terug  begin  verderprepost
[p. 231]

Houding in Duitsland ten opzichte van de literatuur in Nederland rond 19001
Jaap Grave (Regensburg)

1. Inleiding

Er was zo'n honderd jaar geleden in Duitsland sprake van een vergelijkbare toename van vertalingen uit het Nederlands als nu. De achtergrond van de golf vertalingen was echter anders. In die tijd waren er in Duitsland twee grote krachten die de belangstelling voor Nederlandse literatuur veroorzaakten.

Als eerste het ontstaan van het begrip wereldliteratuur. Dit werd in 1827 voor het eerst door Goethe gebruikt. Goethe beschreef wereldliteratuur als een actieve uitwisseling van ideeën en literatuur door auteurs en bemiddelaars. In de loop van de negentiende eeuw veranderde de inhoud van het begrip wereldliteratuur. In plaats van een actieve uitwisseling van literatuur werd wereldliteratuur beschouwd als een canon van wereldliteratuur. Een canon die in Duitsland werd vastgesteld.

De oorzaak voor deze betekenisverandering moet gezocht worden in de verandering van Duitsland zelf. Daar kom ik bij de tweede oorzaak: Duitsland werd in 1871 een eenheid en deze ging gepaard met een golf van cultureel nationalisme. In het begin was dit naar binnen gericht en ging het er vooral om de culturele identiteit door middel van nationale symbolen en grensoverschrijdende cultuur te vestigen. Na 1890 heerste de opvatting in brede kring dat er niets boven de Duitse cultuur ging en richtte het nationalisme zich meer naar buiten. Dit had grote gevolgen voor de

[p. 232]

opvatting van het begrip wereldliteratuur. Sterk vereenvoudigd uitgedrukt luidde de vraag: wie krijgt van ons een plaats binnen de wereldcanon? In dit klimaat en het feit dat Nederlands als een Duits dialect werd beschouwd ligt de verwachting voor de hand, dat de Nederlandse literatuur zeer kritisch en bevoogdend werd beoordeeld. Aan de hand van de twee belangrijkste vertalers en bemiddelaars uit die tijd wordt deze verwachting getoetst.

Het gaat om Paul Raché en Else Otten. Beiden waren generatiegenoten van de Nederlandse auteurs die tot de Tachtigers gerekend worden. Paul Raché (1869-1939) had na 1890 een vaste rubriek over Nederlandse literatuur in Die Gesellschaft, een tijdschrift dat was opgericht om de nieuwe Duitse en buitenlandse literatuur een forum te bieden. Hij recenseerde in diverse andere bladen en vertaalde uit het Nederlands: tussen 1890 en 1905 werk van Couperus (Noodlot, Wereldvrede), Vosmeer de Spie (Een Passie), Heijermans (Ahasverus) en Multatuli (Kleine Erzählungen und Skizzen).

Else Otten (1873-1931) schreef voor 1900 enkele recensies voor literaire tijdschriften en haar verdiensten liggen vooral op het vlak van vertalingen. Zij geniet nu in Nederland nog bekendheid als de vertaler van Van Eeden en Couperus.

Van beiden is hun opvatting over de Nederlandse literatuur gepubliceerd. Raché in recensies, Else Otten in enkele interviews waarin haar mening over de Nederlandse literatuur duidelijk naar voren komt. Een overzicht van hun opvattingen over de Nederlandse literatuur beslaat bijna een halve eeuw: de periode van 1890 tot 1930.

2. Rachés opvattingen

Rachés kritiek op de Nederlandse literatuur is zeer fors. Hij beweert bij herhaling dat er sinds de zeventiende eeuw tot de opkomst van de beweging van Tachtig niets belangwekkends in de Nederlandse literatuur is geschreven:

Während sich aber im Laufe der zwei Jahrhunderte, die seit jener Glanzperiode des holländischen Geisteslebens dahin geflossen sind,
[p. 233]
die Litteraturen der übrigen Völker selbständig entwickelten und nach immer gröβerer Vollkommenheit strebten, zeigte sich Holland von einer merkwürdigen Stabilität. Man sonnte sich in dem Ruhme der Vergangenheit und vergaβ dabei ganz, mit der Zeit fortzuschreiten.2

Gezaghebbende literaire kringen zouden met de stand van zaken tevreden zijn en de literatuur bleef een dienende rol voor staat en kerk vervullen. Zo ontstond een literatuur

der Langeweile (...), die sich so schön bei einer Pfeife Tabak und einer Tasse Thee verdauen lieβ, die weder durch neue und erhabene Gedanken unnötiges Kopfzerbrechen und Nachdenken verursachte, noch durch fortschrittliche und neuerungssüchtige Ideen das Entsetzen friedsamer Bürger hervorrief.3

Nederland had de aansluiting aan de moderne literaire ontwikkelingen in Europa gemist. Mensen met een modern levensgevoel zouden terugschrikken voor deze ‘Sintflut von moralisierender und beschreibender, didaktischer und pietistischer Literatur, die in ihrer unerträglichen Breite nur trostloseste Langeweile auszuüben vermag.’4

Het karakter van de Nederlanders zou in hun literatuur weerspiegeld worden, betoogde Raché. Ze waren conservatief, gesteld op hun rust, huiselijk (daar verwijzen pijp, tabak en thee naar) en indolent. In Rachés woorden:

Der ängstlich konservative Sinn des Holländers, sein Haftenbleiben am Althergebrachten, die gemütliche Behäbigkeit, aus der er sich nicht gern aufrütteln läβt, seine Gleichgültigkeit gegen jeden
[p. 234]
Fortschritt - alles spiegelte sich in der Litteratur getreulich wieder (...).5

Waren de karaktereigenschappen van de Nederlanders al verre van opwindend, hun literatuur was dat al helemaal niet. Afgezien van zijn eerder genoemde bezwaren was Raché van mening dat er in de Nederlandse literatuur te veel aandacht voor details was, de auteurs te uitvoerig en droog vertelden en de emoties ontbraken. Geen wonder dat het publiek in Duitsland geen belangstelling heeft voor literatuur die onverteerbaar was voor iedereen ‘der auβerhalb des eigentümlichen, uns etwas hausbacken und beschränkt anmutenden Empfindungskreises von Mijnheer und Mevrouw stand.’6 De twee Nederlandse woorden ‘Mijnheer en Mevrouw’ symboliseren in de Duitse literatuur de stijve Nederlandse burgerlijkheid.7 Juist door deze vermeende stilstand waren de nieuwe ontwikkelingen in de Nederlandse literatuur in het buitenland onopgemerkt gebleven, aldus Raché. ‘Es giebt wohl kaum eine Litteratur, welche trotz aller geistigen Regsamkeit und einer reichen Produktivität im Ausland so gänzlich unbeachtet geblieben ist, wie die holländische.’8 De Duitse vertaler Adolf Glaser uit de generatie voor Raché had zijn best gedaan Nederlandse literatuur bekendheid te geven. Hij vertaalde onder meer J.J. Cremer en Jacob van Lennep. Raché had het zich tot doel gesteld de nieuwe Nederlandse literatuur in het Duitse taalgebied bekend te maken. Door de gevestigde Nederlandse kritiek werd hem dat niet in dank afgenomen.

Rachés opvattingen waren geenszins origineel, hij borduurde voort op de bestaande clichés. Raché zag de Nederlandse literatuur als het kleine Germaanse broertje van Duitsland. Daarom moesten Nederlanders geen

[p. 235]

sonnetten schrijven, het zou een on-Germaanse vorm zijn. De opleving van de Nederlandse literatuur was volgens Raché van korte duur. Nauwelijks hadden de auteurs aansluiting bij de Europese ontwikkeling gevonden of ze vielen weer terug in de gebruikelijke lethargie.

 

Raché vertaalde zelf en besteedde in zijn recensies regelmatig aandacht aan de kwaliteit van de vertaling. De huidige opvatting dat een recensent over een slechte vertaling zwijgt, huldigde Raché zeker niet.

De belangen van de auteur verloor hij daarbij niet uit het oog. In het geval van een vertaling van het werk van Couperus wordt duidelijk dat hij deze vertaling pas bekritiseerde nadat hij daar met Couperus over gecorrespondeerd heeft. Het betreft een vertaling van Freia Norden van Extase die in 1894 verscheen. Couperus schreef Raché: ‘gaarne geef ik U verlof te protesteeren tegen eene zeer slechte vertaling. Doe ertegen wat U kunt.’9

Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. In het Magazin für Litteratur schreef Raché: ‘Im Interesse des Dichters hätte ich gewünscht, die Uebersetzung, verbrochen von Freia Norden, wäre unveröffentlicht geblieben.’10 Een letterlijke vertaling achtte Raché voor dit boek ongeschikt, het ging om de geest van het boek:

Einfach Wort für Wort übersetzen lässt sich so etwas nicht, das muss nachempfunden und aus derselben Stimmung heraus nachgedichtet werden. Dieses Nachdichten lässt die vorliegende Übersetzung sehr vermissen. Immerhin sind der Schönheiten in dem Werke so viele, dass die Lektüre auch bei einer weniger guten Übersetzung grossen Genuss gewährt.11

De verantwoordelijkheid van de vertaler die zich tussen beide polen

[p. 236]

beweegt - letterlijk vertalen en naar de geest - is zeer groot. Bij de vertaling van Couperus' Majesteit ging Raché er ook vanuit dat het werk niet letterlijk vertaald kon worden:

Von allen Werken des holländischen Dichters ist Ekstase das feinst empfundene, vom rein Stofflichen entfernteste. Es zeigt Couperus am tiefsten im Banne des Sensitivismus. Es ist ein Werk, in dem die Handlung nichts, die Empfindung, die Stimmung alles ist. So etwas läβt sich nicht übersetzen, das muβ nachgelebt und nachempfunden und aus derselben Stimmung heraus nachgedichtet werden. Dazu brauchts einen Sprachkünstler - was hier geboten wird, ist grob zusammengezimmerte Handwerkerarbeit. Die Uebersetzung ist stellenweise völlig unverständlich und läβt von dem Reiz des Originals so gut wie nichts erkennen.12

3. Else Otten als bemiddelaar en vertaler

Else Otten is

eene hooggeschatte vertaalster geworden en vormt (...) de artistiekliteraire schakel tussen Nederland en Duitschland. Meer dan honderd van onze beste werken op roman en toneelgebied (...) heeft zij in Duitschland bekend gemaakt en zij is het geweest, die inhooge mate er toe bijdroeg dat Duitschland met eerbiedige waardeering de Nederlandsche letterkunde is gaan beschouwen. (...) Zij is Neerlands geëerde literaire gezante, zelf kunstenares van het woord en vurig ijveraarster voor de Nederlandsche artistieke belangen (...).13
[p. 237]

De schattingen lopen uiteen, maar behalve de honderd werken uit het Nederlands vertaalde zij - en dit is een cijfer uit 1911, twintig jaar voor haar dood - nog zo'n 1.500 stukjes voor kranten en tijdschriften. Niet alleen uit het Nederlands, ook uit het Spaans, Engels en Frans. Dit geeft haar uitspraken over Nederlandse literatuur iets meer gewicht. Er kan immers van uit gegaan worden, dat zij vergelijkingen kan maken bij het vertalen uit verschillende talen.

In Duitsland heeft de Nederlandse literatuur de reputatie ‘breed’ te zijn. ‘De moderne Nederlandse literatuur’, zegt Else Otten, ‘leverde wel knappe beschrijving, maar weinig werk dat in Duitschland geschat kon worden. De Duitscher noemt uw nauwgezet beschrijven de dingen om u heen, een gevolg van de schoone sfeer, waarin dat alles in Nederland leeft, eenigszins geringschattend ‘Kleinmalerie’, ‘fijn-schilderkunst’. De Duitscher houdt van actie, de beweging, de gebeurtenis, het lotgeval.’14

 

Met andere woorden: het heeft Else Otten vanaf het begin zeer veel moeite gekost de Nederlandse literatuur in Duitsland bekendheid te geven. Zij vonden Nederlandse literatuur ‘langweilig, weinig als ze voelen voor beschrijvingskunst. Wat zij willen is handeling, sentiment.’15

Een verklaring voor het feit dat Nederlandse auteurs zo langdradig schrijven werd in het klimaat gevonden:

De liefde van onze Nederlandsche auteurs voor beschrijving hangt samen met het Nederlandsche klimaat, de Nederlandsche atmosfeer. Juist zooals de Nederlandsche schilders er toe kwamen de dingen af te schilderen zonder anecdote, alleen ter wille van hun schoonheid in dat heerlijke Hollandsche licht en daarin een ongeëvenaard meesterschap bereikten, werden de Nederlandsche schrijvers er toe gebracht het pittoreske van het voorwerp op zichzelf in woorden te schilderen. Maar de Duitscher, die de blonde lichtsfeer niet kent,
[p. 238]
begreep dat niet,- hij had niet veel op met een bladzijdenlange beschrijving van een kamer of een herfstwoud, of de zee.16

De oplossing van Duitse kant was eenvoudig: schrappen. Bij dit schrappen moet een verschil gemaakt worden voor toneel en romans. Voor romans werd vaak al in het contract vastgelegd dat het schrappen met instemming van de auteur gebeurde. Dit gold bijvoorbeeld voor de vertalingen van Else Otten van het werk van Couperus.

De jongste vertaler van Couperus' Berg van Licht wist in 1995 niet dat Otten en Couperus zulke afspraken over dit boek hadden gemaakt en hem is niets beters te binnen geschoten dan te gaan tellen wat zij heeft weggelaten: ‘597 Eliminierungen’, bericht de vertaler.17 Maar zijn bericht wordt nog curieuzer, als hij schrijft dat hij op het indrukwekkende aantal van circa 10.980 vertaalmoeilijkheden is gestuit.

 

Bij vertalingen voor toneel moest een vertaler verschillende belangen in het oog houden. Werd er dan eindelijk een stuk van een Nederlands auteur geschikt geacht voor het Duitse toneel (‘door persoonlijk bezoek, door het uitbuiten van letterkundige relaties, door onophoudelijke correspondenties’18)-waar ieder seizoen, tussen oktober en mei, alleen al in Berlijn 15.000 stukken werden ingezonden - dan moest de vertaler vaak schipperen tussen dramaturg en auteur. ‘Nu komt de dramaturg en de regisseur, die met rood potlood schrappen wil, waaraan de schrijver met

[p. 239]

zijn hartebloed hangt.’19 De vertaler moest gaan corresponderen met de auteur en overleg plegen met de regisseur en dramaturg. Ervaren vertalers losten dat graag anders op:

den schrijver en zich zelf moeite te besparen door het voorstel: geef mij het recht, om wat breed is voor het Duitsche toneel te schrappen, laat mij deze of die scene mogen omwerken, ons publiek stelt nu eenmaal andere eischen dan het uwe. Maar in 99 van de 100 gevallen krijgt hij een beslist neen te hooren.20

Otten is zeer duidelijk in de interviews: bij toneel gaat het sterk om het idee, hoe minder literair een stuk was, hoe eerder er geschrapt ging worden. Maar ook romans waren te gedetailleerd in hun beschrijvingen.

Vooral haar opmerkingen over de Nederlandse liefde voor het detail zijn voor vertalers zeer interessant. Want in de meeste gevallen krijgt zo'n detail in het Duits te veel nadruk, terwijl het in het Nederlands voor het ritme belangrijk is. Deze typische kenmerken van de Nederlandse taal zijn voor de vertaalwetenschap van belang.

 

De nieuwe ontwikkelingen in de Nederlandse literatuur zorgden in Duitsland voor belangstelling. Raché recipieerde duidelijk vanuit de gedachte dat Nederlands het kleine broertje van Duitsland was. Hij verloor zijn belangstelling toen hij niets nieuws meer vond en de Nederlandse literatuur zich volgens hem weer op de oude weg bevond. Else Otten zag haar werk door de Eerste Wereldoorlog onderbroken maar heeft een belangrijke bijdrage geleverd met haar opmerkingen over het eigen karakter van de Nederlandse taal dat in het Duits niet zonder meer overgenomen kan worden. Op dat punt waren Raché en Otten het eens: een één op één vertaling is niet mogelijk, de Nederlandse wijze van beschrijven is voor de Duitse lezer te vreemd.

1De vertaalopvattingen van enkele vertalers en bemiddelaars vormen een onderdeel van mijn nog niet afgesloten proefschrift over de receptie in Duitsland van de Nederlandse literatuur 1880-1914.

2Paul Raché, ‘Holländische Litteratur’, in: Die Gesellschaft, 1891, 3. Quartal, p. 1128.
3Paul Raché, ‘Holländische Litteratur’ (zie noot 2) p. 1129.
4Paul Raché, ‘Holländische Litteratur’ (zie noot 2), p. 1129.
5Paul Raché, in: Internationale Litteraturberichte, 1894, nr. 18, p. 205.
6Paul Raché, in: Das Magazin für Litteratur, 1894, nr. 5, kolom 134.
7‘Mijnheer en Mevrouw’ worden ook nu nog in Duitsland gebruikt; soms om te refereren aan de genoemde negatieve betekenis, soms door vertalers omdat meneer en mevrouw (Frau en Herr) in het Duits anders gebruikt worden. Het Engelse ‘Sir’ wordt vaak net als het Nederlands zonder vertaling overgenomen maar wekt geen negatieve associaties.
8Paul Raché, ‘Holländische Litteratur’ (zie noot 2) p. 1129.
9Louis Couperus aan Paul Raché, briefkaart van 16 februari 1895 [poststempel] Letterkundig Museum in Den Haag.
10Paul Raché, in: Das Magazin für Litteratur, 1894, nr. 51, kolom 1628.
11Paul Raché, in: Internationale Litteraturberichte, 2. Jahrgang, nr. 30 (21 augustus 1895), p. 335-336.
12Paul Raché, in: Das Magazin für Litteratur, 1894, nr. 51, kolom 1628. Van Freia Norden zijn geen andere vertalingen bekend. Raché ging in zijn rubriek Holländische Litteratur in Die Gesellschaft (Jg. 1895, 1. Quartal, p. 428) nog eens op beide vertalingen in en noemde die van Ida Frick ‘eine brauchbare Übersetzung’.

13Brief van de Nederlandse gezant in Berlijn aan Den Haag, 2 maart 1926 (archief Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, Afdeling Kabinet 1918-1940, inventarisnummer 341).
14‘Een verdienstelijke vrouw’, in: Het Volksbelang, Gent, 30 maart 1912.
15‘Else Otten’, in: De Hollandsche Lelie, 37, 13 maart 1912.
16‘Onze letterkunde in het Buitenland’, O. van Hauwaert, in: De Vlaamsche Hoogeschool, oktober 1911.
17Heinz Schneeweiβ, ‘Louis Couperus De Berg van Licht in der deutschen Übersetzung ‘Heliogabal, der Sonnenkaiser’’, in: Wechseltausch. Übersetzen als Kulturvermittlung. Deutschland und die Niederlande. Hrsg. Jattie Enklaar und Hans Ester (= Duitse Kroniek 1945), Amsterdam - Atlanta 1995, p. 140. Hij blijkt niet geweten te hebben dat Otten en Couperus dergelijke afspraken hadden gemaakt en ook niet dat er honderd jaar geleden andere opvattingen over vertalen bestonden.
18Anoniem, Kunst-Letterkundig pionierswerk, in: De Nieuwe Courant, 14 juni 1912.
19Anoniem, Kunst-Letterkundig pionierswerk (zie noot 18).
20Anoniem, Kunst-Letterkundig pionierswerk (zie noot 18).
prepostterug  begin  verder