonderwijs. Van
Walraven BV, Apeldoorn, 1985. |
| timman, y.
De sleutels van de taal. Idiomatische en andere vaste
uitingen in tweede-taalverwerving. Publikaties van het
Instituut voor Algemene Taalwetenschap, 54 (1989). |
|
1Dit fragment is afkomstig uit het
protocollenbestand van Projectbureau Toegepaste Taal Cursussen Algemene
Taalwetenschap Amsterdam, waar ik sedert januari 1987 werkzaam
ben.
2Leergangen waarin aan
beheersing van taalhandelingen gewerkt wordt, zijn het onlangs
verschenen Code Nederlands. Basisleergang Nederlands
voor volwassen anderstaligen, deel 1, door F. Kuiken en A. van
Kalsbeek, Amsterdam, 1990 en het in 1992 te verschijnen Manieren van Praten, door Y. Timman, een cursus voor het
beroepsgerichte tweede-taalonderwijs.
3Verschillende aspecten
van idioom die in dit artikel aan de orde gekomen zijn, worden
uitvoeriger behandeld in Timman (1989).
|
|