Colloquium Neerlandicum 11 (1991)


auteur: [tijdschrift] Handelingen Colloquium Neerlandicum


bron: Handelingen Elfde Colloquium Neerlandicum. Internationale Vereniging voor Neerlandistiek, Woubrugge 1992


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 79]

Idioom: Meer dan het zout in de pap
De didactiek van idioom in het vreemde-talenonderwijs
Y. Timman (Amsterdam)

1. Inleiding

In dit artikel zal ik eerst ingaan op de begrippen ‘idioom’ en ‘idiomatisering’. Hierbij maak ik een onderscheid in verschillende typen uitingen die als min of meer vast geheel functioneren.

Vervolgens bespreek ik de functie van idioom in taalgebruik.

Dan komt de rol die idioom in taalleren speelt of zou kunnen spelen aan de orde. Ik bespreek achtereenvolgens de volgende punten met betrekking tot de didactiek van idioom in het Nederlands als Vreemde Taal:

-fasering aanbod idioom in een cursus,
-selectiecriteria idioom,
-wijze van aanbod,
-wijze van uitleg betekenis,
-verschillende soorten oefeningen voor semantisering en consolidering van idiomatische uitdrukkingen.

2. Vaste woordcombinaties en idioom

Om maar met de deur in huis te vallen, de taal, vooral de gesproken taal, zit vol met idiomatische en andere min of meer vaste uitingen. Het verschijnsel idioom speelt zowel kwantitatief als kwalitatief bezien een grote rol in taalgebruik. Laten we eens naar het volgende stukje gesproken taal kijken. Het is een fragment uit een interview met een manager bij een schoonmaakbedrijf. Hij vertelt hoe hij zijn werk begon als schoonmaker.

[...] in de beginjaren heb ik echt gouden jaren gehad. Nou had ik ook [...] een prima stel collega's, dat we echt als een trein draaiden. Dat was fantastisch, dat vond ik een van de mooiste tijden die ik heb gehad ooit. En eh ja, ook eh 't was dan ook in een ziekenhuis, ja, en
[p. 80]
dan was je kind aan huis, je kon alles maken wat je maar wilde. maar [...] d'r werd ook hard gewerkt en d'r werd gelachen en gein gemaakt en [...].1

In dit fragment zien we een aantal echt idiomatische uitingen, namelijk: als een trein draaien en kind aan huis zijn. De betekenis van deze uitingen is niet afleidbaar uit de afzonderlijke woorden en de structuur waarin deze staan. Idiomatische uitingen fungeren als geheel en de betekenis wordt door het geheel gedragen. Ook op syntactisch niveau kenmerkt idioom zich door een mate van stolling: idiomatische uitingen zijn niet zo vrij variabel als nietidiomatische.

In het fragment worden ook een aantal uitingen gebruikt waarover te twisten valt of ze al dan niet het predikaat ‘idioom’ zouden moeten krijgen: gouden jaren hebben, een prima stel collega's, je kon alles maken wat je maar wilde, gein maken. Deze uitingen zijn wellicht strikt genomen niet idiomatisch, maar ze functioneren wel als een geheel. Dat er zoveel grensgevallen zijn is geen toeval. Het onderscheid tussen idioom en niet-idioom is niet absoluut: veel uitingen zijn min of meer idiomatisch. In taalgebruik vindt voortdurend idiomatisering plaats, dat wil zeggen: een ontwikkeling waarbij een taaluiting steeds meer als een geheel gaat functioneren om uiteindelijk idioom te worden. Zo is de betekenis van de telefoonroutine: met wie spreek ik? wel afleidbaar, maar deze uiting wordt als geheel geproduceerd door de spreker en ook als geheel door de hoorder geïnterpreteerd. De uiting is ook niet vrij variabel meer: spreken is immers niet te vervangen door praten. Het lijkt me dan ook belangrijk dat dergelijke uitingen in het vreemde-talenonderwijs als geheel worden aangeboden.

In alledaags taalgebruik gaan mensen niet alleen construerend te werk door elementen uit het lexicon volgens grammaticaregels tot zinnen te combineren, maar ze putten ook uit een voorraad kant en klare zinsdelen of zinnen. Met andere woorden: taalgebruik wordt niet alleen door analytische principes geregeerd maar ook door holistische (Coulmas 1981). Het holistische principe speelt ook een rol in ongestuurde verwerving van de moedertaal of een tweede taal. Hoe belangrijk die rol is, hangt mede van het type leerder af: sommige leerders zijn meer op gehelen gericht, anderen zijn meer analytisch ingesteld. Voor alle leerders echter geldt dat men niet alleen aan de analytische kant van taal en taalgebruik aandacht zal moeten besteden maar ook aan de holistische.

[p. 81]

In de veelheid van alle min of meer vaste woordcombinaties zijn verschillende typen te onderscheiden. Een mogelijke onderscheiding is de volgende:

-werkwoord + vast voorzetsel: wachten op, rekenen op, enz.;
-collocaties (werkwoord + zelfstandig naamwoord): belangen behartigen, maatregelen nemen, rekening houden met, enz.;
-woordgroepen (vooral bijwoorden): in het algemeen, in z'n geheel, vanalles-en-nog-wat, zo nu en dan, enz.;
-formules en routines: uitdrukkingen die mensen vaak gebruiken bij het leggen van contact en het reguleren van gesprekken.
Bij voorbeeld: hoe staan de zaken?, nou, ik moet er weer 's vandoor. Onder routines kun je ook formules plaatsen, vaste uitdrukkingen die in bepaalde situaties gebruikt worden: smakelijk eten, hartelijk gefeliciteerd, etc. Routines zijn vaak idiomatisch, bij voorbeeld: maar nu alle gekheid op een stokje, maar qua betekenis kunnen ze ook niet-idiomatisch zijn, zoals doe de groeten aan je vrouw.
-idiomatische uitdrukkingen: deze uitingen bevatten vaak beeldspraak: in de soep lopen, met de handen in het haar zitten, van de prins geen kwaad weten. Deze beeldspraak is soms doorzichtig (zoals in: op hete kolen zitten, de kool en de geit sparen, het kind met het badwater weggooien). Je kunt dan vaak de uiting ook letterlijk (dus niet-idiomatisch) opvatten en soms ontmoeten de letterlijke en figuurlijke betekenis elkaar: het feest is door de regen in het water gevallen, na de komst van de deurwaarder stonden ze op de keien. Vaak is de beeldspraak echter voor de doorsnee taalgebruiker niet doorzichtig, omdat men speciale kennis moet hebben om het beeld te begrijpen zoals in: aan de kaak stellen, om de haverklap, vechten tegen de bierkaai.
-spreekwoorden: een goed begin is het halve werk, zoals de waard is [...], enz.
-andere min of meer vaste vaste uitingen: ik heb er genoeg van, ik laat het er niet bij zitten, daar kan je niet omheen, enz.
Dergelijke uitingen komen zeer veel voor in spreektaal.

Tussen deze verschillende soorten vaste combinaties zijn veel overlappingen. Hoewel alle bovengenoemde combinaties belangrijk zijn voor het vreemdetalenonderwijs, zal ik me om praktische redenen in de rest van dit betoog beperken tot idiomatische uitingen. Overigens geldt veel van wat over de

[p. 82]

didactiek van idioom gezegd wordt, ook voor andere als geheel functionerende uitingen.

3. Functie van idioom

Idioom heeft een speciale functie in taalgebruik. Als we nog even terugkijken naar het fragment uit het interview met de manager kan men de vraag stellen of deze man zonder idiomatisch te spreken hetzelfde over die goeie, ouwe tijd over zou kunnen brengen.

In het algemeen zie je bij het uiten van gevoelens zoals boosheid, ontroering, verbazing vaak clusters idiomatische uitdrukkingen optreden. Idioom is te beschouwen als niet-algemeen, als gekleurd taalgebruik. Er zijn wel uitdrukkingen die algemeen zijn en die dus in veel situaties gebruikt kunnen worden, zoals iets voor ogen hebben of op de hoogte zijn, maar in het algemeen gesproken is idioomrijk taalgebruik informeel taalgebruik. Veel uitdrukkingen zijn niet in formele en neutrale situaties te gebruiken, omdat zij ingekleurd zijn door variabelen als leeftijd, sociale groep, regio en sexe. Vergelijkt u de uiting houd je me soms voor het lapje? met zit je me soms in de maling te nemen?. De denotatieve betekenis is hetzelfde, de uitdrukkingen verwijzen naar eenzelfde verschijnsel in de werkelijkheid, namelijk: iemand voor de gek houden. De connotatieve betekenis verschilt echter en hierdoor is de gebruikswijze anders. Voor het lapje houden klinkt oubollig, het komt in kinderboeken voor en zou door een oma gezegd kunnen worden. In de maling nemen klinkt wat stoerder, maar is nog altijd in meer situaties te gebruiken dan in de zeik zetten. In het gebruik van deze verschillende uitingen zijn van invloed de leeftijd, de sexe, en de sociale groep waar spreker en hoorder toe behoren.

Voor het vreemde-talenonderwijs betekent dit dat niet alleen de denotatieve betekenis van uitdrukkingen geleerd moet worden, maar ook de gebruikswijze: in welke situatie en in welke context kan deze uiting gebruikt worden? Voor een vreemde-taalleerder is volledig begrip van idioom en het juiste gebruik vaak erg moeilijk door de sociale en emotionele lading. Maar juist hierdoor, door het beeldende en niet-algemene karakter is idioom zo wezenlijk in communicatie. Taalgebruikers bevestigen de band met elkaar, drukken groepsidentiteit uit door het gebruik van uitdrukkingen. Taalgebruik zonder idioom is levenloos en pragmatisch gezien niet adequaat.

[p. 83]

Om deze reden is idioom niet alleen iets voor gevorderde vreemde-taalleerders die de puntjes op de i willen zetten, maar moet er om het echte Nederlands te leren vanaf het begin aan idioom gewerkt worden.

4. Algemene opbouw idioomonderwijs

Idioom krijgt op de meest natuurlijke wijze een plaats in een leergang waarin leerstof geboden wordt op het terrein van de pragmatische competentie en waarin de (of een) leerlijn gevormd wordt door taalhandelingen. Bij de taalhandeling kennis maken kan dan bij voorbeeld hoe maakt u het? (formeel) en hee, een nieuw gezicht! (informeel) aan de orde komen, bij ‘zeggen dat je het er niet mee eens bent’: ik zou daar graag een kanttekening bij willen maken (formeel) of hee, zo zijn we niet getrouwd (informeel).2

In de eerste, de elementaire fase wordt aangepast luister- en leesmateriaal aangeboden dat naast eenvoudige structuren en frequente woorden een aantal alledaagse idiomatische uitingen bevat zoals: wat is er aan de hand? en ga je gang. Met het principe van idioom, namelijk dat de betekenis van de uiting door het geheel gedragen wordt, wordt in de cursus dus van het begin af aan gewerkt.

Zo snel mogelijk worden voor leerders op basisniveau de aangepaste teksten vervangen door korte authentieke lees- en luisterteksten of fragmenten daaruit. Het idioom dat aan de orde komt, heeft dan nog een algemeen karakter. Een paar voorbeelden van uitdrukkingen die hierbij aangeboden zouden kunnen worden: op de hoogte zijn, in de gaten hebben, een hekel hebben aan.

Gaandeweg worden de luister- en leesteksten steeds langer en rijker aan idioom. Nu gaat ook idioom met een groepsgebonden karakter een steeds grotere rol spelen.

5. Welke idiomatische uitdrukkingen?

Als eerste twee criteria voor de selectie van idiomatische uitdrukkingen en voor de volgorde van behandeling moeten de frequentie en het belang voor de cursist genoemd worden. Helaas zijn er nog weinig gegevens over frequentie van uitdrukkingen. Als docent moet je dus eigenlijk wel op je intuïtie afgaan en/of in samenwerking met andere docenten aan de slag gaan met het bijhouden van lijsten uitdrukkingen.

[p. 84]

Een bruikbaar boekje met veel alledaags idioom is het Spreekwoordenboek van Faber e.a. (z.j.).

Onder ‘belang voor de cursist’ vallen leerwensen en leerdoelen: in welke situaties de leerder wil/moet communiceren, of hij/zij vooral de uitdrukkingen van de spreektaal of ook schrijftaaluitdrukkingen wil/moet leren, etc. Hierbij zou ook betrokken moeten worden in welke specifieke groepen taalgebruikers de leerder moet kunnen communiceren.

Door de keuze van de teksten, die onder meer afhankelijk is van doelgroep en doelstelling van de cursus, kan men beïnvloeden welke uitdrukkingen er aan bod komen. Voor de populaire uitdrukkingen zoals wat heb ik nou aan m'n fiets hangen? of maak je niet te sappel kan men het beste naar komische series op de TV en de reclame kijken, voor schrijftaaluitdrukkingen als in zwang zijn is een verhandeling in een tijdschrift beter.

6. De wijze van aanbod

Het is af te raden om clusters van uitdrukkingen aan te bieden die geassocieerd zijn op de letterlijke betekenis zoals een boom opzetten, door de bomen het bos niet meer zien, etc. Zoals gezegd, is de betekenis van idioom in principe onafleidbaar, en de kans is groot dat de leerder verdwaalt in een bos van beelden en allerlei verkeerde verbanden legt.

Essentieel is dat idiomatische uitdrukkingen in context worden aangeboden, omdat de betekenis van deze uitingen vaak sterk contextafhankelijk is. De betekenis van een idiomatische uitdrukking die in een bepaalde context globaal duidelijk is, zal door het begrijpen van die uiting in meer contexten steeds meer gespecificeerd worden. Wat betekent dit? Wanneer de betekenis van een uitdrukking die de leerder voor de eerste keer aangetroffen heeft, globaal duidelijk is, moeten een aantal andere contexten volgen waarin de uiting voor kan komen. De leerder kan dan steeds meer van de betekenis begrijpen en aanvoelen.

De idiomatische uitdrukking-in-context kan aangeboden worden in lees- en luisterteksten (een voorbeeld van een luistertekst is het bovenstaande fragment uit het interview met de manager), TV- en video-programma's van allerlei aard, in taalgebruikssituaties tijdens de les of daarbuiten.

Een zeer geschikt TV-programma is de serie ‘Prettig geregeld’ van de NCRV (Geurts 1990). Iedere aflevering duurt een half uur. Er wordt vaak idiomatisch in gesproken, maar het aantal uitdrukkingen is niet al te groot en

[p. 85]

het gebruik ervan niet te gecompliceerd. Er vinden mooie stukjes interactie plaats wat naast echt idiomatische uitdrukkingen ook routines, formules, en vooral ook ‘overige min of meer vaste uitingen’ (o.a. gesprekstopen als je meent het!, wat zegt u me nou!) oplevert.

7. Wijze van uitleg betekenis

De betekenis kan op verschillende manieren duidelijk gemaakt worden. De docent kan in eerste instantie uitleg geven door de betekenis te omschrijven, bij voorbeeld: in de puree zitten is: in een moeilijke situatie zijn.

Belangrijk is ook om verbanden met andere uitingen aan te geven:

-door synonieme uitdrukkingen die wel bekend zijn te noemen, bij voorbeeld: iemand zand in de ogen strooien is: iemand om de tuin leiden,
-door een tegenstelling te geven die wel bekend is, bij voorbeeld: ik heb er een hekel aan tegenover: ik ben er gek op.

Daarbij kan men de betekenis uitbeelden door te handelen. Zo kun je iemand in de gaten houden goed duidelijk maken door iemand daadwerkelijk in de les in de gaten te houden. Ook foto's en tekeningen kunnen gebruikt worden.

 

Bij het uitleggen en uitbeelden van de betekenis van een uiting die een duidelijke beeldspraak bevat, ligt het voor de hand om ook de letterlijke betekenis bij de uitleg te betrekken. Vaak vinden cursisten het leuk beeldspraak te begrijpen. Sommige beelden zijn universeel, andere juist cultuurspecifiek. Hierover spreken heeft vaak een gevoelsmatige betekenis voor de leerder waardoor de vreemde taal vertrouwder kan worden. En dat stimuleert de verwerving. Daarbij komt dat betekenissen beter onthouden worden als men naast de verbale, abstracte betekenis ook een concreet, een visueel beeld heeft.

 

Belangrijk bij de betekenistoekenning is het geven van voorbeelden van situaties waarin de uitdrukking gebruikt wordt. Hierbij gaat het erom dat de contexten pregnant zijn: de betekenis van de uiting moet er als het ware vanzelf uit naar voren komen.

Dat brengt me op een andere leerweg: het laten ontdekken van de betekenis door de cursisten zelf. Schouten-van Parreren (1985) heeft deze raadmethode uitgewerkt voor woorden leren in het vreemde-talenonderwijs. Zelf ontdekte betekenissen worden over het algemeen goed onthouden. Wel moet men bij

[p. 86]

het laten raden van idioom voorzichtig te werk gaan. Zeker wanneer de letterlijke betekenis van de woorden die de uitdrukking vormen, wel bekend is, is de kans groot dat men de werkelijke betekenis van de letterlijke probeert af te leiden. Ervan uitgaande dat onafleidbaarheid van betekenis het kenmerk van idioom is, kan men makkelijk door associaties bij de letterlijke betekenis op een vals spoor komen. En als zo'n spoor eenmaal gelegd is, is het moeilijk het weer helemaal uit te wissen. Niet alleen goed geraden, maar ook fout geraden betekenissen hebben de eigenschap goed te beklijven. Men zal dus bij het laten raden van de betekenis van idiomatische uitingen nog voorzichtiger te werk moeten gaan dan in het geval van het laten raden van woorden. De context moet werkelijk pregnant zijn en na het raden moet besproken worden hoe men tot de betekenis gekomen is.

8. Soorten oefeningen

Een eerste oefening kan zijn: het leren herkennen van idiomatische uitdrukkingen in teksten. Wanneer er in een tekst woorden voorkomen die niet in het verband passen, is het hoogst waarschijnlijk dat het om idioom gaat. De cursisten kunnen in een leestekst onderstrepen wat naar hun idee idioom is.

Ook bij een luistertekst kan idioom na het luisteren in de schriftelijke weergave onderstreept worden. Je kunt het herkennen van idioom ook oefenen door de cursisten al voor het luisteren een rijtje uitdrukkingen te geven. Tijdens het luisteren moeten ze dan de betreffende uiting aankruisen wanneer ze een uitdrukking horen.

 

Om de verbanden van de betreffende uiting met andere uitingen op een receptieve wijze te oefenen kun je twee kolommen geven. De leerder moet dan de passende uitingen bij elkaar zoeken. Dit kan gedaan worden met:

-omschrijvingen van betekenis
-synonieme uitdrukkingen
-tegengestelde uitdrukkingen.

Deze relaties tussen uitingen kunnen ook produktief geoefend worden door open vragen zoals: ‘wat is het tegengestelde van in de put zitten?’

 

Essentieel zijn contextoefeningen. De uitdrukkingen kunnen uit een tekst weggelaten worden en in een reeks bij de tekst gegeven worden. De cursist moet dan de goede uiting op de goede plaats invullen. Dit kan men moeilij-

[p. 87]

ker maken door de reeks aan te vullen met een paar uitingen die niet in de tekst passen. Nog moeilijker is een gatentekst die geheel open is. De cursist moet dan de in te vullen uitdrukkingen zelf bedenken.

Voorts kan men situaties schetsen en daarbij een meerkeuzevraag geven. Een voorbeeld naar aanleiding van een aflevering van ‘Prettig geregeld’: Trees heeft net gehoord dat ze niet opnieuw rijexamen hoeft te doen. Ze zegt:

a.‘Dat ligt als een steen op mijn maag.’
b.‘Dat is een pak van mijn hart!’
c.‘Ik krijg een brok in mijn keel.’

Dan zijn er verschillende soorten rubriceeroefeningen. Uitdrukkingen kunnen naar betekenis onder een rubriek geplaatst worden, bij voorbeeld: uit zijn slof schieten, rood voor de ogen zien onder boos worden. Uitingen kunnen tevens gerangschikt worden naar formaliteit. Ook in de oefening ‘wat past niet in het rijtje?’ kunnen uitingen beschouwd worden naar betekenis en naar formaliteit.

 

Passendheid van uitingen in de situatie kan men oefenen met de vragen: ‘wie zou dat kunnen zeggen tegen wie?’, ‘op welke plaats kan dit gezegd worden?’.

9. Het onthouden van de betekenis

Om de betekenis van uitdrukkingen te consolideren moeten ze een aantal malen herhaald worden. Het is zoals gezegd belangrijk om verschillende contexten te bieden, zodat de gebruiksmogelijkheden zich duidelijk aftekenen. De bovengenoemde oefenvormen (synoniemen, omschrijvingen en dergelijke) dienen uiteraard ook ter consolidatie.

Voor de oefeningen geldt: hoe meer en hoe gevarieerder hoe beter.

Hoe meer informatie een leerder rond een bepaalde uiting heeft, hoe beter deze onthouden wordt.

De zogenaamde kaartjesmethode die Schouten-van Parreren voor het consolideren van woorden aanraadt, lijkt me ook voor uitdrukkingen zeer waardevol. Hierbij worden nieuwe uitdrukkingen die de cursisten in teksten tegenkomen (en die als belangrijk beschouwd worden) op een kaart geschreven met de context. Op de andere kant van de kaart komt de omschrijving en eventueel een equivalent in de eigen taal. Op de eerste kant komen ook

[p. 88]

andere contexten van de uitdrukking. Als de leerder de betekenis vergeten is, kijkt hij/zij eerst aan de ene kant aan de contexten om het vergetene weer op te roepen, dan pas als controle naar de andere kant. De kaarten komen in een bestand. Als een uitdrukking onthouden is en goed gekend wordt, kan de betreffende kaart uit het bestand gehaald worden.

10. Leerstijl

Zo zal iedere leerder zich een basispakket van idiomatische uitdrukkingen eigen kunnen maken.

De uitdrukkingen moeten aanvankelijk alleen receptief, later ook produktief beheerst worden. In welke fase van het leerproces tot produktie overgegaan wordt, is niet voor iedere leerder hetzelfde. Sommigen willen eerst het bereik van een uitdrukking duidelijk voor ogen hebben, voordat ze tot actief gebruik overgaan, anderen willen een uitdrukking al snel toepassen en met vallen en opstaan ontdekken welke gebruiksmogelijkheden er zijn.

Hoeveel aandacht er verder aan idiomatische uitingen gegeven wordt en in hoeverre men aan produktieve beheersing van die uitingen werkt, hangt, behalve van meer algemene doelen van een cursus, dus ook af van de individuele voorkeur van de leerder. Er zijn leerders die van uitdrukkingen houden en het belangrijk vinden om er veel te kennen en te gebruiken, zoals er ook moedertaalsprekers zijn die een voorkeur voor idioom hebben. Anderen houden juist niet van idioom, of vinden het niet zo belangrijk om het zelf te gebruiken.

Maar afgezien van dergelijke individuele verschillen is de opbouw van een ‘schat aan idioom’ voor iedere leerder belangrijk.

Idioom is het zout in de pap, en eigenlijk nog meer: het is een van de hoofdingrediënten van de taal.3

[p. 89]

Bibliografie

coulmas, f. ‘Idiomatizität: zur Universalität des Idiosynkratischen’, in: Linguistische Berichte, 72 (1981), p. 27-50.
faber, d. e.a. Het spreekwoordenboek. Nederlandse spreekwoorden en zegswijzen voor de jeugd. Jac. Dijkstra, Groningen.
geurts, a. Idiomatische uitdrukkingen n.a.v. de TV-serie ‘Prettig geregeld’. In voorbereiding.
schouten-van parreren, c. Woorden leren in het vreemde-talenonderwijs. Van Walraven BV, Apeldoorn, 1985.
timman, y. De sleutels van de taal. Idiomatische en andere vaste uitingen in tweede-taalverwerving. Publikaties van het Instituut voor Algemene Taalwetenschap, 54 (1989).